ECLI:NL:RBAMS:2025:8660

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
AMS 25/3548
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 ParticipatiewetArt. 16 ParticipatiewetArt. 18 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding op grond van Participatiewet

Eiser heeft bijstand en bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering aangevraagd, maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees deze aanvragen af op grond van het feit dat eiser een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-partner.

De rechtbank bevestigt dat eiser inderdaad een gezamenlijke huishouding voert, waardoor hij niet als alleenstaande kan worden aangemerkt voor bijstand. Hoewel eiser schrijnende omstandigheden aanvoert, zoals tijdelijke opvang vanwege psychische klachten en dakloosheid, bieden de artikelen 16 en 18 van de Participatiewet geen grondslag voor bijstand in deze situatie.

De rechtbank benadrukt dat het college terecht heeft geoordeeld dat er geen ruimte is voor maatwerk of dringende redenen om af te wijken van de wettelijke regeling. Het beroep van eiser wordt daarom ongegrond verklaard, en hij krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvragen voor bijstand en bijzondere bijstand wegens gezamenlijke huishouding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3548

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. L.J.T. Hoksbergen),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, het college
(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvragen van eiser om een bijstandsuitkering en om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw). Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvragen terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft aanvragen ingediend voor een bijstandsuitkering en voor bijzondere bijstand voor de kosten voor bewindvoering. Het college heeft deze aanvragen met besluiten van 20 respectievelijk 27 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 mei 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 15 oktober 2025 op zitting behandeld. Aanwezig waren eiser, zijn ex-partner, zijn bewindvoerder [naam 1] en zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.

Totstandkoming van de besluiten

3.1.
Eiser is van 8 oktober 2010 tot 29 maart 2018 gehuwd geweest met [naam 2] (hierna: zijn ex-partner). Op 16 januari 2025 heeft eiser zich gemeld en een bijstandsuitkering voor een alleenstaande aangevraagd. Hij heeft daarbij opgegeven dat hij op de [adres] in Amsterdam inwoont bij zijn ex-partner.
3.2.
Met de beschikking van 21 november 2024 zijn de goederen van eiser onder bewind gesteld en is Zeker Financiële Zorgverlening tot bewindvoerder benoemd. Op 23 januari 2025 heeft de bewindvoerder bijzondere bijstand aangevraagd voor de éénmalige intakevergoeding en de maandelijkse kosten voor bewindvoering.
3.3.
Het college heeft beide aanvragen afgewezen omdat eiser een gezamenlijke huishouding voert met zijn ex-partner.
4. Met het bestreden besluit is het college, met een aanpassing van de motivering, bij de afwijzing van de aanvragen om bijstand en bijzondere bijstand gebleven. Uit de feiten en omstandigheden blijkt volgens het college dat sprake is van een gezamenlijke huishouding op basis van wederzijdse zorg (artikel 3, derde lid van de Pw). Eiser kan daarom niet als alleenstaande (ouder) worden aangemerkt in het kader van de bijstandsverlening. De omstandigheden die eiser aanvoert – tijdelijke opvang bij zijn ex-partner vanwege psychische klachten en dakloosheid – zijn weliswaar schrijnend, maar leiden niet tot een andere beoordeling. Maatwerk op grond van artikel 18 van Pro de Pw kan niet worden geleverd in de situatie dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.
Beoordeling door de rechtbank
5. De te beoordelen periode loopt van 16 januari 2025 (de datum van de aanvraag) tot en met 20 januari 2025 (de datum van het eerste afwijzingsbesluit).
6. Artikel 3, derde lid, van de Participatiewet (Pw) bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is als aan twee voorwaarden is voldaan. De eerste voorwaarde is dat twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. De tweede voorwaarde is dat deze twee personen blijken geven voor elkaar te zorgen door een bijdrage te leveren in de kosten van het huishouden of op een andere manier.
7. De gemachtigde van eiser heeft erkend dat juridisch gezien sprake is van een gezamenlijke huishouding, ook al voelt het voor eiser alsof sprake is van noodzakelijke eenzijdige zorg door zijn ex-partner. Als zijn partner hem niet in huis zou nemen zou hij op straat belanden met zijn kind en huisvesting krijgen zonder inkomen is niet mogelijk. Eiser stelt dat het college deze bijzondere omstandigheden had moeten meewegen en maatwerk had moeten leveren.
8. De rechtbank stelt vast dat niet ter discussie staat dat sprake is van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in artikel 3, derde lid Pw. De rechtbank begrijpt dat sprake is van een nare en noodgedwongen situatie voor eiser en zijn ex-partner, waarbij eiser eigenlijk in een vicieuze cirkel zit. De wet biedt in de situatie van eiser echter geen ruimte voor een andere uitkomst. Zoals bevestigd in vaste rechtspraak [1] biedt artikel 16, eerste lid, van de Pw mogelijkheden om wegens zeer dringende redenen bijstand te verlenen aan personen die niet behoren tot de kring van rechthebbenden. Die situatie is in het geval van eiser niet aan de orde. Hij behoort wel tot de kring van rechthebbenden, maar aan hem is bijstand geweigerd omdat hij een gezamenlijke huishouding voert. Artikel 18 van Pro de Pw geeft mogelijkheden voor afstemming van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van betrokkene. Dit artikel biedt echter geen grondslag om wegens bijzondere omstandigheden toch een uitkering toe te kennen in een situatie waarin sprake is van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank wijst er nog op dat de bijstand is bedoeld als vangnet. In dit geval heeft de ex-partner van eiser feitelijk deze vangnet functie op zich genomen, ook al is dat geen wenselijke situatie. In de situatie van eiser bestaat dan ook geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft de aanvragen voor bijstand en voor bijzondere bijstand voor de kosten van de bewindvoering terecht afgewezen.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Raad van 11 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC7071.