ECLI:NL:RBAMS:2025:9489

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
10610707 \ CV EXPL 23-9844
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ambtshalve toetsing van consumentenrecht in leaseovereenkomst met betrekking tot oneerlijke bedingen

In deze zaak, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, is op 4 december 2025 een tussenuitspraak gedaan in een civiele procedure tussen de besloten vennootschap STELLANTIS FINANCIAL SERVICES NEDERLAND B.V. en een gedaagde partij die niet is verschenen. De eisende partij heeft een leaseovereenkomst ontbonden en stelt dat de gedaagde partij geen verdere leasetermijnen of opzegvergoeding verschuldigd is, omdat de leaseauto is teruggenomen. De kantonrechter heeft ambtshalve de consumentenrechtelijke aspecten van de leaseovereenkomst getoetst, met bijzondere aandacht voor de informatieplichten en de eerlijkheid van de bedingen in de overeenkomst. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de leaseovereenkomst niet voldoet aan de eisen van de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Het beding dat de leasemaatschappij het recht geeft om de overeenkomst te ontbinden bij niet-tijdige betaling is als oneerlijk beoordeeld, omdat het niet de nodige redelijkheidstoets bevat. De kantonrechter heeft de eisende partij in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de gevolgen van deze beoordeling. De zaak is verwezen naar een rolzitting voor verdere behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10610707 \ CV EXPL 23-9844
Vonnis van 4 december 2025
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
STELLANTIS FINANCIAL SERVICES NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Rotterdam,
eisende partij,
gemachtigde: mr. J.M. Wisseborn,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 28 augustus 2025
- de akte van eisende partij, met producties.
1.2.
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft gedaagde partij niet gereageerd op de akte van eisende partij.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld haar vordering op bepaalde punten nader toe te lichten en te onderbouwen, zodat de kantonrechter de rechtmatigheid en gegrondheid van de vordering kan beoordelen. De kantonrechter wijst eisende partij erop dat de gevraagde informatie in het vervolg onderdeel dient uit te maken van de inleidende dagvaarding.
2.2.
De door eisende partij gegeven nadere toelichting en onderbouwing komt hierna, bij de afzonderlijke onderdelen van de vordering, aan de orde.
2.3.
Zoals in overweging 2.2 van het tussenvonnis is overwogen, moet de kantonrechter in deze consumentenzaak ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht.
2.4.
Over de informatieplichten stelt eisende partij in de dagvaarding dat de overeenkomst is gesloten in de verkoopruimte bij de autodealer. Onder die omstandigheden is sprake van een overeenkomst anders dan op afstand of buiten de verkoopruimte. De wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen valt immers niet onder de definities van overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 6:230g lid 1 onder e en f van het Burgerlijk Wetboek (BW), zodat deze valt in de ‘restcategorie’. In dat geval zijn de informatieplichten van artikel 6:230l BW van toepassing. Eisende partij heeft gemotiveerd gesteld op welke wijze zij aan deze verplichtingen heeft voldaan. Alle essentiële informatie als bedoeld in dat artikel is ook opgenomen in de overeenkomst, die gedaagde partij heeft kunnen doornemen alvorens deze te ondertekenen. Aan de informatieplichten heeft eisende partij dan ook voldaan.
2.5.
De leaseovereenkomst moet worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn). Voor ieder onderdeel van de vordering moet worden onderzocht welk(e) beding(en) hieraan ten grondslag liggen of kunnen liggen. Voor wat betreft de bedingen die zien op de kern van de prestaties, zoals de prijs, moet worden onderzocht of deze transparant zijn. Als dat het geval is, eindigt de toets daar. Als dat niet het geval is, moet worden getoetst of de bedingen oneerlijk zijn. Bedingen die niet zien op de kern van de prestaties maar wel aan de vordering ten grondslag (kunnen) liggen, moeten worden getoetst op oneerlijkheid in de zin van de richtlijn.
2.6.
Het gedeelte van de hoofdsom dat ziet op onbetaald gelaten leasetermijnen en de afrekening van meer gereden kilometers (onderdeel van de eindafrekening) is toewijsbaar, omdat deze zijn gebaseerd op duidelijke en begrijpelijk geformuleerde kernbedingen over de prijs. Dergelijke (transparante) prijsbedingen komen ingevolge artikel 4 lid 2 van de richtlijn niet voor verdere toetsing in aanmerking. De betalingsvoorwaarden volgen uit artikel 20 van de Algemene Voorwaarden Keurmerk Private Lease (hierna: Keurmerk Voorwaarden). Dat artikel is getoetst en niet oneerlijk bevonden.
2.7.
