ECLI:NL:RBAMS:2025:9204

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
20 november 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
AMS 24/5281
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor tijdelijke basisschool in Weesp

In deze uitspraak van de Rechtbank Amsterdam, gedateerd 20 november 2025, wordt de omgevingsvergunning voor een tijdelijke basisschool in Weesp behandeld. Eiser, een inwoner van Weesp, is het niet eens met de verleende vergunning aan de vergunninghouder door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Hij voert aan dat de geluidsnormen worden overschreden en dat er alternatieve locaties zijn voor de school. De rechtbank oordeelt dat het college de vergunning rechtmatig heeft verleend. De rechtbank stelt vast dat de geluidsnormen niet worden overschreden, mits de in de vergunning opgenomen geluidschermen worden geplaatst. Eiser heeft geen deskundig tegenadvies ingebracht tegen het geluidsonderzoek dat door Peutz is uitgevoerd en goedgekeurd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaal. Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de keuze voor de locatie van de tijdelijke basisschool goed is onderbouwd door het college, dat verschillende locaties heeft geëvalueerd. Eiser heeft niet aangetoond dat de alternatieve locatie die hij voorstelt, aanmerkelijk minder bezwaren met zich meebrengt. De rechtbank wijst ook het verzoek om schadevergoeding af, omdat de vergunning in redelijkheid is verleend. Eiser kan wel een planschadeverzoek indienen bij de gemeente Amsterdam. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en dat de omgevingsvergunning in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5281

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Bouzahra).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
de gemeente Amsterdam(vergunninghouder).
Partijen zullen hierna achtereenvolgens eiser, het college en vergunninghouder worden genoemd.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor een tijdelijke basisschool in [woonplaats] die het college aan vergunninghouder heeft verleend. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning aan vergunninghouder heeft kunnen verlenen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 21 december 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor een tijdelijke basisschool ‘ [naam] ’ (een dependance) ter hoogte van
de [adres 1] in [woonplaats] (hierna: de locatie) voor de duur van vier jaar (hierna: het project).
2.1.
Op 14 maart 2024 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.
2.2.
In het bestreden besluit van 15 augustus 2024 heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning met aanvullende vergunningvoorschriften gehandhaafd.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 9 oktober 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep in de zaak AMS 24/5397. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college (die mede optrad als gemachtigde van vergunninghouder), vergezeld van [persoon 1] (bouwmanager), [persoon 2] (bouwmanager), [adviseur] (senior adviseur onderwijshuisvesting) en [persoon 3] (directeur-bestuurder van [bedrijf] basisscholen waar de dependance onder valt).

Overgangsrecht

3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de omgevingsvergunning is aangevraagd op 21 december 2023, blijft in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. [1]

Het bestreden besluit

4. Het vergunde project ziet op de bouw van een tijdelijke dependance voor de in de nieuwbouwwijk Bloemendalerpolder gevestigde [school] . De dependance komt te staan in het [locatie 1] ter hoogte van de woning aan de [adres 1] in Weesp. Het hoofdgebouw van de school staat aan de Fort [adres 2] . De afstand tussen beide gebouwen is ongeveer 350 meter. Eiser woont op de locatie
[adres 3] . De dependance wordt gebouwd omdat [school] te weinig ruimte heeft en onvoldoende capaciteit heeft om kinderen aan te nemen voor het schooljaar 2025-2026. Er zal, gelet op de prognoses, ook sprake zijn van een sterke toename van het aantal kinderen in de Bloemendalerpolder. De omgevingsvergunning ziet op fase 1 en bestaat uit de bouw van zes lokalen met één bouwlaag. Als er meer lokalen nodig zijn, dan kunnen er zes lokalen worden bijgebouwd in de vorm van een tweede bouwlaag. Inmiddels is voor de tweede bouwlaag een omgevingsvergunning verleend die onherroepelijk is.
4.1.
Het project ligt in een gebied waar het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan] ’ (het bestemmingsplan) geldt. De gronden hebben de bestemming ‘Woongebied’ met de functieaanduiding 'Verkeer'. De gronden hebben ook de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 7'. De voor 'Waarde-Archeologie 7' aangewezen gronden zijn behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) ook bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de aan de grond eigen zijnde archeologische waarden.
4.2.
Het project is in strijd met artikel 14 van het bestemmingsplan, omdat het gebruik als basisschool uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'Specifieke bouwaanduiding-centrum'. Deze aanduiding ontbreekt op de locatie.
4.3.
De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten ‘het bouwen van een bouwwerk’ en ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan’.
4.4.
Voor de motivering van de afwijking van het bestemmingsplan heeft het college mede verwezen naar de
‘ Ruimtelijke onderbouwing t.b.v. een omgevingsvergunning voor de realisatie van een tijdelijke huisvesting voor een basisschool in het park aan de [adres 4] in [woonplaats] ’van maart 2024. Het gaat bij de dependance om tijdelijke (modulaire) bebouwing die na beëindiging van het gebruik eenvoudig te verwijderen is. Het is de verwachting dat tegen het einde van de looptijd van de omgevingsvergunning één van de twee definitieve scholen met een capaciteit van 800-1000 leerlingen in het nog te realiseren deelplan 6 van de [bestemmingsplan] zal zijn gebouwd. Daarna wordt de dependance weer verwijderd.

