ECLI:NL:RBAMS:2025:9146

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
11595310
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:267 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating bewijslevering over medehuurderschap wegens duurzame gemeenschappelijke huishouding

Eisers, bestaande uit zoon en vrouw, vorderen dat zij als medehuurders worden erkend van de woning die sinds 1989 aan hun moeder (oma) wordt verhuurd. De woning wordt al ruim 24 jaar bewoond door zeven familieleden, waaronder de kinderen van eisers. De vordering is gebaseerd op het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 7:267 BW Pro.

De kantonrechter overweegt dat mantelzorg op zichzelf geen basis is voor medehuurderschap, maar dat de langdurige samenwoning en wederzijdse zorg aanwijzingen kunnen geven voor een duurzame huishouding. De financiële situatie toont een zekere scheiding, maar er is sprake van gezamenlijke kosten en zorg. De stelplicht en bewijslast liggen bij eisers, die hun stellingen summier hebben onderbouwd.

Daarom wordt eisers een bewijsopdracht opgelegd om feiten en omstandigheden aan te tonen waaruit een duurzame gemeenschappelijke huishouding blijkt. De zaak wordt aangehouden en op 2 december 2025 wordt een rolzitting gepland om de voortgang van de bewijslevering te bespreken.

Uitkomst: Eisers krijgen bewijsopdracht om duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te tonen; zaak aangehouden voor verdere bewijslevering.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11595310 \ CV EXPL 25-4361
Vonnis van 18 november 2025
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats] ,
3.
[eiser 3],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: eisers,
gemachtigde: Stichting Achmea Rechtsbijstand,
tegen
STICHTING YMERE,
te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: gedaagde,
gemachtigde: [gemachtigde] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van vijf maart 2025
- de conclusie van antwoord van 22 april 2025
- het tussenvonnis van 20 mei 2025.
Op 25 september 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Eisers sub 1 en 2 zijn daarbij aanwezig geweest, samen met hun oudste dochter en de gemachtigde. Gedaagde is daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Gedaagde verhuurt sinds 1989 voor onbepaalde tijd aan eiser 3 (hierna: oma) de woning aan de [adres] (hierna: de woning). De woning is 74m2 en bestaat uit een woonkamer en 3 slaapkamers.
2.2.
Eiser 1 (hierna: zoon) heeft vanaf die datum in de woning gewoond met zijn ouders. In 1995 is zoon verhuisd en getrouwd met eiser sub 2 (hierna: vrouw) in 1997. In 2001 verslechterde de gezondheidstoestand van de ouders van zoon, te weten oma en haar man (hierna: opa). Opa was ernstig ziek en oma kon niet alleen voor hem zorgen vanwege haar beperkte taalvaardigheid en de fysieke belasting. Zoon en vrouw hebben de zorgtaken op zich genomen en zijn om die reden (terug) in 2001 verhuisd naar de woning. Sindsdien wonen zij in de woning. Zoon en vrouw hebben vier kinderen die ook in de woning wonen. Het oudste kind was twee maanden oud toen zoon en vrouw verhuisden naar de woning. De overige kinderen zijn geboren terwijl zij in de woning woonden. Oma is momenteel 87 jaar oud.

3.Het geschil

3.1.
Eisers vorderen - samengevat - dat de kantonrechter voor recht verklaart dat eisers sub 1 en 2 vanaf de datum van het vonnis medehuurder zijn van de woonruimte aan het adres [adres] . Gedaagde verzet zich hiertegen.

