ECLI:NL:RBAMS:2025:9563

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
5 december 2025
Zaaknummer
13/243410-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevangenisstraf en ontzegging rijbevoegdheid voor verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel

Op 4 december 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 24 april 2024 een verkeersongeval heeft veroorzaakt. De verdachte, een beginnend bestuurder van een motorscooter, reed met een snelheid van 79 tot 80 km/u op een weg waar de maximumsnelheid 30 km/u was. Hij haalde een andere motorscooter in die linksaf wilde slaan, waardoor hij de controle over zijn voertuig verloor en frontaal op een fietser, [benadeelde partij], botste. Deze fietser liep zwaar lichamelijk letsel op, waaronder hersenletsel, een gebroken knieschijf, gebroken ribben, een longkneuzing en een wervelfractuur. De rechtbank oordeelde dat de verdachte zich zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gedragen, wat leidde tot het ongeval. De officier van justitie had een gevangenisstraf van twee maanden voorwaardelijk en een taakstraf geëist, maar de rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor twee jaar op. De rechtbank overwoog dat de verdachte met zijn onverantwoorde rijgedrag grote risico's had genomen en dat het letsel van de benadeelde partij een grote impact had op haar leven. De rechtbank achtte de schuld van de verdachte zeer hoog, maar niet roekeloos, en baseerde de straf op de ernst van het feit en de gevolgen voor het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/243410-24
Datum uitspraak: 4 december 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 november 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W.J. Nijkerk, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.L. van Gaalen, naar voren hebben gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de benadeelde partij [benadeelde partij] in het kader van haar spreekrecht naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat op 24 april 2024 te Amsterdam door zijn schuld een verkeersongeval heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan [benadeelde partij] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht (overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, hierna: WVW). Subsidiair is dit ten laste gelegd als het veroorzaken van gevaar op de weg (overtreding van artikel 5 WVW).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
de bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen verklaard. Verdachte heeft volgens de officier van justitie grove schuld aan het veroorzaken van het verkeersongeval gehad, omdat hij zich als bestuurder van een motorscooter zeer onvoorzichtig heeft gedragen. Als gevolg van het ongeval heeft [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel opgelopen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak van het primair tenlastegelegde bepleit. Volgens de raadsman kan er geen causaal verband worden vastgesteld tussen het rijgedrag van verdachte en de botsing met [benadeelde partij] . Hoewel kan worden vastgesteld dat verdachte bepaalde verkeersregels heeft overtreden, volgt hieruit niet dat het ongeval redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Verdachte haalde [getuige] links in, maar [getuige] heeft mogelijk geen richting aangegeven. Immers heeft hij verklaard dat hij zich niet kan herinneren richting te hebben aangegeven. Het naar links afslaan van [getuige] was daardoor niet voorzienbaar voor verdachte Het valt dan ook niet uit te sluiten dat [getuige] opeens naar links is uitgeweken. In dat scenario moet niet verdachte, maar [getuige] het verwijt worden gemaakt. Verdachte heeft enkel [getuige] proberen te ontwijken en is daarbij de macht over het stuur verloren. De conclusie dat als verdachte zich wel aan de maximum snelheid had gehouden, de gevolgen van het verkeersongeval zich niet hadden voorgedaan, kan op basis van het dossier niet worden getrokken, nu de bepalende factor het onverwachte links afslaan van [getuige] is geweest. Omdat er verder geen onderzoek is gedaan naar de vraag of het anders was gelopen als verdachte zich aan de maximum snelheid had gehouden, is de conclusie dat de snelheid heeft bijgedragen aan het ongeval speculatief. Ook heeft het feit dat verdachte op de andere weghelft reed niet bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.
Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat wel is voldaan aan de vereisten van causaliteit, heeft de raadsman verzocht om rekening te houden met het rijgedrag van [getuige] , nu dit in ieder geval een schakel is geweest in de keten die heeft geleid tot de aanrijding met [benadeelde partij] .
