ECLI:NL:RBAMS:2025:9382

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
2 december 2025
Zaaknummer
11837441 \ EA VERZ 25-941
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 BWArt. 7:670 BWArt. 7:671b BWArt. 7:673 BWArt. 7:686a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst buschauffeur na fysiek geweld tegen verwarde man

Een buschauffeur van GVB sloeg op 1 mei 2025 een verwarde man die een glazen fles tegen zijn bus gooide. De chauffeur stapte uit de bus en gaf de man een klap, waarna hij met de bus wegreed en de man daarbij raakte. De man werd met letsel naar het ziekenhuis vervoerd.

GVB verzocht ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verwijtbaar handelen, stellende dat de chauffeur onnodig fysiek geweld gebruikte en onverantwoord reed. De chauffeur verweerde zich met een beroep op een reflex door PTSS en ontkende verwijtbaar handelen.

De kantonrechter oordeelde dat het geweld niet gerechtvaardigd was, de chauffeur niet de-escalerend handelde en onvoldoende verantwoordelijkheid nam. Hoewel het verwijtbaar handelen was, was het niet ernstig verwijtbaar, mede gezien het langdurig dienstverband en de context van agressie tegen OV-personeel.

De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 januari 2026. De chauffeur heeft recht op een transitievergoeding van €31.700,24 bruto. GVB mag het verzoek intrekken tot 2 december 2025. Partijen dragen eigen proceskosten, tenzij GVB intrekt.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 januari 2026 met toekenning van een transitievergoeding van €31.700,24 bruto.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11837441 \ EA VERZ 25-941
Beschikking van 18 november 2025
in de zaak van
GVB EXPLOITATIE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verzoekende partij,
hierna te noemen: GVB,
gemachtigde: mr. A.M.J. Bouman,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. L. van Dijk

