ECLI:NL:RBAMS:2025:9413

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
1321909125
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overlevering op basis van Europees aanhoudingsbevel met betrekking tot de rechten van de opgeëiste persoon en de toepassing van de Overleveringswet

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 2 december 2025 uitspraak gedaan over een vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de Regional Court in Gdańsk, Polen. De zaak betreft de overlevering van de opgeëiste persoon, die in Polen is veroordeeld tot een gevangenisstraf van een jaar en zes maanden. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 18 november 2025 gehouden, waarbij de opgeëiste persoon aanwezig was, bijgestaan door zijn advocaat, mr. P. Janssen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de hoger beroepprocedure, wat een schending van zijn verdedigingsrechten zou kunnen betekenen. De officier van justitie stelde echter dat de opgeëiste persoon zich had onttrokken aan het strafproces en dat hij op de hoogte was van de procedure. De rechtbank heeft geoordeeld dat de opgeëiste persoon impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht en dat hij onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank heeft de overlevering toegestaan, omdat er geen weigeringsgronden waren die aan de overlevering in de weg stonden. De rechtbank heeft ook vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van de Overleveringswet en dat er geen algemeen reëel gevaar bestaat van schending van de rechten van de opgeëiste persoon in Polen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-219091-25
Datum uitspraak: 2 december 2025
UITSPRAAK
op de vordering van 16 september 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 juni 2025 door de
Regional Court in Gdańsk, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1976
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 november 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. P. Janssen, advocaat in Tilburg, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.
3. Grondslag en inhoud van het EAB
Het EAB vermeldt een vonnis van de
District Court in Kartuzyvan 11 april 2022 (kenmerk: II K 235/20), in stand gelaten met een arrest van de
Regional Court in Gdańskvan 12 augustus 2022 (kenmerk: V Ka 1231/22).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft het feit zoals omschreven in het EAB. [3]
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW
Inleiding
Op 14 oktober 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende informatie verstrekt:
“(…) this Regional Court in Gdańsk, Criminal Division IV, informs in line with what has already been stated in attachment D, present at the appellate hearing on 12/08/2022, case ref. V Ka 1231 /22, was the defence counsel of the sentenced. It was barrister Pawel Dunst, the same who represented the sentenced in the proceedings before the District Court in Kartuzy.”
Op 24 oktober 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:
"In response to the inquiry of October 21, 2025, this Regional Court in Gdańsk, Criminal Division IV informs, that convicted [de opgeëiste persoon] received all appropriate instructions during the preparatory proceedings, including an obligation [sic] to indicate the correspondence address in Poland, where he agreed to receive correspondence. He was also instructed to notify of any change of address and that failure to collect correspondence would be deemed to have been effectively served, and the court would be able to conduct hearings in his absence. This is a mandatory instruction delivered to all suspects.
These instructions apply to the entire criminal proceedings, as mentioned in the introductory part of the instructions delivered to the suspect, and therefore to every phase of the trial, including the appeal proceedings. Therefore, since [de opgeëiste persoon] received these instructions (as he acknowledged receipt with his signature), it should be assumed, that he was aware of them.
It should be noted that earlier, during the proceedings before the District Court in Kartuzy in case II K 235/20, he stopped receiving mail sent to the address he provided.
A summon sent by the Regional Court in Gdańsk about the date of the appeal hearing in case V Ka 1231/22 was also sent to the address previously provided by [de opgeëiste persoon] , but he did not receive it, too."
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich primair op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd, omdat de opgeëiste persoon niet op de hoogte was van de procedure in hoger beroep waardoor hij zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. Uit de aanvullende informatie van 24 oktober 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon de oproep voor de zitting niet heeft ontvangen. Nu niet is gebleken dat hij persoonlijk is gedagvaard of anderszins op de hoogte is gesteld van de behandeling in hoger beroep, noch dat hij is vertegenwoordigd door een daartoe gemachtigd advocaat, is niet voldaan aan de vereisten van artikel 12 OLW.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW omdat de opgeëiste persoon zich heeft onttrokken aan het strafproces. De opgeëiste persoon was op de hoogte van de procedure omdat hij in eerste aanleg met zijn advocaat aanwezig is geweest bij drie zittingen. De oproep voor de behandeling in hoger beroep is naar het door de opgeëiste persoon opgegeven adres verstuurd. De opgeëiste persoon heeft een adresinstructie ontvangen en geen adreswijzigingen doorgegeven.
Oordeel van de rechtbank
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [4] De rechtbank toetst daarom alleen het arrest van 12 augustus 2022 (kenmerk: V Ka 1231/22) aan artikel 12 OLW.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht hiervoor het volgende van belang.
Uit onderdeel d) van het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure omdat hij in voorlopige hechtenis heeft gezeten en bij de zittingen in eerste aanleg op 30 juli 2020, 3 december 2020 en 17 mei 2021 aanwezig is geweest. Verder blijkt uit de aanvullende informatie van 24 oktober 2025 dat de opgeëiste persoon een adresinstructie heeft ontvangen waarin hij is gewezen op de verplichting om gedurende de hele procedure, inclusief de procedure in hoger beroep, adreswijzigingen aan de autoriteiten door te geven en de gevolgen van het niet doorgeven van een wijziging. Het lag dan ook op de weg van de opgeëiste persoon om op het opgegeven adres de post in de gaten te houden. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon ter zitting dat hij de oproep heeft ontvangen, is onvoldoende om de juistheid van de informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit in twijfel te trekken. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, dan wel dat hij kennelijk onzorgvuldig is geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om af te zien van toepassing van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW. Het verweer wordt verworpen.