4.De beoordeling

4.1.
Deze zaak gaat over het medehuurderschap in de zin van artikel 7:267 BW Pro. Daartoe moet worden beoordeeld of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
4.2.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd, zoals het feitelijk gebruik van de woning door de huurder en de medebewoner en de omstandigheid dat zij al dan niet (1) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (2) gezamenlijk (of op grond van een afgesproken verdeling) huishoudelijke taken verrichten, (3) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (4) gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en (5) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer.
4.3.
Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een duurzame huishouding zijn ook subjectieve factoren van belang. Gedacht kan worden aan bedoelingen van partijen voor de toekomst, in welke mate die plannen zijn geëffectueerd en welke onderlinge uitwisseling plaatsvond. Verder is van belang dat tussen ouders en kind in beginsel geen sprake is van een duurzame maar een aflopende samenlevingssituatie. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan een samenleven van een kind en een ouder, na het zelfstandig worden van het kind, worden aangemerkt als een duurzame samenwoning met een gemeenschappelijke huishouding. Het enkele feit dat sprake is van mantelzorg is echter geen bijzondere omstandigheid. [1]
4.4.
De stelplicht en bewijslast voor de duurzame gemeenschappelijke huishouding ligt bij eisers, waarbij ten aanzien van het bestaan van een gemeenschappelijke huishouding een verzwaarde stelplicht geldt. [2]
4.5.
Volgens gedaagde is van een duurzaam gemeenschappelijke huishouding geen sprake omdat sprake is van afhankelijkheid van oma. Zij zou niet bij kunnen dragen aan het huishouden. Verder hebben zoon en vrouw een bankrekening en oma een andere. Verder betaalt oma de huur en zoon en vrouw andere vaste lasten zoals internet, gas water licht, gemeenschappelijke belastingen en verzekeringen en boodschappen. Dit duidt op een sterke financiële scheiding. Verder is de vordering onvoldoende onderbouwd zodat niet kan worden aangenomen dat eisers samen op vakantie gaan of bezoek ontvangen. Veel eerder is sprake van een terugkeer van zoon om zorg te leveren en zij gaandeweg de woning als hun woning zijn gaan beschouwen met hun eigen gezin, waar oma ook woont.
4.6.
De kantonrechter overweegt dat mantelzorg in beginsel geen basis kan vormen van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Echter, dat de samenwoning als startpunt de mantelzorg aan opa en de bijstand aan oma kent, betekent niet dat geen duurzame gemeenschappelijke huishouding kan worden gevormd. Aan gedaagde kan worden toegegeven dat de onderbouwing van de vordering mager is. Toch is deze vordering in ieder geval afdoende onderbouwd om toegelaten te worden tot het leveren van nader bewijs. Het gaat hier om een woning van 74m2 met drie slaapkamers waar nu al ongeveer 24 jaar in wordt samengewoond door zeven familieleden. De kinderen zijn in de woning geboren en opgegroeid in de nabijheid van oma. Zoon en vrouw zijn rond de 50 jaar oud en hebben duidelijk de intentie om ook de rest van het leven van oma samen met haar te blijven wonen. Door eisers is toegelicht, maar niet verder onderbouwd, dat zij altijd samen eten, gezamenlijk schoonmaken en de levenskosten delen. Verder is toegelicht dat oma in het verleden veel zorgtaken had richting de kinderen en nu zelf meer verzorging behoeft. Hoewel niet sprake is van één financiële bankrekening, is afdoende vast komen te staan dat zowel zoon en vrouw als oma bijdraagt aan de kosten van het levensonderhoud.
4.7.
Uit het voorgaande volgt dat er aanwijzingen zijn dat sprake is van langdurige, inmiddels al 24 jaar, en wederkerige zorg voor elkaar, in een woning met drie slaapkamers voor zeven familieleden. Dit laat onverlet dat het nog steeds mogelijk is dat sprake is van een gezin dat in de woning van oma woont en waarbij dat gezin en oma eigenstandig hun leven leiden. De onderbouwing van de stelling dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijk huishouding is zeer summier onderbouwd door eisers. Eisers worden in de gelegenheid gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden opgemaakt dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
laat eisers toe te feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit kan worden opgemaakt dat sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding;
5.2.
bepaalt dat op de rolzitting van 2 december 2025 te 10.00 uur aan eisers de gelegenheid wordt geboden om te kennen te geven of, en zo ja, op welke wijze van die bewijsopdracht gebruik zal worden gemaakt en zo daartoe getuigen zullen worden gehoord, welke getuigen worden voorgedragen, waarna daarvoor dag en uur zullen worden bepaald;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.T. Beuving en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
734

Voetnoten

1.HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:93
2.HR 10 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6932