1.De procedure

GVB heeft op 12 augustus 2025 een verzoek ingediend met producties dat strekt tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft een verweerschrift met producties ingediend.
[verweerder] heeft voorafgaand aan de zitting nog één nadere productie in het geding gebracht.
Het verzoek is mondeling behandeld op 28 oktober 2025. GVB is verschenen bij [naam 1] (HR) en [naam 2] (team manager), vergezeld door de gemachtigde. [verweerder] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht. De gemachtigde van GVB heeft spreekaantekeningen voorgedragen. Na verder debat is beschikking gevraagd en is een datum voor beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
[verweerder] , geboren op [geboortedatum] , is sinds 15 november 2006 in dienst van GVB en is laatstelijk werkzaam in de functie van ‘personenvervoerder Bus’, oftewel buschauffeur. Het bruto salaris op basis van een werkweek van 36 uren bedraagt € 3.538,00 per maand exclusief emolumenten.
2.2.
In de gedragscode van GVB is onder meer het volgende opgenomen:
“We behandelen iedereen met respect. Dit geldt tegenover collega’s en tegenover reizigers, overige verkeersdeelnemers en andere relaties, zoals leveranciers. GVB staat absoluut niet toe dat medewerkers agressief of gewelddadig zijn. We tolereren geen agressief gedrag, schelden, pesten, discrimineren of (seksueel) intimideren. (…)”
2.3.
Op 1 mei 2025 heeft zich een incident voorgedaan dat (gedeeltelijk) op bewakingscamera’s is vastgelegd. Op deze dag had [verweerder] een late dienst. Bij aankomst rond 23.05 uur op de eindhalte Olaf Palmeplein had [verweerder] een paar minuten buffertijd, voordat hij met de volgende rit zou beginnen. Op de bewakingsbeelden is te zien dat een paar minuten voor de aankomst van [verweerder] een man met een fles in de hand nogal doelloos op het busstation rondloopt. De man lijkt verward en/of onder invloed. Zodra [verweerder] zijn bus in de bufferzone heeft geparkeerd, komt de man bij zijn bus staan. De man probeert de aandacht van [verweerder] te trekken, die nog in de bus zit, en hij begint op de knoppen van de bus te drukken. Na ongeveer anderhalve minuut draait de man zich om en gooit met volle kracht de fles met vloeibare inhoud tegen de deur van de bus aan, waar deze uiteenspat. De man staat vervolgens stil voor de deur van de bus, waarop [verweerder] de bus verlaat en de man direct met een slaande beweging een klap geeft. [verweerder] probeert een tweede klap te geven, die de man met zijn armen afweert. [verweerder] gaat daarna nog een keer op de man af, waarbij deze op de grond valt buiten het beeld van de bewakingscamera’s. Ook [verweerder] verdwijnt uit beeld. Na enkele seconden verschijnt [verweerder] weer in beeld en stapt de bus in.
2.4.
Op de bewakingsbeelden is vervolgens te zien dat [verweerder] naar het eindhuisje op het busstation loopt. [verweerder] heeft in het eindhuisje contact opgenomen met CCV (het communicatiecentrum van GVB). Vervolgens is te zien dat [verweerder] met een bak water terugloopt naar de bus en deze schoonmaakt. De verwarde man loopt intussen ook weer rond op het station en volgt [verweerder] bij het schoonmaken van de bus.
2.5.
[verweerder] loopt nog een keer heen en weer van de bus naar het eindhuisje, waarbij hij gevolgd wordt door de man. [verweerder] stapt weer in de bus en rijdt weg uit de bufferzone. De man bevindt zich dan links van de bus, terwijl de bus bij de uitrit van het station een bocht naar links moet maken. Op de bewakingsbeelden is niet te zien wat er dan gebeurd, maar [verweerder] heeft verklaard dat de man een trap heeft gegeven tegen de linkerkant van de bus en daarbij is gevallen. Toen de man weer opstond, is [verweerder] doorgereden. Bij het wegrijden hoorde [verweerder] dat er nog een keer tegen de bus werd getrapt ter hoogte van het achterwiel van de bus. De man is daarbij met zijn voet/been onder de bus gekomen. De man is met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd.
2.6.
Omdat er sprake was van een aanrijding met letsel is [verweerder] diezelfde avond opgevangen door de teammanager van dienst van GVB. [verweerder] heeft toen het volgende verklaard, wat is opgenomen in een gespreksverslag:
“De bestuurder kwam aanrijden en zag dat de betreffende meneer al aanwezig was en bij de buffer stond. De meneer begon meteen lastig gedrag te vertonen door op de noodknoppen buiten te drukken. De bestuurder had al het gevoel dat er iets mis was met de desbetreffende persoon. Hij dacht dat het negeren van de meneer voldoende aandacht zou geven, maar de meneer liep naar de voordeur en tikte erop omdat deze gesloten was. De bestuurder verwees hem naar de halte, omdat dat de instapplaats is.