Weliswaar is de leaseprijs in de loop van de overeenkomst verhoogd met enkele euro’s per maand, maar eisende partij heeft daarover toegelicht dat dit correcties zijn van belastingen of andere heffingen die verband houden met het bezitten of gebruiken van het voertuig. In dit geval betrof het gewijzigde motorrijtuigenbelasting. Het beding dat aan deze correcties ten grondslag ligt (artikel 14 van de Keurmerk Voorwaarden) is getoetst en niet oneerlijk bevonden, nu de wijzigingen in de belastingen of andersoortige heffingen van overheidswege buiten de invloedsfeer van eisende partij liggen en niet vooraf voorzienbaar waren of konden worden verdisconteerd in de leaseprijs. In ieder geval brengt het beding geen aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen teweeg.
2.8.
Het in rekening gebrachte bedrag aan inleverschade heeft eisende partij bij akte onderbouwd. Het bedrag blijft (ver) beneden het maximale bedrag aan eigen risico dat in de overeenkomst staat. Het beding dat aan dit deel van de vordering ten grondslag ligt is artikel 62 van de Keurmerk Voorwaarden. In dat artikel wordt verwezen naar Hoofdstuk K van dezelfde voorwaarden. Deze artikelen zijn door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. Weliswaar wordt de beoordeling van de schade overgelaten aan eisende partij, maar zij is bij het beoordelen daarvan gebonden aan het Innameprotocol. Ondanks dat eisende partij heeft gesteld dit protocol niet meer te kunnen overleggen, is de kantonrechter er ambtshalve mee bekend dat daarin duidelijke en begrijpelijke beschrijvingen staan van wel en niet toelaatbare schadesituaties, voorzien van foto’s en voorbeelden. Daarnaast is een bezwaarmogelijkheid.
2.9.
Het beding in artikel 22 van de Keurmerk Voorwaarden geeft eisende partij het recht de leaseovereenkomst te ontbinden bij niet tijdige betaling van een of meer termijnbedragen. Eisende partij heeft de overeenkomst ontbonden, zodat dit beding moet worden getoetst. Het beding luidt:
Wat kan er verder gebeuren als het termijnbedrag of andere bedragen niet tijdig betaald worden?
De leasemaatschappij kan de overeenkomst dan ontbinden. Dan moet u naast de openstaande bedragen ook een ontbindingsvergoeding betalen. Die is gelijk aan de opzeggingsvergoeding in artikel 47 eventueel vermeerderd met de vertragingsrente en incassokosten voor zover deze zijn aangezegd. In de Aanvullende Voorwaarden kan echter een afwijkende regeling zijn opgenomen, die voorziet in een lagere ontbindingsvergoeding. Om de leaseovereenkomst wegens niet-betaling te kunnen ontbinden, moet de leasemaatschappij u eerst een aangetekende brief sturen, met een kopie per gewone brief of per e-mail. In die brief moet de leasemaatschappij u in de gelegenheid stellen alsnog binnen 14 dagen te betalen, onder mededeling dat zij anders de leaseovereenkomst mag ontbinden en dat u dan de hiervoor genoemde vergoeding verschuldigd wordt. Indien op het moment waarop die termijn afloopt, de leaseovereenkomst kan worden opgezegd, moet de leasemaatschappij u wijzen op de regeling van opzegging van artikel 46.
Dat beding wijkt ten nadele van de consument af van de wettelijke regeling, omdat daaruit volgt dat een tekortkoming ontbinding ook moet rechtvaardigen. Daar zit een bepaalde redelijkheidstoets in, die het beding niet kent. Integendeel, op grond van het beding kan eisende partij bij het onbetaald laten van een leasetermijn
of andere bedragendirect tot ontbinding overgaan en een ontbindingsvergoeding in rekening brengen, ook als zo’n ontbinding met haar gevolgen, gelet op de geringe aard van de tekortkoming, niet gerechtvaardigd zou zijn. Dat maakt het beding oneerlijk.
2.10.
Uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) volgt dat eisende partij, als een beding oneerlijk is, ongeacht of daar een beroep op is gedaan, niet kan terugvallen op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als het beding niet in de voorwaarden zou staan. Voor ontbinding is dan ook geen ruimte.
2.11.
Nu eisende partij de overeenkomst wel heeft ontbonden en de leaseauto ook heeft teruggenomen, maakt zij zich schuldig aan schuldeisersverzuim, door het huurgenot niet langer aan gedaagde partij te verstrekken. Gevolg daarvan is dat gedaagde partij, vanaf de datum waarop eisende partij de auto heeft teruggenomen (14 juni 2022) geen leasetermijnen of opzegvergoeding is verschuldigd aan eisende partij. Evenmin kan eisende partij de gemaakte kosten van het terugnemen van de auto bij gedaagde partij in rekening brengen.
2.12.
Voordat de kantonrechter het beding in artikel 22 buiten toepassing laat en daaraan de hiervoor beschreven gevolgen verbindt, mag eisende partij zich daarover uitlaten. De zaak wordt daarvoor verwezen naar de na te melden rolzitting.
2.13.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verwijst de zaak naar de rol van
donderdag 8 januari 2026 om 10.00 uurvoor het nemen van een akte door eisende partij,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.