ECLI:NL:RBAMS:2025:9114

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
25 november 2025
Zaaknummer
1324139125
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6a OLWArt. 7 OLWArt. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 12 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over uitvoering Europees aanhoudingsbevel en gelijkstelling met Nederlander

De rechtbank Amsterdam heeft op 25 november 2025 een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Poolse rechtbank. Het EAB betreft de overlevering van een Poolse veroordeelde die een vrijheidsstraf van één jaar en twee maanden moet ondergaan. De procedure werd verlengd en de verdachte werd geschorst uit voorlopige hechtenis.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte voldoet aan de identiteitseisen en dat het EAB betrekking heeft op een vonnis waarbij de verdachte niet persoonlijk aanwezig was. De rechtbank concludeerde dat dit geen belemmering vormt voor overlevering. Tevens werd vastgesteld dat de feiten waarvoor de straf is opgelegd ook strafbaar zijn onder Nederlands recht.

De verdediging voerde aan dat de verdachte gelijkgesteld moet worden met een Nederlander op grond van langdurig rechtmatig verblijf en leverde daarvoor loonstroken en belastingaanslagen aan. De rechtbank achtte deze stukken tijdig ingediend en voldoende om het eerste vereiste van vijf jaar onafgebroken rechtmatig verblijf te bevestigen.

Voor het tweede vereiste, de verwachting dat de verdachte zijn verblijfsrecht niet verliest door de straf, ontbrak nog informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). De rechtbank besloot het onderzoek te schorsen en de officier van justitie te verzoeken deze informatie op te vragen. De beslistermijn werd met 60 dagen verlengd en de voorlopige hechtenis geschorst verlengd. De zaak wordt uiterlijk 9 februari 2026 opnieuw behandeld.

Uitkomst: De rechtbank schorst het onderzoek en verlengt de beslistermijn om aanvullende informatie over het rechtmatig verblijf en gelijkstelling op te vragen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/241391-25
Datum uitspraak: 25 november 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 16 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 juli 2020 door de
Regional Court in Jelenia Góra 3rd Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag 1] 1979,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 11 november 2025, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een
final judgement of the District Court in Boleslawiec of 01 October 2015, file ref. II K 557/15.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en twee maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid. De situatie zoals genoemd in artikel 12, sub b, OLW heeft zich voorgedaan. De weigeringsrond van artikel 12 OLW Pro staat dan ook niet aan de overlevering in de weg wat betreft dit vonnis.
De vrijheidsstraf is aanvankelijk, bij voornoemd vonnis, in voorwaardelijke vorm aan de opgeëiste persoon opgelegd. Bij beslissing van
the District Court in Bolesiawiec, file ref. II Ko 2308/16, van 2 februari 2017 is de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke vrijheidsstraf bevolen.
Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 maart 2023 [4] volgt dat de procedure die heeft geleid tot de veroordeling voor een nieuw strafbaar feit die ten grondslag ligt aan de beslissing tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf ook onderworpen dient te worden aan de toets van artikel 12 OLW Pro. Daarvan is in dit geval geen sprake. Aan de beslissing tot tenuitvoerlegging ligt volgens het EAB ten grondslag dat de opgeëiste persoon niet aan de eerder opgelegde voorwaarde tot betaling van een schadevergoeding heeft voldaan.
De beslissing tot tenuitvoerlegging van 2 februari 2017 zelf is geen beslissing waarbij de aard of de maat van de aanvankelijk opgelegde straf is gewijzigd. Deze beslissing valt daarom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5] Dit betekent dat de rechtbank geen andere beslissing aan artikel 12 OLW Pro hoeft te toetsen dan de veroordeling waarbij de voorwaardelijke straf is opgelegd.

4.Strafbaarheid; feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en heeft stukken overgelegd, waaronder salarisspecificaties van april 2023 tot en met oktober 2025 en belastingaanslagen van 2019 tot en met 2024. De raadsman heeft verzocht de zaak aan te houden, om het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen het vereiste certificaat en onderliggende vonnis in te brengen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het gelijkstellingsverweer niet kan slagen omdat de stukken niet tijdig zijn ingediend door de verdediging. Subsidiair heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat met de overgelegde stukken niet is aangetoond dat de opgeëiste persoon vijf jaar ononderbroken rechtmatig heeft verbleven in Nederland.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Op grond van artikel 6a, negende lid, OLW dienen bewijsstukken ter onderbouwing van een gelijkstellingsverweer tijdig voorafgaand aan het verhoor aan de rechtbank te worden overlegd. Een termijn van uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de zitting wordt in ieder geval als tijdig beschouwd. De raadsman heeft de gelijkstellingsstukken op 2 november 2025, en dus negen dagen voor de zitting, ingediend.
Nu het om een beperkt aantal overzichtelijke stukken gaat, beschouwt de rechtbank de indiening daarvan in dit geval als tijdig en zal zij de gelijkstellingstukken in behandeling nemen.
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de door de raadsman overgelegde stukken voldoende is komen vast te staan dat de opgeëiste persoon ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad.
Uit de SKDB-informatiestaat blijkt dat de opgeëiste persoon sinds september 2019 onafgebroken ingeschreven staat in Nederland. Verder kan uit de overgelegde inkomensstukken worden afgeleid dat de opgeëiste persoon gedurende een periode van vijf jaar onafgebroken voldoende inkomsten had om in zijn levensonderhoud te voorzien. Daarvoor is een minimum van 50 procent van de bijstandsnorm geen harde eis maar wel een belangrijke aanwijzing dat een opgeëiste persoon met zijn inkomen in zijn levensonderhoud kon voorzien. Uit de overgelegde loonstroken volgt dat de opgeëiste persoon van april 2023 tot en met heden onafgebroken (ruim) voldoende inkomsten had. Uit de overgelegde belastingaanslagen van de jaren 2020 tot en met 2024 volgt daarnaast dat de opgeëiste persoon in die jaren inkomen had waarover hij een dusdanig hoog bedrag aan inkomstenbelasting moest betalen, dat vastgesteld kan worden dat hij ook in de periode tussen begin 2020 en april 2023 meer dan 50% van de bijstandsnorm aan inkomen moet hebben gehad. Indien als peildatum wordt genomen de dag van de uitspraak in deze overleveringsprocedure ( 25 november 2025), kan uit de voornoemde gegevens genoegzaam worden vastgesteld dat hij in de vijf jaren daaraan voorafgaand onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven.
Aan deze eerste voorwaarde is dus voldaan.
Tweede voorwaarde
Het antwoord op de vraag over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht op verblijf in Nederland verliest als gevolg van de opgelegde straf of maatregel, beoordeelt de rechtbank aan de hand van informatie van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND). Deze informatie ontbreekt in het dossier.
De rechtbank zal het onderzoek heropenen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om deze informatie op te vragen bij de IND. Als ook aan de tweede voorwaarde is voldaan, wordt de officier van justitie verzocht om, in navolging van het arrest
CJvan het Hof van Justitie van de Europese Unie [6] , het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het onderliggende vonnis op te vragen bij of via de uitvaardigende justitiële autoriteit.
De rechtbank schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de benodigde informatie van de IND op te vragen.
De rechtbank acht zeer goed denkbaar dat de uitvraag bij de IND oplevert dat ook aan de tweede voorwaarde zal zijn voldaan en het certificaat en het vonnis opgevraagd zullen moeten worden. In verband met de tijd die daarmee gemoeid zal zijn overweegt de rechtbank over de beslistermijn en de termijn waarop de zaak opnieuw ter zitting gepland moet worden als volgt.
Zoals bepaald in artikel 22, vierde lid OLW kan de rechtbank in uitzonderlijke gevallen de beslistermijn met telkens 60 dagen verlengen. Nu de rechtspraak, de verdediging en de officier van justitie recent zijn geconfronteerd met de gevolgen van het arrest
CJ [7] en de wetgever artikel 6a OLW op dit punt (nog) niet heeft gewijzigd, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, zodat de rechtbank de beslistermijn met 60 dagen zal verlengen. De rechtbank zal gelijktijdig de geschorste overleveringsdetentie verlengen op grond van artikel 27, derde lid, OLW. De zaak zal dan zo mogelijk uiterlijk 14 dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn opnieuw op zitting moeten worden gepland.

6.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 5 genoemde informatie op te vragen bij de IND (en, aansluitend zo nodig, de uitvaardigende justitiële autoriteit);
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste overleveringsdetentie op grond van artikel 27, derde lid, OLW;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór het verstrijken van de verlengde beslistermijn (op 9 februari 2026) opnieuw op zitting wordt gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen de nader te bepalen datum en het nader te bepalen tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen de voornoemde nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en M.W. Speksnijder, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.K. Verbruggen, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 25 november 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (
5.HvJ EU 23 maart 2023, C-514/21 en C-515/21, ECLI:EU:C:2023:235 (Minister for Justice and Equality (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (CJ (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (CJ (Tenuitvoerlegging van een vonnis naar aanleiding van een EAB)).