De meneer vond dit blijkbaar niet oké en bleef staan terwijl hij genegeerd werd. Omdat de bestuurder daar gewoon bleef staan, gooide de betreffende meneer een bierfles tegen de deur. De bestuurder schrok hiervan, stond op en sprak de meneer hierop aan. Hij zag dat de meneer niet meer voor rede vatbaar was en besloot naar binnen te gaan en CCV meteen in te lichten.”
2.7.
Op 6 mei 2025 heeft een hoor-wederhoorgesprek met [verweerder] plaatsgevonden. GVB had op dat moment de camerabeelden van het incident nog niet bekeken. Tijdens dit gesprek heeft [verweerder] het volgende verklaard, wat is opgenomen in een gespreksverslag:
“(…) De man zit aan de knoppen van mijn bus buiten. [verweerder] heeft hem genegeerd, hij komt aan de rechterkant, ik verwijs hem naar de halte. [verweerder] gaat verder met mijn bezigheden. Ineens hoort [verweerder] een dof geluid, [verweerder] hoort een rinkelende fles, [verweerder] ziet bier tegen zijn deur. [verweerder] doet de deur open, voor [verweerder] het wist stond hij voor de man. Voordat [verweerder] zijn vingers onder zijn neus had gedaan realiseerde hij zich dat dit niet hielp. [verweerder] duwde hem van zich af. [verweerder] liep naar binnen om te bellen met CCV. (…)
[naam 1] is benieuwd waarom [verweerder] niet gewoon in de bus is blijven zitten, nadat het flesje bier gegooid is. [naam 1] geeft aan dat [verweerder] toen ook CCV kon oproepen. [verweerder] geeft aan dat dit een moment reactie is geweest. [verweerder] geeft aan dat hij dit niet ongemerkt voorbij wilde laten gaan en de man hier op wilde aanspreken. Het gaat allemaal erg snel.
[naam 1] is wel benieuwd hoe dat aanspreken is gegaan. [naam 1] geeft aan dat [verweerder] eerder al aangegeven heeft vingers onder de neus van de man gehouden te hebben. [naam 1] geeft aan zich hier niet veel bij voor te kunnen stellen en vraagt aan [verweerder] extra uitleg. [verweerder] vraagt aan [naam 1] of [naam 1] ook een hond heeft. (…) [verweerder] legt uit dat je een hond kan corrigeren door hem tegen zijn neus te duwen. (…)
Volgens [verweerder] is er contact geweest maar het was niet hard.”
2.8.
De incidentencommissie Bus heeft op 10 juni 2025 na onderzoek geconcludeerd dat de aanrijding met de man is veroorzaakt doordat [verweerder] onnodig risico heeft genomen. De incidentencommissie Bus heeft besloten het incident als verwijtbaar aan [verweerder] toe te rekenen.
2.9.
GVB heeft op enig moment de camerabeelden bekeken en [verweerder] weer uitgenodigd voor een vervolggesprek op 11 juni 2025. Tijdens dit gesprek is [verweerder] er door GVB op gewezen dat zijn verklaringen van 1 en 6 mei 2025 niet overeenkomen met wat op de bewakingsbeelden is te zien. [verweerder] heeft daarop gereageerd dat zijn perceptie van hoe het is gegaan overeenkomt met zijn verklaringen. Verder heeft [verweerder] verklaard:
“- [verweerder] geeft aan dat hij schrok maar ook boos op hem was. [verweerder] geeft aan dat het zijn pauze was ‘en dat deze verstoord werd’. (…) En als je dan een pauze hebt van 12 minuten, zo geeft [verweerder] aan, dan wordt hij boos als die verstoord wordt zonder goede reden. (…)
- [verweerder] geeft aan dat hij inderdaad vaker onregelmatigheden heeft meegemaakt. Er gebeurt veel in de bus. (…)
- [verweerder] geeft aan dat hij in dit geval ook schrok en ook boos op de man was. [verweerder] geeft aan op een bepaalde manier op onrecht te reageren. (…)
- Vindt [verweerder] dat hij nu gehandeld heeft in overeenstemming met de instructies die GVB hanteert ten aanzien van de-escalerend handelen? [verweerder] geeft eerst geen duidelijk antwoord. Daarna geeft hij aan niet goed gehandeld te hebben. [verweerder] geeft aan “ik vraag daar sorry voor”.”
2.10.
Op 17 juni 2025 heeft [verweerder] zijn kant van het verhaal nog nader schriftelijk toegelicht:
“(…) ik in een reflex hebt gehandeld door de deur te openen en naar hem toe te stappen om te vragen dit niet te doen en waarmee hij bezig is. Hierdoor benaderde de man mij op een dreigende manier, waarop ik uit een natuurlijke schrikreactie fysiek reageerde.”
2.11.
Op 1 juli 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld. Zijn huisarts heeft hem doorverwezen naar een psycholoog.
2.12.
In een terugkoppeling van de bedrijfsarts van 26 augustus 2025 heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat [verweerder] halve dagen vervangend werk zou kunnen doen, rekening houdend met de beperkingen van verminderde concentratie en energie, geen drukte, hectiek of deadlines en geen groot afbreukrisico.
2.13.
Op 3 oktober 2025 heeft [verweerder] een kennismakingsgesprek met de psycholoog gehad. De psycholoog heeft beschreven dat [verweerder] last heeft van angsten, spanningen, lichamelijke klachten en verwerkingsproblemen.

