ECLI:NL:RBAMS:2025:9586

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
C/13/777103 / FA RK 25/7874
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgmachtiging op basis van onvoldoende doelmatigheid en effectiviteit

Op 3 november 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven in een zaak betreffende een verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging op basis van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Het verzoek was ingediend door de officier van justitie ten aanzien van een betrokkene die lijdt aan een psychische stoornis, waaronder een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis en een posttraumatische stressstoornis. De rechtbank heeft de mondelinge behandeling op 31 oktober 2025 gehouden, waarbij de raadsvrouw van de betrokkene en verschillende zorgprofessionals aanwezig waren. De betrokkene heeft verzet aangetekend tegen de zorgmachtiging, waarbij zij stelde dat zij de afgelopen jaren vrijwillig heeft meegewerkt aan haar behandeling en dat er alternatieven zijn voor verplichte zorg.

De rechtbank heeft in haar beoordeling vastgesteld dat de betrokkene recentelijk is ontslagen uit een kliniek en dat er geen duidelijke diagnostiek mogelijk was. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat de betrokkene zelf hulp heeft ingeroepen en dat er zorgen zijn over haar autonomie en de effectiviteit van verplichte zorg. De rechtbank concludeert dat het verlenen van een zorgmachtiging op dit moment niet evenredig en effectief is, en dat de betrokkene beter begeleid kan worden naar een nieuwe woonplek waar zij ondersteuning kan krijgen. De rechtbank wijst het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging af, waarbij het verzoek om tijdigheid niet verder wordt beoordeeld.

De beschikking is openbaar uitgesproken en op schrift gesteld op 1 december 2025. Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/777103 / FA RK 25/7874
kenmerk: ZM/IND/179437
Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg
Beschikking van 3 november 2025van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen: betrokkene,
advocaat: mr. C.E. Stassen-Buijs te Amsterdam,
zorgaanbieder: GGZ inGeest

1.Procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 14 oktober 2025.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025 in het gebouw van de rechtbank.
Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
- betrokkene;
- de raadsvrouw;
- dhr. [naam 1] , verpleegkundig specialist;
- mw. [naam 2] , casemanager.
Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen
.

2.Beoordeling

2.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling het volgende voorop. De rechtbank kan op verzoek van de officier van justitie een zorgmachtiging verlenen wanneer wordt voldaan aan de criteria en doelen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:3 en 3:4 Wvggz. Indien het gedrag van betrokkene als gevolg van een psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, kan als uiterste middel verplichte zorg worden verleend indien geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn, voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn, het verlenen van verplichte zorg gelet op het beoogde doel evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is. Verplichte zorg kan worden verleend om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint, of de fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen in het geval diens gedrag als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel daarvoor.
2.2.
In de overgelegde stukken staat dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis, naast een posttraumatische stressstoornis.
2.3.
De raadsvrouw heeft verzocht de zorgmachtiging af te wijzen. Het verlenen van een zorgmachtiging is niet in overeenstemming met de vereiste proportionaliteit en subsidiariteit. Daarnaast betwist betrokkene de diagnose. Ook voert zij aan dat zij de afgelopen jaren vrijwillig heeft meegewerkt. Veel heeft zij op eigen kracht gedaan, met begeleiding en zorg. Zij heeft zelf om hulp gevraagd toen zij dat nodig had. