Uitspraak
1.[gedaagde 1] ,
2.
[gedaagde 2],
Rechtbank Amsterdam
De verhuurder vorderde de ontruiming van een woning op grond van dringend eigen gebruik, omdat hij de woning zelf wilde betrekken na noodzakelijke renovaties. De kantonrechter overwoog dat het eerdere vonnis uit 2022, waarin de vordering was afgewezen, door nieuwe omstandigheden kon worden ontlopen.
De verhuurder stelde dat renovatiekosten en gewijzigde fiscale lasten de dringende noodzaak tot eigen gebruik onderbouwen. De huurders voerden verweer dat het vonnis uit 2022 in kracht van gewijsde was en dat de verhuurder onvoldoende bewijs had geleverd van de noodzaak.
De kantonrechter oordeelde dat de verhuurder onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn belangen bij beëindiging van de huurovereenkomst zwaarder wegen dan die van de huurders bij voortzetting. De wens tot samenvoeging van woningen en de noodzaak van een woningonttrekkingsvergunning waren onvoldoende onderbouwd. De vorderingen werden afgewezen en de verhuurder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van de verhuurder worden afgewezen en de huurders mogen in de woning blijven.