3.Het verzoek

3.1.
GVB verzoekt de kantonrechter bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst met [verweerder] op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a Burgerlijk Wetboek (BW) te ontbinden, met veroordeling van [verweerder] in de kosten van het geding.
3.2.
Aan dit verzoek legt GVB ten grondslag dat sprake is van een redelijke grond als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 jo Pro lid 1 BW. Volgens GVB is sprake van verwijtbaar handelen (de e-grond). Ter onderbouwing daarvan stelt GVB dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werk, in bedrijfskleding, onacceptabel buitenproportioneel fysiek geweld heeft gebruikt. Er was geen sprake van een situatie waarin [verweerder] zichzelf moest verdedigen. [verweerder] heeft in strijd gehandeld met de gedragsregels en werkinstructies van GVB. [verweerder] weigert hardnekkig verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedrag en hij heeft verklaringen afgelegd die in strijd zijn met de werkelijkheid. Bovendien heeft [verweerder] onverantwoord gehandeld door met zijn bus de openbare weg met een bocht naar links op te rijden terwijl niet duidelijk was of de man op voldoende veilige afstand was gebleven van de bus. Hierdoor is de man gewond geraakt en afgevoerd naar het ziekenhuis. Dit alles valt [verweerder] naar de mening van GVB ernstig te verwijten.
3.3.
Omdat volgens GVB ook sprake is van
ernstigverwijtbaar handelen van [verweerder] , verzoekt GVB de arbeidsovereenkomst primair dadelijk te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 9 sub b BW zonder toekenning van een transitievergoeding aan [verweerder] .