Beoordeling door de rechtbank

5. De beslissing om een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bestemmingsplan behoort tot de bevoegdheid van het college, waarbij het college beleidsruimte heeft en de betrokken belangen moet afwegen. De rechtbank oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij toetst deze keuze van het college terughoudend. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht en of het college in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [2]
Worden de geluidsnormen overschreden?
6. Eiser stelt dat de dependance zorgt voor geluidsoverlast en dat de maximale geluidsnormen bij omliggende woningen worden overschreden. Eiser ervaart overlast van spelende kinderen, drukker verkeer en airco’s van de school die zijn nachtrust verstoren. Ter ondersteuning van zijn standpunt overlegt eiser een notitie van Alcedo van 11 april 2024 waarin het geluidsonderzoek van Peutz, dat ten grondslag ligt aan de omgevingsvergunning, is beoordeeld. De totale buitenspeeltijden zijn volgens Alcedo aan de lage kant, omdat er is uitgegaan van een relatief laag gemiddelde bronsterkte per kind. Een geluidsniveau van
3 dB(A) hoger is gangbaar. Door de wijze van modelleren zijn mogelijk de maximale geluidsniveaus bij omliggende woningen onderschat. Verder komt het aantal vervoersbewegingen van en naar de school niet overeen met het verkeersonderzoek en tot slot ontbreekt een beoordeling van de geluidssituatie in de tuinen van omliggende woningen.
6.1.
De rechtbank overweegt dat Peutz op 28 mei 2024 heeft gereageerd op de notitie van Alcedo van 11 april 2024. Hieruit blijkt dat bij de dependance geen sprake zal zijn van overschrijding van de geluidsnormen indien de in de omgevingsvergunning opgenomen geluidschermen worden geplaatst. Verder is het door Peutz verrichte geluidsonderzoek door de Omgevingsdienst Noordzeekanaal getoetst en akkoord bevonden. Eiser heeft tegen de notitie van Peutz van 28 mei 2024 geen deskundig tegenadvies ingebracht. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van het door Peutz uitgevoerde onderzoek te twijfelen, zodat het college dit onderzoek aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Dat bij de dependance sprake zal zijn van een overschrijding van de maximale geluidsnormen is dan ook niet gebleken.
Zijn er geschikte alternatieve locaties?
7. Eiser stelt dat er een geschikte alternatieve locatie is voor het project, bijvoorbeeld naast de bestaande school. Daar hebben de wethouders ook overtuigend voor gekozen, maar daar is de bestuurscommissie van [woonplaats] aan voorbijgegaan.
7.1.
Het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent onder meer dat, indien het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning zou kunnen leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. [3]
7.2.
Het college heeft toegelicht dat de huidige locatie voor dit project is voortgekomen uit een uitgevoerd locatieonderzoek, waarbij verschillende factoren in overweging zijn genomen: de (speel)ruimte, de bereikbaarheid, de ligging nabij de bestaande school in [wijk] en het feit dat de locatie relatief snel ontwikkeld kon worden aangezien de grond al in eigendom zou komen van de gemeente. In totaal zijn twintig locaties geëvalueerd op basis van deze criteria. Vier daarvan voldeden aan de initiële eisen. Na verdere analyse bleek de locatie in het park aan de [adres 4] het meest geschikt voor tijdelijke huisvesting van een basisschool. Het college heeft deze keuze gemotiveerd door een integrale afweging te maken van alle onderzoeksaspecten en betrokken belangen en heeft onderbouwd waarom andere locaties minder geschikt waren.
7.3.
De rechtbank overweegt dat degene die stelt dat er (betere) alternatieven zijn, deze alternatieven moet benoemen en aannemelijk moet maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking daarvan een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. [4] Eiser heeft dat naar het oordeel van de rechtbank niet gedaan. Eiser heeft weliswaar gewezen op een locatie nabij de bestaande school, maar hij heeft niet onderbouwd waarom deze locatie aanmerkelijk minder bezwaren oplevert en dat met deze locatie een vergelijkbaar resultaat kan worden behaald. Datzelfde geldt, wat daar ook van zij, voor de stelling van eiser dat de wethouders een voorkeurslocatie hebben bepaald. Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat er geen geschikte alternatieve locaties zijn.
Overige gronden
8. Ook heeft eiser gesteld dat zich rugstreeppadden vestigen in de buurt van het project. Omdat eiser niet heeft onderbouwd waarom dit zou moeten leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, gaat de rechtbank hieraan voorbij. Dat geldt ook voor de overige stellingen van eiser die hij niet heeft onderbouwd.