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de raadsman bepleit dat partieel vrijspraak dient te volgen voor het gedeelte van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het causale verband tussen het rijgedrag van verdachte en het ongeval.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Feitelijke toedracht
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Op 24 april 2024 omstreeks 17:00 uur reed verdachte, als beginnend bestuurder, op een motorscooter op De Boelelaan in Amsterdam, komende vanuit de richting van de Van Leijenberghlaan en gaande in de richting van de Buitenveldertselaan. Achterop zijn motorscooter zat [bijrijder] . [2] De Boelelaan bestond ter plaatse uit één rijbaan, verdeeld in twee rijstoken voor verkeer in tegengestelde richtingen. [3] De maximaal toegestane snelheid ter plaatse was 30 km/u. [4] Op het moment dat verdachte het kruispunt met de Willem van Weldammelaan naderde, reed hij links van het verdrijvingsvlak en een doorgetrokken streep op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer. [5] [getuige] , bestuurder van een motorscooter die op dat moment eveneens op de rijbaan van de De Boelelaan in dezelfde rijrichting als verdachte stapvoets reed, was ter hoogte van het kruispunt bezig om links af te slaan naar de Willem van Weldammelaan. [6] Op dat moment werd [getuige] links ingehaald door verdachte, die nog steeds op de rijstrook voor het tegemoetkomend verkeer reed. Hierbij raakte de rechterzijde van de motorscooter van verdachte de linkerzijde van de motorscooter van [getuige] . Door deze aanrijding is verdachte de macht over het stuur verloren, nog meer aan de linkerkant van de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terechtgekomen en daardoor vrijwel frontaal tegen een tegemoetkomende fietser, [benadeelde partij] , aangereden. Zij fietste op dat moment op de fietsstrook uit tegenovergestelde richting. [7] Uit onderzoek is gebleken dat verdachte vlak voor de aanrijding met een gemiddelde snelheid van tussen de 79 en 80 km/u reed. [8] Als gevolg van het ongeval heeft [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Zij is direct na het ongeval gereanimeerd en opgenomen in het ziekenhuis waar zij de eerste periode op de intensive care heeft gelegen en vervolgens is overgedragen aan de afdeling neurologie waar zij tot en met 30 mei 2024 heeft moeten verblijven. [benadeelde partij] heeft als gevolg van het ongeval een gebroken knieschijf, gebroken ribben, een longkneuzing en een wervelfractuur opgelopen. Daarnaast was sprake van vetembolieën afkomstig van een femurfractuur die tot hersenletsel hebben geleid. [9] Het letsel van [benadeelde partij] is (nog) niet hersteld en zij is nog altijd aan het revalideren. [10]
Schuld in de zin van artikel 6 WVW
Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag, waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan. Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [11]
Vaststaat dat verdachte op 24 april 2024 met zijn motorscooter over De Boelelaan te Amsterdam reed op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer terwijl hij daar niet mocht rijden. Bij het naderen van de kruising met de Willem van Weldammelaan reed hij ongeveer 79 tot 80 km/u, terwijl de maximumsnelheid daar 30 km/u is. Verdachte is op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer blijven rijden, ook toen hij een doorgetrokken streep en een verdrijvingsvlak passeerde en het kruispunt naderde. Dit alles was voor verdachte kennelijk geen reden om zijn snelheid te minderen en gebruik te maken van de mogelijkheid om in te voegen op de rijstrook bestemd voor het verkeer in zijn richting. Blijkens verdachtes eigen verklaring heeft hij geen van de drie waarschuwingsborden die voor het kruispunt aan de rechterzijde van de weg staan (een verkeersbord ‘matig uw snelheid, in/uitrit bouwplaats’, een bord ‘waarschuwing kinderen’ en een bord ‘waarschuwing fietsers en bromfietsers’) gezien. Verder heeft hij verklaard dat het voor hem van belang was om zo snel mogelijk bij zijn bestemming te zijn en dus om het verkeer dat zich voor hem bevond in te halen. Dat maakt dat hij geen oog had voor de overige verkeersdeelnemers en de situatie op de weg en meer in het bijzonder de situatie op het kruispunt. Verdachte is met zijn handelen ernstig tekort geschoten in de voorzichtigheid en oplettendheid die van een verkeersdeelnemer verwacht wordt. Dat had tot gevolg dat hij allereerst tegen [getuige] is aangereden, die blijkens de getuigenverklaringen op dat moment stapvoets op zijn motorscooter reed, zich op de juiste rijstrook op het kruispunt bevond en links af wilde slaan. Na de macht over het stuur te zijn verloren, is verdachte vervolgens frontaal op [benadeelde partij] in gereden die daar zwaar lichamelijk letsel aan heeft overgehouden. Het causale verband tussen de gedragingen van verdachte en het ongeval met [benadeelde partij] is met het voorgaande een gegeven. Of [getuige] bij het linksaf slaan zijn richtingaanwijzer al dan niet heeft gebruikt, doet aan het voorgaande niet af. Verdachte reed veel te hard om überhaupt op het verkeersgedrag van [getuige] te kunnen anticiperen en reed op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer het kuispunt over. Een eventuele onvoorzichtigheid van [getuige] kant maakt niet dat de onvoorzichtigheid van verdachte te gering zou worden om schuld in de zin van artikel 6 WVW op te leveren. Het verweer van de raadsman op dit punt wordt dan ook verworpen.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld welke mate van schuld bij verdachte kan worden bewezen. Schuld, in juridische zin, kan bestaan in verschillende gradaties: van aanmerkelijk onvoorzichtig, de lichtste vorm van schuld, tot roekeloos, wat geldt als de zwaarste vorm van schuld. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een zeer grove mate van schuld.