4.Het verweer

4.1.
[verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert – samengevat – aan dat hij in de 19 jaar dat hij als buschauffeur werkt veel heftige incidenten heeft meegemaakt. Hij heeft zich altijd goed staande weten te houden, maar de opeenstapeling en impact van al deze incidenten is wel onder zijn huid gaan zitten. Het incident op 1 mei 2025 heeft een reflex van zelfbescherming bij [verweerder] opgeroepen. Inmiddels is ook duidelijk geworden dat [verweerder] te kampen heeft met beperkingen die voort lijken te komen uit het posttraumatische stresssyndroom (PTSS). Dit is zeer waarschijnlijk de reden geweest dat [verweerder] op 1 mei 2025 toen een man met veel kracht een bierfles tegen de bus gooide uit de bus is gestapt en heeft opgetreden. Er is geen enkele grond om te veronderstellen dat dit was ingegeven door verwijtbaar handelen. [verweerder] betwist verder dat hij bij het wegrijden van de halte onverantwoord zou hebben gehandeld. Hij had er niet vanuit hoeven gaan dat de man na de eerste trap tegen de bus opnieuw een aanloop zou nemen en nog een keer tegen de bus aan zou schoppen. Bovendien moest [verweerder] verder rijden, omdat hij anders de weg zou blokkeren.
4.2.
Voor zover de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] om toekenning van een transitievergoeding van € 33.918,95 op grond van artikel 7:673 BW Pro en om rekening te houden met de geldende opzegtermijn van drie maanden.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:671b lid 1 jo 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub c tot Pro en met i BW en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
Opzegverbod
5.2.
Op grond van het tweede lid van artikel 7:671b BW moet eerst worden onderzocht of sprake is van een opzegverbod als genoemd in artikel 7:670 BW Pro of enig ander opzegverbod. Met ingang van 1 juli 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld. Hij heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat zijn gedrag op 1 mei 2025 mogelijk veroorzaakt is door de ziekte PTSS. De kantonrechter ziet deze aanname echter niet bevestigd worden in de (medische) informatie die [verweerder] heeft overgelegd. De stukken bevatten de verwijsbrief van de huisarts, de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 26 augustus 2025, een probleemanalyse van het UWV en een verslag van het kennismakingsgesprek met een psycholoog. Uit deze stukken blijkt niet dat er een definitieve diagnose is gesteld. Zelfs indien rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van symptomen van PTSS bij [verweerder] zijn onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie kunnen dragen dat zijn gedrag op 1 mei 2025 verband houdt met die symptomen. Voor zover [verweerder] verklaard heeft dat hij de situatie beangstigend vond en zijn fysieke reactie getriggerd werd door de dreigende houding van de verwarde man, wordt dit ook niet bevestigd door de beelden waarop zijn gedragingen zijn te zien (het openen van de deur en het direct slaan van de verwarde man die met zijn handen voor zijn kruis na het gooien van de fles een afwachtende houding had aangenomen), de latere verklaring dat hij aan CCV gemeld heeft de situatie veilig te achten (terwijl uit de beelden blijkt dat de verwarde man hem bleef volgen bij het schoonmaken van de bus) en het afwijzen van aangeboden hulp (Instituut voor Psychotrauma). De kantonrechter overweegt daarom dat, voor zover er nog sprake is ziekte en een opzegverbod, dit opzegverbod niet aan ontbinding in de weg staat, omdat de verzochte ontbinding geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft.
Ontbinding
5.3.
GVB voert aan dat het handelen van [verweerder] als zeer ernstig is te beschouwen. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door GVB naar voren gebrachte feiten en omstandigheden inderdaad een redelijke grond voor ontbinding op, als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro. Hierbij speelt met name een rol dat [verweerder] als buschauffeur tegen beter weten in met fysiek geweld heeft gereageerd, terwijl onvoldoende is gebleken dat dat nodig was. [verweerder] bevond zich in een afgesloten bus en heeft er zelf voor gekozen de deur van de bus te openen en de confrontatie met de man op te zoeken. Dit wekt niet de indruk dat [verweerder] de-escalerend heeft opgetreden, maar juist dat hij uit zichzelf geweld heeft gebruikt, hetgeen in beginsel verwijtbaar gedrag als werknemer oplevert. Dat de man zich niet correct heeft gedragen door de bierfles tegen de bus te gooien, staat buiten kijf, maar dat rechtvaardigt niet de reactie van [verweerder] . [verweerder] had op een andere manier kunnen en moeten reageren op het incident, bijvoorbeeld door de noodknop in zijn bus in te drukken of in de bus een melding bij CCV te maken.
5.4.
Bovendien speelt mee dat [verweerder] niet direct na afloop van het incident zijn werkgever op de hoogte heeft gesteld en uitleg heeft gegeven over wat er was gebeurd. GVB heeft uit camerabeelden moeten vernemen wat er op 1 mei 2025 precies is voorgevallen op het Olaf Palmeplein. Omdat er een aanrijding met letsel had plaatsgevonden is [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 6 mei 2025. Tijdens dit gesprek heeft [verweerder] het door hem toegepaste geweld in eerste instantie ontkend, of in ieder geval heeft hij een lezing van de gebeurtenissen gegeven die niet overeenkomt met dat wat op de camerabeelden is te zien. Ook op de mondelinge behandeling lijkt [verweerder] het incident te willen bagatelliseren door te spreken over ‘duwen in het gezicht’ in plaats van over ‘slaan’, althans hij lijkt te willen vermijden dat hij toe moet geven dat hij een slaande beweging richting het gezicht van de man heeft gemaakt, terwijl dat duidelijk zichtbaar is op de camerabeelden. [verweerder] lijkt wel te erkennen dat hij zich misdragen heeft en anders had moeten handelen, maar wel steeds met het voorbehoud dat zijn reactie op een bepaalde manier gerechtvaardigd werd door het gedrag van de man (het gooien van de bierfles). Die opstelling van [verweerder] draagt bij aan het oordeel dat er sprake is van zodanig verwijtbaar handelen van [verweerder] dat van GVB in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
5.5.
