ECLI:NL:RBAMS:2025:9109

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
1335287124
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand in het kader van overleveringsprocedure

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 25 november 2025 uitspraak gedaan op verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand, ingediend door verzoeker, geboren in 1974. De verzoeken zijn ingediend naar aanleiding van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat door Italië was uitgevaardigd. Verzoeker heeft van 14 tot en met 29 november 2024 in detentie gezeten op basis van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank heeft op 6 maart 2025 de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot behandeling van het EAB, omdat dit door de Italiaanse autoriteiten was ingetrokken. Verzoeker heeft vervolgens schadevergoeding gevraagd voor de ondergane vrijheidsbeneming en de kosten van rechtsbijstand. De rechtbank heeft de zaak in raadkamer behandeld en uiteindelijk besloten dat verzoeker recht heeft op een schadevergoeding van € 1.630,- voor de vrijheidsbeneming en € 14.439,34 voor de kosten van de Nederlandse advocaat, maar heeft de kosten van de Italiaanse advocaat afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de gemaakte kosten voor de Italiaanse advocaat niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat deze kosten niet noodzakelijk waren voor het laten intrekken van het EAB. De rechtbank heeft de verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand gedeeltelijk toegewezen en gedeeltelijk afgewezen, met een totale toewijzing van € 16.749,34.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13-352871-24
RK nummers: 25-012284 en 25-012286
BESCHIKKING
Op de verzoeken tot schadevergoeding en de daarmee samenhangende vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 67 van de Overleveringswet (hierna: OLW) in samenhang met artikelen 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van
[verzoeker] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1974
te dezen domicilie kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,
mr. R.A. Kaarls, [adres],
hierna te noemen: verzoeker.

1.Procesgang

Bij schriftelijke verzoeken, bij de rechtbank ingediend op 10 mei 2025, heeft verzoeker vergoeding verzocht van de schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en van de kosten van rechtsbijstand in het kader van de overleveringsprocedure.
De rechtbank heeft op 3 juli 2025 verzoeker, de raadsman van verzoeker, mr Kaarls voornoemd, en de officier van justitie, mr. A.L. Wagenaar, in raadkamer gehoord.
Op 17 juli 2025 heeft de rechtbank bij beschikking als volgt overwogen:

De rechtbank heeft de zaak in raadkamer achter gesloten deuren behandeld, terwijl artikel 533, derde lid Sv en 530, vierde lid jo 529, derde lid Sv expliciet bepaalt dat deze procedure op een openbare raadkamer wordt behandeld.
De rechtbank zal daarom de zaak heropenen teneinde verzoeker in gelegenheid te stellen alsnog op een openbare raadkamer te worden gehoord. Indien verzoeker hier geen prijs op stelt, zal de rechtbank - voor wat het standpunt van verzoeker betreft - uitgaan van het proces-verbaal dat van de raadkamer van 3 juli 2025 is opgemaakt.”
Op 27 juli 2025 heeft de raadsman per email aan de rechtbank laten weten dat een nieuwe behandeling op een openbare raadkamer achterwege kan blijven. Hij heeft daarbij nog aandacht gevraagd voor enkele aanvullende overwegingen rond artikel 21a OLW en verzocht dit bij de beoordeling in overweging te nemen. De email is toegevoegd aan het dossier.
Op 15 augustus 2025 is namens de officier van justitie medegedeeld dat het OM persisteert bij hetgeen ter zitting is aangebracht en dat een nieuwe mondelinge behandeling achterwege kan blijven.
Nu beide partijen instemmen met afdoening zonder nadere behandeling op een openbare zitting zal de rechtbank beslissen aan de hand van het dossier en hetgeen in besloten raadkamer is besproken.

2.Voorgeschiedenis

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten:
- Op 21 oktober 2024 is door
the Judge for Preliminary Investigations at the Court of Milan, Italië, een Europees aanhoudingsbevel (hierna: EAB) uitgevaardigd, strekkende tot de aanhouding en overlevering van verzoeker aan Italië, in verband met een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek.
- Van 14 november 2024 tot en met 29 november 2024 is verzoeker gedetineerd geweest op grond van de OLW, gelet op voormeld EAB.
- Bij uitspraak van deze rechtbank van 6 maart 2025 heeft de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB, omdat het EAB door de uitvaardigende autoriteit was ingetrokken, blijkens aanvullende informatie van de Italiaanse autoriteiten van 17 februari 2025.

