5.2.Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 67 OLW in beginsel alleen bij een weigering van de overlevering een vergoeding kan worden toegekend voor schade geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming. Onder omstandigheden kan een beslissing waardoor een overleveringsprocedure voortijdig eindigt gelijk worden gesteld met de beslissing van de rechtbank tot weigering van de overlevering. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn bij rauwelijkse afwijzing van het overleveringsverzoek door de officier van justitie of bij niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie omdat het EAB is uitgevaardigd door een niet-rechterlijke autoriteit, dan wel in gevallen waarin op grond van artikel 11 OLW aan het EAB geen gevolg wordt gegeven. Indien de uitvaardigende justitiële autoriteit het EAB heeft ingetrokken, is niet zonder meer sprake van een geval dat kan worden gelijkgesteld met weigering van de overlevering. Die gelijkstelling hangt af van de reden van de intrekking van het EAB.
Artikel 67, eerste lid, van de OLW bepaalt dat de rechter op verzoek van de opgeëiste persoon, indien diens overlevering is geweigerd, hem een vergoeding ten laste van de Staat kan toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming, bevolen krachtens de OLW.
In de onderhavige zaak is geen sprake van weigering van de overlevering, maar van intrekking van het EAB door de uitvaardigende justitiële autoriteit. Omdat het EAB is ingetrokken is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee in de onderhavige zaak gebleken dat hier sprake is van een dergelijke uitzonderlijke situatie, nu de reden van intrekking van het EAB is gelegen in het feit dat het nationaal aanhoudingsbevel was ingetrokken door de Italiaanse autoriteiten.
De rechtbank is van oordeel dat vergoeding van schade die is geleden als gevolg van vrijheidsbeneming op grond van de Overleveringswet daarom op zijn plaats is. Verzoeker heeft in totaal 16 dagen in detentie gezeten op grond van de Overleveringswet. Op grond hiervan moet de door verzoeker ondergane detentie achteraf als onterecht ondergaan worden beschouwd. Uit het gegeven dat achteraf is komen vast te staan dat verzoeker onterecht heeft vastgezeten, volgt in beginsel dat er gronden van billijkheid zijn om hem een schadevergoeding toe te kennen. Feiten of omstandigheden die erop duiden dat verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld ten aanzien van zijn detentie of die anderszins afdoen aan de billijkheid van toekenning van een schadevergoeding zijn gesteld noch gebleken.
De hoogte van de kosten voor rechtsbijstand in de overleveringsprocedure is – met inachtneming van de toelichting van de Nederlandse raadsman – naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf redelijk. De (gematigde) kosten van rechtsbijstand door de Nederlandse raadsman komen dan ook voor vergoeding in aanmerking.
De gemaakte kosten van rechtsbijstand voor de Italiaanse advocaat komen naar het oordeel van de rechtbank niet voor vergoeding in aanmerking. Op grond van richtlijn (EU) 2016/1919 d.d. 26 oktober 2016 bestaat voor de opgeëiste persoon een recht om rechtsbijstand te krijgen in Italië, maar daaruit volgt ook dat de uitvaardigende lidstaat in beginsel verantwoordelijk is voor de in die lidstaat gemaakte kosten van rechtsbijstand. De enkele stelling dat er in Italië geen procedure bestaat om deze kosten te verhalen maakt het voorgaande niet anders. Desondanks, indien voldoende vast zou komen te staan dat de kosten die zijn gemaakt voor de Italiaanse advocaat onmogelijk in Italië verhaald konden worden, kunnen deze kosten in Nederland in aanmerking voor vergoeding, mits bovendien kan worden vastgesteld dat de activiteiten van die advocaat noodzakelijk waren voor het laten intrekken van het EAB, omdat niet op andere wijze contact kon worden gemaakt met de uitvaardigende justitiële autoriteit.. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt onvoldoende uit het dossier dat inderdaad de kosten van de Italiaanse advocaat noodzakelijk zijn geweest om het EAB te laten intrekken. Nu van beide voorwaarden onvoldoende is gebleken, wijst de rechtbank het verzoek af voor zover het deze kosten betreft.
Beslissing
De rechtbank
WIJST TOEde verzoeken tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van:
- € 1.630,-
€ 1.630,- vanwege vrijheidsbeneming van verzoeker in Nederland in de overleveringsprocedure en
- € 14.439,34
€ 14.439,34 voor de kosten van rechtsbijstand door de Nederlandse advocaat (mr. Kaarls)
- € 680,-
€ 680,- voor de kosten die in verband met het opstellen, indienen en behandelen van de verzoeken zijn gemaakt.
De rechtbank
WIJST AFhet verzoek tot schadevergoeding en vergoeding van kosten van rechtsbijstand ten bedrage van:
- € 144.630,65
€ 144.630,65 voor de kosten van rechtsbijstand door de Italiaanse advocaat (mr. Pisano)
Deze beslissing is gegeven op 25 november 2025 door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. Biçer en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
Tegen deze beslissing staat voor verzoeker hoger beroep open, in te stellen ter griffie van deze rechtbank, binnen een maand na betekening van deze beschikking.
De rechtbank Amsterdam, Internationale rechtshulpkamer, beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking door overmaking van € 16.749,34,- (zestienduizend zevenhonderdnegenenveertig euro en vierendertig eurocent) op
IBAN/rekeningnummer
[rekeningnummer]
ten name van
R.A.Kaarls, advocaat, Stichting Beheer Derdengelden,
onder vermelding van
vergoeding 67 OLW, 533 en 530 Sv, inzake: [verzoeker] 126465 art. 530 Sv.
Aldus gedaan op 25 november 2025
door mr. M. Westerman, voorzitter.