Met de ‘Wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten’ heeft de wetgever het begrip roekeloosheid nader ingevuld en zo het toepassingsbereik ervan in de rechtspraak willen verbreden. Daartoe is in artikel 175 WVW, dat de strafbepaling van artikel 6 WVW bevat, aan het tweede lid toegevoegd dat van roekeloosheid in elk geval sprake is als het gedrag tevens als een overtreding van artikel 5a, eerste lid WVW kan worden aangemerkt.
De rechtbank moet beoordelen of verdachte met het hiervoor vastgestelde verkeersgedrag dat heeft geleid tot het ongeval (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar was te duchten voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen.
Vaststaat dat verdachte meerdere van de in artikel 5a, eerste lid, van de WVW genoemde verkeersregels heeft geschonden, waardoor levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was. Zo heeft hij tegen de verkeersrichting ingereden, gevaarlijk ingehaald en de maximumsnelheid overtreden. Ook stelt de rechtbank op basis van de eigen verklaring van verdachte vast dat hij dit opzettelijk heeft gedaan. De rechtbank stelt evenwel vast dat één en ander zich in een relatief kort tijdsbestek heeft voorgedaan. Het lijkt om enkele seconden te gaan waarbinnen verdachte de verkeersregels heeft geschonden en het ongeval heeft plaatsgevonden. Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de schending van de verkeersregels niet in dusdanig ernstige mate is geweest dat sprake is van roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW. Wel is sprake is van de één na zwaarste schuldgradatie, namelijk ‘zeer’ onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag in de zin van artikel 6 WVW.
Dat betekent dat de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.3. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van het primair tenlastegelegde
op 24 april 2024 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorscooter, daarmee rijdende over de De Boelelaan, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [benadeelde partij] , zwaar lichamelijk letsel, te weten hersenletsel, een gebroken knieschijf, gebroken ribben, een longkneuzing en een wervelfractuur, werd toegebracht,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft gereden over de De Boelelaan, komende uit de richting van de Van
Leijenberghlaan, en gaande in de richting van de Buitenveldertselaan,
- terwijl verdachte beginnend bestuurder was,
- terwijl verdachte reed met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 kilometer per uur,
- terwijl [getuige] voor verdachte reed,
verdachte heeft niet, gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van de De Boelelaan, de snelheid van dat door hem bestuurde motorrijtuig, in strijd met het gestelde in artikel 19 van Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zodanig geregeld dat hij, verdachte, in staat was dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij die De Boelelaan kon overzien en waarover deze vrij was,
verdachte heeft, op het kruispunt met de Willem van Weldammelaan, [getuige] aan de linkerzijde ingehaald, terwijl die [getuige] op het punt stond om linksaf te slaan,
verdachte heeft vervolgens niet afgeremd en is niet voldoende uitgeweken voor deze [getuige] ,
verdachte heeft de Boelelaan in tegengestelde richting bereden,
verdachte is vervolgens tegen [getuige] aangereden,
verdachte heeft vervolgens de macht over het stuur verloren,
verdachte is vervolgens tegen [benadeelde partij] aangebotst, ten gevolge waarvan die [benadeelde partij] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,
terwijl verdachte vlak voor de aanrijding ongeveer tussen de 79 en 80 kilometer per uur had gereden.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, een taakstraf voor de duur van 140 uur en een ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar met aftrek van de tijd waarbinnen het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om in het geval van een bewezenverklaring, hoewel deze in het niet vallen bij de gevolgen die het tenlastegelegde voor [benadeelde partij] heeft gehad, toch ook rekening te houden met de gevolgen van het tenlastegelegde voor verdachte.