3.Verzoeken

De verzoeken strekken tot het toekennen van een vergoeding door de Nederlandse Staat van
- € 1.500,- voor de ondergane vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure, nader gespecificeerd:
15 dagen Huis van Bewaring 15 x € 100,- = € 1.500,-
- de kosten voor rechtsbijstand van de Nederlandse advocaat mr. Kaarls, in totaal (bij e-mail van 25 juni 2025 gematigd) € 14.439,34
- de kosten voor rechtsbijstand van de Italiaanse advocaat mr. Pisano, in totaal € 144.630,65
- de kosten voor het opstellen en behandelen van het verzoekschrift € 680,-.
Totaal € 1.500,- + € 14.439,34 + € 144.630.65 + € 680,-- = € 161.249,99
De raadsman heeft ter zitting de verzoeken nader toegelicht. Hij heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het EAB niet door Italië uitgevaardigd had mogen worden. Alle verzochte kosten voor rechtsbijstand, zowel de kosten van hemzelf als van de Italiaanse raadsman, zijn noodzakelijk gemaakte kosten in het kader van de overlevering. De facturen zijn door verzoeker ook daadwerkelijk betaald. De Italiaanse raadsman heeft zijn uurtarief gematigd tot € 500,--. Het dossier was zeer omvangrijk en complex en zag op een grote fraudezaak. De route van 21a OLW is in de onderhavige zaak uitdrukkelijk niet gekozen omdat dat voor een zaak als deze geen optie was. De advocaat verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 april 2023 [1] waarin de kosten van een buitenlandse raadsman vergoed zijn.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat voor vergoeding in aanmerking komen:
  • compensatie voor dagen in detentie à €1.630,-;
  • (gematigde) kosten van de Nederlandse raadsman zoals voorgesteld bij mail van 25 juni 2025.
Het OM verzet zich tegen de vergoeding van de kosten van de raadsman in Italië. Verwijzend naar artikel 30 van het Kaderbesluit en artikel 5 van de EU richtlijn 2016/1919 van 26 oktober 2016 dienen de kosten voor rechtsbijstand door een buitenlandse raadsman door dat buitenland gedragen te worden.
In de zaak waar de advocaat naar verwijst, overweegt de rechtbank “
dat een deel van de activiteiten in het kader van de rechtsbijstand in de overleveringsprocedure in Duitsland moest plaatsvinden. De rechtbank hecht daarbij veel gewicht aan het feit dat de Nederlandse advocaat van de opgeëiste persoon slechts door het inschakelen van een Duitse advocaat met de Duitse officier van justitie in contact kon komen over het uitgevaardigde EAB. De rechtsbijstand in Duitsland staat hiermee in rechtstreeks verband met de overleveringsprocedure in Nederland. Nu er sprake is van een zodanig rechtstreeks en nauw verband tussen de kosten van de Nederlandse raadsman en die van de Duitse raadsman, worden de laatste kosten voor de toepassing van artikel 530 Sv toegerekend aan de Nederlandse raadsman, zodat zij voor vergoeding in aanmerking komen.”
Van een dergelijk verband is in het onderhavige geval geen sprake. Niet is gesteld dat het zonder tussenkomst van de heer Pisano niet mogelijk was om in contact te komen met de Italiaanse officier van justitie.
Subsidiair heeft de officier van justitie, onder verwijzing naar de billijkheidstoets van artikel 90 Wetboek van Strafvordering, zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde kosten voor de raadsman in Italië dienen te worden gematigd tot een bedrag van € 12.500,-.

