ECLI:NL:RBAMS:2025:9110

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
13-066956-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenbeslissing inzake verzoek om aanvullende toestemming voor tenuitvoerlegging van straf in het kader van internationale rechtshulp

Op 25 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenbeslissing genomen in een zaak betreffende de overlevering van een persoon op basis van een verzoek van de Duitse autoriteiten. Het verzoek, ingediend op 17 april 2025, betreft de toestemming voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór de overlevering zijn begaan. De overgeleverde persoon, geboren in 1996 in Duitsland, is momenteel gedetineerd in Duitsland. Tijdens een eerdere hoorzitting op 23 juli 2024 heeft de overgeleverde persoon aangegeven geen afstand te willen doen van het specialiteitsbeginsel, wat de basis vormt voor het verzoek om aanvullende toestemming.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de overgeleverde persoon niet voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken. Dit is in strijd met de vereisten zoals gesteld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. De rechtbank heeft op 18 augustus 2025 de Duitse autoriteiten verzocht om de overgeleverde persoon deze mogelijkheid te bieden, maar hier is geen gehoor aan gegeven.

Daarom heeft de rechtbank besloten de beslissing op het verzoek om aanvullende toestemming aan te houden, zodat de uitvaardigende justitiële autoriteit alsnog de gelegenheid krijgt om de overgeleverde persoon in staat te stellen zijn opmerkingen en bezwaren naar voren te brengen. De rechtbank heeft de beslissing genomen in aanwezigheid van de griffier, mr. F.K. Verbruggen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/066956-25
Datum beslissing: 25 november 2025
TUSSEN-BESLISSING
op de vordering ex artikel 14, derde lid, Overleveringswet (hierna: OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank op 17 april 2025, strekkende tot het in behandeling nemen van een verzoek om toestemming te verlenen voor de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder g, OLW. Dit verzoek is uitgevaardigd door het
Amtsgericht [kantongerecht] Geldern, Duitsland, op 20 november 2024 en betreft:
[overgeleverde persoon],
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] (Duitsland),
thans gedetineerd in Duitsland,
hierna te noemen: de overgeleverde persoon.

1.Beoordeling

Het verzoek bevat de gegevens als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ. De voorhanden zijnde stukken zijn echter nog niet toereikend om - met volledige eerbiediging van de rechten van verdediging van de overgeleverde persoon - een beslissing te nemen.
Het verzoek betreft een feit ten aanzien waarvan krachtens de OLW overlevering had kunnen worden toegestaan. De overgeleverde persoon is op 23 juli 2024 door het Kantongerecht (
Amtsgericht), Duisburg, over dit verzoek gehoord. Het proces-verbaal houdt onder meer in:
“De betrokkene werd ervan in kennis gesteld dat hij zal worden gehoord over de vraag of hij afstand doet van het specialiteitsbeginsel in de procedure van het Openbaar Ministerie (Staatsanwaltschaft) van Kleve met dossiernummer 105 Js 1377/16, Het dossiernummer van het Kantongerecht (Amtsgericht) van Geldern luidt 7 Ls 21/19.
De betrokkene verklaarde:
Nee, ik wil geen afstand doen van het specialiteitsbeginsel.
Op de vraag waarom hij geen afstand wilde doen van het specialiteitsbeginsel, lichtte zijn raadsman het volgende toe:
Dat is zijn beslissing. Het is zijn goed recht. Dit is al de derde hoorzitting in deze zaak. De hoorzitting had kunnen plaatsvinden in het kader van de uitlevering op basis van het Europees aanhoudingsbevel. Dat is echter niet gebeurd.”
Hoorrecht
Vereist is dat de overgeleverde persoon feitelijk de mogelijkheid heeft gehad om al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het verzoek tot aanvullende toestemming kenbaar te maken, zoals bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 oktober 2021. [1] Uit de stukken is onvoldoende gebleken dat de overgeleverde persoon daartoe in de gelegenheid is gesteld. Uit het hiervoor geciteerde proces-verbaal blijkt slechts dat de overgeleverde persoon heeft verklaard dat hij geen afstand doet van het specialiteitsbeginsel (wat de aanleiding vormt voor het verzoek om aanvullende toestemming) en niet dat hij daarbij of bij een ander verhoor in de gelegenheid is gesteld om zich uit te laten over het verzoek om aanvullende toestemming.
Op 18 augustus 2025 heeft de rechtbank via het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) de Duitse autoriteiten verzocht om de opgeëiste persoon deze mogelijkheid te bieden. Aan dit verzoek is geen gehoor gegeven. De rechtbank zal daarom de beslissing op het verzoek om aanvullende toestemming aanhouden teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit de gelegenheid te geven om de overgeleverde persoon alsnog in de gelegenheid te stellen om zijn opmerkingen en bezwaren met betrekking tot de aanvullende toestemming naar voren te brengen.

2.Beslissing

De rechtbank:
houdt aande beslissing op de vordering ex artikel 14, derde lid, OLW teneinde de uitvaardigende justitiële autoriteit gelegenheid te geven om
[overgeleverde persoon]alsnog in de gelegenheid te stellen al zijn eventuele opmerkingen en bezwaren naar voren te brengen over het verzoek, waarbij op grond van artikel 27, vierde lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan de rechtbank Amsterdam om toestemming wordt gevraagd voor de tenuitvoerlegging van een aan de opgeëiste persoon opgelegde straf voor feiten die vóór het tijdstip van de overlevering zijn begaan en waarvoor de betrokkene niet is overgeleverd, en het verslag daarvan aan de rechtbank te doen toekomen.
Deze beslissing is genomen op 25 november 2025 door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier.

Voetnoten

1.HvJ EU 26 oktober 2021, C-428/2 1 PPU en C-42912 1 PPU, ECLI:EU:C:202 1:876, punt 63.