Dan speelt ten slotte nog een rol dat [verweerder] met zijn bus de weg op is gedraaid, zonder zich er van te vergewissen dat de man zich op veilige afstand van de bus bevond. Dat klemt des te meer daar hij reed in een drieassige gelede bus (ook wel harmonicabus) waarbij de achterkant naar binnenkomt tijdens het nemen van een bocht. Hierdoor heeft [verweerder] de man aangereden en heeft deze letsel opgelopen. GVB heeft een uitgebreide ongevalsanalyse uitgevoerd en er is door [verweerder] onvoldoende aangevoerd om de conclusies uit dit onderzoek te weerleggen, te weten dat het slachtoffer voor [verweerder] zichtbaar is geweest, [verweerder] niet voldoende gespiegeld heeft en [verweerder] – in de wetenschap dat de verwarde man zich naast zijn bus bevond en bij een trap tegen de bus al een keer gevallen was – niet voldoende zeker heeft gesteld dat hij het platform veilig kon verlaten. Op zichzelf beschouwd is dit nog geen reden voor ontbinding, maar in combinatie met hetgeen hiervoor overwogen, is de onvoorzichtigheid van [verweerder] bij het wegrijden te beschouwen als een factor die bijdraagt aan het oordeel dat van GVB in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
5.6.
De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst op de e-grond zal worden ontbonden. Aangezien ontbonden wordt vanwege verwijtbaar handelen van [verweerder] ligt herplaatsing niet in de rede.
Ernstig verwijtbaar handelen
5.7.
Vervolgens ligt de vraag voor of het handelen van [verweerder] ook
ernstigverwijtbaar is, als gevolg waarvan hij zijn recht op een transitievergoeding verliest (artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro) en de arbeidsovereenkomst direct kan worden ontbonden (artikel 7:671b lid 9 onderdeel b BW).
5.8.
De kantonrechter stelt bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerder] voorop dat de Hoge Raad, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis van de Wet werk en zekerheid, een hoge drempel heeft aangenomen voor ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werknemer (HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:203). De rechter dient terughoudend te zijn met het aannemen van ernstige verwijtbaarheid en alleen in duidelijke en uitzonderlijke gevallen kan worden aangenomen dat hiervan sprake is.
5.9.
Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, rekening houdend met het langdurig dienstverband van [verweerder] bij GVB en het feit dat hij tot dit incident altijd naar tevredenheid heeft gefunctioneerd, haalt het verwijtbaar handelen van [verweerder] deze hoge drempel niet. Daarbij acht de kantonrechter relevant dat niet is gebleken dat er sprake is geweest van kwade opzet aan de zijde van [verweerder] . Hij is tegen het eind van zijn avonddienst zijn geduld verloren en heeft uit emotie fysiek gereageerd, wat hem absoluut kan worden aangerekend, maar wat niet per definitie ernstig verwijtbaar handelen oplevert. Daarbij speelt mee dat tussen partijen onweersproken vaststaat dat geweld en agressie tegen OV-personeel veel voorkomt en dat dit veel vraagt van het personeel van (onder andere) GVB. Hoewel niet goed te praten, is het in dat kader niet onvoorstelbaar dat een werknemer over de duur van een dienstverband van bijna 20 jaar door dergelijk gedrag één keer zijn geduld heeft verloren, wat zich heeft geuit in een fysieke uitbarsting. Daarbij is ook van belang dat het geweld dat [verweerder] heeft toegepast, anders dan door GVB is aangevoerd, niet excessief is te noemen. Op de bewakingsbeelden is slechts te zien dat hij één rake klap heeft uitgedeeld aan de man. De man lijkt daar bovendien niet van te zijn geschrokken, want enkele minuten later zoekt hij alweer contact met [verweerder] en valt hem (opnieuw) lastig. Ook is te begrijpen dat [verweerder] weg wilde van de verwarde man die hem lastig viel en er op gericht was om het busstation zo snel mogelijk te verlaten. Dit alles maakt dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten maar ‘gewoon’ verwijtbaar handelen.
Datum ontbinding
5.10.
Gelet op het voorgaande zal de datum van ontbinding, conform artikel 7:671b lid 9 sub a BW worden vastgesteld op 1 januari 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd, verminderd met de duur van deze procedure, met een minimum van een maand.
Transitievergoeding
5.11.
Nu hiervoor is geoordeeld dat van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerder] geen sprake is, heeft hij recht op de transitievergoeding op basis van artikel 7:673 BW Pro. [verweerder] heeft verzocht GVB te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 33.918,95.
5.12.
GVB heeft gemotiveerd gesteld, onder verwijzing naar de loonstrook van [verweerder] , dat hij bij de berekening van de transitievergoeding ten onrechte is uitgegaan van een bedrag van € 380,97 bruto per maand aan eindejaarsuitkering. Uit de loonstrook blijkt dat het gaat om een bedrag van € 355,98 bruto per maand. Daarbij opgeteld het brutoloon per maand (€ 3.538,00), de vaste roostertoeslag (€ 654,53), de garantie roostertoeslag (€ 80,92) en de vakantietoeslag (€ 341,88) – welke bedragen tussen partijen niet in geschil zijn – maakt dat voor de berekening van de transitievergoeding moet worden uitgegaan van een bruto maandloon van € 4.971,31 in totaal. Uitgaande van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2026 bedraagt de transitievergoeding € 31.700,24 bruto. GVB zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag.
Intrekkingsmogelijkheid
5.13.
GVB heeft, voor het geval een transitievergoeding wordt toegekend, expliciet verzocht haar een termijn te geven om haar verzoek in te trekken. [verweerder] heeft hier geen bezwaren tegen aangevoerd. GVB zal daarom op grond van artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.
Proceskosten
5.14.
De proceskosten worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt, behoudens voor het geval GVB het verzoek intrekt, in welk geval zij met de proceskosten zal worden belast.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2026,
6.2.
veroordeelt GVB tot betaling aan [verweerder] van de transitievergoeding van € 31.700,24 bruto,
6.3.
bepaalt dat het onder 6.1 en 6.2 gestelde rechtskracht ontbeert, indien het verzoek door GVB uiterlijk op 2 december 2025 wordt ingetrokken,
6.4.
bepaalt dat partijen ieder de eigen proceskosten dragen, behoudens in het geval GVB het verzoek zal intrekken, in welk geval GVB wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [verweerder] tot op heden begroot op € 543,00 aan salaris van de gemachtigde en € 67,50 aan nakosten, voor zover verschuldigd, inclusief btw,
6.5.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.6.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. Ploeger en in het bijzijn van de griffier in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.