5.Ontvankelijkheid

5.1.
Toetsingskader
Artikel 67 OLW correspondeert met artikel 59 Uitleveringswet (UW). Artikel 67, eerste lid, OLW bepaalt dat de rechtbank op verzoek van de opgeëiste persoon hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming bevolen krachtens de OLW. Daarvoor is vereist dat zijn overlevering is geweigerd. Artikel 533, derde, vierde en zesde lid, Sv en de artikelen 534, 535 en 536 Sv zijn daarbij van overeenkomstige toepassing.
In de gevallen als bedoeld in artikel 67, eerste lid, OLW zijn de artikelen 529 en 530 Sv van overeenkomstige toepassing op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, zo bepaalt artikel 67, tweede lid, OLW.
Op grond van artikel 534, eerste lid, Sv kent de rechtbank een vergoeding voor schade, geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming en rechtsbijstand, toe, indien daarvoor gronden van billijkheid aanwezig zijn. Daarbij moeten alle feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen.
5.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 67 OLW in beginsel alleen bij een weigering van de overlevering een vergoeding kan worden toegekend voor schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming. Onder omstandigheden kan een beslissing waardoor een overleveringsprocedure voortijdig eindigt gelijk worden gesteld met de beslissing van de rechtbank tot weigering van de overlevering. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij rauwelijkse afwijzing van het overleveringsverzoek door de officier van justitie of bij niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie omdat het EAB is uitgevaardigd door een niet-rechterlijke autoriteit, dan wel in gevallen waarin op grond van artikel 11 OLW aan het EAB geen gevolg wordt gegeven. Indien de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB heeft ingetrokken, is niet zonder meer sprake van een geval dat kan worden gelijkgesteld met weigering van de overlevering. Die gelijkstelling hangt af van de reden van de intrekking van het EAB.
Artikel 67, eerste lid, van de OLW bepaalt dat de rechter op verzoek van de opgeëiste persoon, indien diens overlevering is geweigerd, hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming, bevolen krachtens de OLW.
In de onderhavige zaak is geen sprake van weigering van de overlevering, maar van intrekking van het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit. Omdat het EAB is ingetrokken is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee in de onderhavige zaak gebleken dat hier sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie, nu de reden van intrekking van het EAB is gelegen in het feit dat het nationaal aanhoudingsbevel was ingetrokken door de Italiaanse autoriteiten.
De rechtbank is van oordeel dat vergoeding van schade die is geleden als gevolg van vrijheidsbeneming op grond van de Overleveringswet daarom op zijn plaats is. Verzoeker heeft in totaal 16 dagen in detentie gezeten op grond van de Overleveringswet. Op grond hiervan moet de door verzoeker ondergane detentie achteraf als onterecht ondergaan worden beschouwd. Uit het gegeven dat achteraf is komen vast te staan dat verzoeker onterecht heeft vastgezeten, volgt in beginsel dat er gronden van billijkheid zijn om hem een schadevergoeding toe te kennen. Feiten of omstandigheden die erop duiden dat verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van zijn detentie of die anderszins afdoen aan de billijkheid van toekenning van een schadevergoeding zijn gesteld noch gebleken.
De hoogte van de kosten voor rechtsbijstand in de overleveringsprocedure is – met inachtneming van de toelichting van de Nederlandse raadsman – naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf redelijk. De (gematigde) kosten van rechtsbijstand door de Nederlandse raadsman komen dan ook voor vergoeding in aanmerking.
De gemaakte kosten van rechtsbijstand voor de Italiaanse advocaat komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Op grond van richtlijn (EU) 2016/1919 d.d. 26 oktober 2016 bestaat voor de opgeëiste persoon een recht om rechtsbijstand te krijgen in Italië, maar daaruit volgt ook dat de uitvaardigende lidstaat in beginsel verantwoordelijk is voor de in die lidstaat gemaakte kosten van rechtsbijstand. De enkele stelling dat er in Italië geen procedure bestaat om deze kosten te verhalen maakt het voorgaande niet anders. Desondanks, indien voldoende vast zou komen te staan dat de kosten die zijn gemaakt voor de Italiaanse advocaat onmogelijk in Italië verhaald konden worden, kunnen deze kosten in Nederland in aanmerking voor vergoeding, mits bovendien kan worden vastgesteld dat de activiteiten van die advocaat noodzakelijk waren voor het laten intrekken van het EAB, omdat niet op andere wijze contact kon worden gemaakt met de uitvaardigende justitiële autoriteit.. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt onvoldoende uit het dossier dat inderdaad de kosten van de Italiaanse advocaat noodzakelijk zijn geweest om het EAB te laten intrekken. Nu van beide voorwaarden onvoldoende is gebleken, wijst de rechtbank het verzoek af voor zover het deze kosten betreft.
Beslissing
De rechtbank
WIJST TOEde verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van:
- € 1.630,-
€ 1.630,- vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure en
- € 14.439,34
€ 14.439,34 voor de kosten van rechtsbijstand door de Nederlandse advocaat (mr. Kaarls)
- € 680,-
€ 680,- voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken zijn gemaakt.
De rechtbank
WIJST AFhet verzoek tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van:
- € 144.630,65
€ 144.630,65 voor de kosten van rechtsbijstand door de Italiaanse advocaat (mr. Pisano)
Deze beslissing is gegeven op 25 november 2025 door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. Biçer en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.
De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 16.749,34,- (zestienduizend zevenhonderdnegenenveertig euro en vierendertig eurocent) op
IBAN/rekeningnummer
[rekeningnummer]
ten name van
R.A.Kaarls, advocaat, Stichting Beheer Derdengelden,
onder vermelding van
vergoeding 67 OLW, 533 en 530 Sv, inzake: [verzoeker] 126465 art. 530 Sv.
Aldus gedaan op 25 november 2025
door mr. M. Westerman, voorzitter.