Tussenconclusie

9. Gelet op het voorgaande heeft het college met de gegeven motivering naar het oordeel van de rechtbank een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het toestaan van de dependance om de leerlingenaantallen te kunnen opvangen dan aan de belangen van eiser aangaande privacy, overlast en uitzicht. Het college heeft de omgevingsvergunning daarom in redelijkheid kunnen verlenen.
Komt eiser in aanmerking voor een schadevergoeding/planschade?
10. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor planschade voor de duur van de bebouwing van het park, omdat is afgeweken van het bestemmingsplan. Zijn privacy wordt gehinderd, zijn uitzicht is verdwenen en hij ervaart enorme overlast. Ook stelt eiser dat hij materiële schade heeft geleden door de waardedaling van zijn woning waarvoor hij taxaties heeft laten uitvoeren. Verder zijn er scheuren in het stucwerk van zijn woning ontstaan door het zware verkeer en heeft hij verhuiskosten gemaakt. Eiser en zijn gezin zijn noodgedwongen verhuisd omdat hun woongenot dusdanig werd aangetast dat zij niet langer in de woning konden blijven wonen. Hij en zijn gezin hebben ook immateriële schade geleden door de impact van het project. Hun woongenot is aangetast en hun gezondheid stond op het spel.
10.1.
De rechtbank begrijpt dat het project veel invloed heeft gehad op het woongenot van eiser en zijn gezin. De rechtbank kan hiervoor echter geen schadevergoeding toekennen, omdat de rechtbank oordeelt dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Zoals door de gemachtigde van het college is aangegeven, kan eiser bij de gemeente Amsterdam een planschadeverzoek indienen, waarbij de gemachtigde ook te kennen heeft gegeven dat planschade niet van toepassing is bij tijdelijke omgevingsvergunningen. Wat buiten het planschadeverzoek valt, wijst de rechtbank af, omdat de omgevingsvergunning in stand blijft.
Tot slot
11. Tot slot heeft eiser nog geëist dat het college een overeenkomst met hem sluit om ervoor te zorgen dat de dependance na vier jaar weer wordt verwijderd en het park in de originele staat wordt hersteld. De rechtbank overweegt dat het eiser vrij staat om een dergelijke overeenkomst met het college aan te gaan, maar dat staat los van deze omgevingsvergunning. De rechtbank kan daar dus ook geen oordeel over geven.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de omgevingsvergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Vriethoff, voorzitter, en mr. M.W. Speksnijder en mr. A.M. van der Linden-Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2025.
griffier
De voorzitter is verhinderd om
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (de Afdeling) van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5429.
3.Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3112, r.o. 12.
4.Zie ECLI:NL:RVS:2020:3112, r.o. 15.3.