Het rijbewijs van verdachte is al enige tijd ingevorderd geweest en hij was ten tijde van het incident niet onder invloed van alcohol of verdovende middelen. Daarom zou een taakstraf in combinatie met een ontzegging van de rijbevoegdheid, lager dan door de officier van justitie is geëist, volgens de raadsman een passende straf zijn.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt waarbij meerdere verkeersdeelnemers betrokken zijn geraakt. Verdachte heeft met een volstrekt onverantwoorde inhaalmanoeuvre en een veel te hoge snelheid grote risico’s genomen door op de rijstrook voor tegemoetkomend verkeer te gaan rijden en te blijven rijden, zelfs bij het naderen van een kruispunt. Nadat hij daarbij eerst een aanrijding veroorzaakte met de naar links afslaande [getuige] , is hij de macht over het stuur verloren en vervolgens frontaal op de fietser [benadeelde partij] ingereden. Als gevolg van dit ongeval heeft [benadeelde partij] zeer ernstig letsel opgelopen, waarvan zij tot op de dag van vandaag nog niet is hersteld en het is de vraag of zij uiteindelijk na lang revalideren volledig zal herstellen. Blijkens haar slachtofferverklaring is zij al meer dan een jaar aan het vechten voor haar gezondheid en haar toekomst en heeft dit feit niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk enorme impact op haar gehad. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 6 oktober 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Ook blijkt hieruit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is wegens een aan hem opgelegde strafbeschikking op 27 december 2024. Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte in de afgelopen drie jaar meerdere boetes heeft gekregen voor verkeersovertredingen en dat hij in 2022 een vordering voor een rijvaardigheidsonderzoek heeft ontvangen. Uit het proces-verbaal (Meldingsformulier invordering rijbewijs - inbewaringstelling motorrijtuig) van 18 juli 2024 blijkt dat verdachte deze vordering op 29 september 2022 heeft gekregen vanwege agressief en onveilig rijgedrag.
De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht; de vertrekpunten die strafrechters hanteren bij het bepalen van straffen. Bij een bewezenverklaring van artikel 6 WVW, en de vaststelling dat de verdachte, zonder alcoholgebruik, een zeer hoge mate van schuld heeft aan het veroorzaken van het verkeersongeval als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, wordt een gevangenisstraf van vier maanden met daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar als uitgangspunt genoemd. De rechtbank ziet, alle omstandigheden in aanmerking genomen, geen reden om van dit uitgangspunt af te wijken.
Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaar met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest, passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het primair tenlastegelegde
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte,
[de verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
4 (vier) maanden.
Ontzegtverdachte de
bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van
2 (twee) jaren.
Bepaalt dat de duur van deze ontzegging wordt verminderd met de tijd gedurende welke het rijbewijs vóór het tijdstip waarop de straf ingaat, ingevorderd en ingehouden is geweest.
Dit vonnis is gewezen door
mr. G.M. Beunk, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 december 2025.
[…]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste digitale nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 november 2025.
3.Proces-verbaal FO verkeer, fotomap plaats delict, p. 24.
4.Proces-verbaal FO verkeer, fotomap plaats delict, p. 24.
5.Proces-verbaal FO verkeer, forensisch onderzoek camerabeelden, p. 103.
6.Proces-verbaal FO verkeer, forensisch onderzoek camerabeelden, p. 103 en proces verbaal van verhoor [getuige] p. 187-190.
7.Proces-verbaal FO verkeer, forensisch onderzoek camerabeelden, p. 103 en de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 20 november 2025.
8.Proces-verbaal FO verkeer, forensisch onderzoek camerabeelden, p. 115.
9.Een geschrift, te weten een letselverklaring van het Amsterdam UMC, locatie AMC, van 29 mei 2024, p. 123-125.
10.Een geschrift, te weten een schriftelijke slachtofferverklaring van slachtoffer [benadeelde partij] van 17 september 2025.
11.Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004 ECLI:NL:HR:2004:AO5822 en van 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008: BD0544.