4.Strafbaarheid

Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
overtreding van artikel 162, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich subsidiair op het standpunt dat de opgeëiste persoon gelijk gesteld kan worden met een Nederlander en dat de straf door Nederland kan worden overgenomen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon omstreeks september 2020 naar Nederland is gekomen. Hij werkte en verbleef toen in Udenhout. Verder blijkt uit de overgelegde stukken dat de opgeëiste persoon in de jaren daarna veel verschillende banen heeft gehad in de regio Tilburg. Er kan dan ook worden vastgesteld dat de opgeëiste persoon vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Ook heeft hij een duidelijke binding met Nederland nu hij hier werkt en zijn partner en sociale kring zich ook in Nederland bevinden.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het gelijkstellingsverweer niet kan slagen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de opgeëiste persoon pas vanaf oktober 2021 geregistreerd inkomen heeft in Nederland en dat hij in 2021 slechts 275 uur heeft gewerkt. De opgeëiste persoon voldoet voor de jaren 2020 en 2021 niet aan de inkomensnorm en ook is onduidelijk waar hij in die periode verbleef. Daarnaast is in de aangifte inkomstenbelasting van 2023 te lezen dat de opgeëiste persoon in dat jaar (deels) in Polen woonde.
Oordeel van de rechtbank
Eerste voorwaarde
De rechtbank is van oordeel dat de opgeëiste persoon aan de hand van de overgelegde stukken niet heeft aangetoond dat hij ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000 en daarmee een duurzaam verblijfsrecht heeft verworven. Hiervoor is het volgende van belang.
Uit het overgelegde verzekeringsbericht van het UWV blijkt dat de opgeëiste persoon in oktober 2021 voor het eerst werkzaam was in Nederland. Dat de opgeëiste persoon desalniettemin in de periode september 2020-oktober 2021 voldoende inkomsten zou hebben verworven in Nederland blijkt niet uit de stukken die naast het verzekeringsbericht van het UWV zijn overgelegd. Daarnaast vermeldt het EAB dat de opgeëiste persoon zich op 30 juli 2020, 3 december 2020 en 17 mei 2021 in voorlopige hechtenis bevond in Polen. De door de raadsvrouw overgelegde stukken bevatten onvoldoende aanknopingspunten om aan de juistheid van die informatie te twijfelen.
Dit betekent dat niet is voldaan aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling. Nu niet is voldaan aan de eerste voorwaarde, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de tweede voorwaarde. Het gelijkstellingsverweer wordt verworpen.

6.Artikel 11 OLW

6.1.
Poolse rechtsstaat
De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]
6.2.
Detentieomstandigheden
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB omdat er een reëel gevaar bestaat dat de opgeëiste persoon onmenselijk of vernederend behandeld zal worden na overlevering. Uit de overgelegde medische stukken blijkt dat de opgeëiste persoon kampt met psychiatrische problematiek. Uit het rapport van de
European Convention for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) van 2024 volgt dat sprake is van een schrijnende situatie in psychiatrische instellingen in Polen. Nu de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk in een psychiatrische instelling terecht zal komen is niet uitgesloten dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling zal worden blootgesteld.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de overlevering kan worden toegestaan. Er is geen algemeen reëel gevaar vastgesteld met betrekking tot de medische en/of psychische zorg voor veroordeelden in Polen. Ook blijkt uit de medische stukken niet dat de problemen zo complex zijn dat behandeling daarvan in Nederland aangewezen zou zijn.
Oordeel van de rechtbank
De overlevering van de opgeëiste persoon wordt gevraagd in verband met het ondergaan van een gevangenisstraf. Op dit moment is er ten aanzien van de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen in detentie-instellingen in Polen geen algemeen reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling vastgesteld. Anders dan de raadsvrouw, is de rechtbank van oordeel dat uit het CPT-rapport uit 2024 niet volgt dat dit anders is voor gedetineerden met psychische of psychiatrische problematiek. Dit betekent dat de raadsvrouw geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens heeft overgelegd waaruit volgt dat een algemeen gevaar bestaat van schending van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor veroordeelde gedetineerden in Polen die kampen met psychische problemen. Ook ambtshalve beschikt de rechtbank niet over dergelijke gegevens. Nu geen sprake is van een algemeen gevaar, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het gestelde individuele gevaar voor de opgeëiste persoon. Het verweer wordt verworpen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 8 en 162 Wegenverkeerswet 1994 en 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Regional Court in Gdańskvoor het feit zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. J.G. Vegter, voorzitter,
mrs. M. Westerman en C.M.S. Loven rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 2 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (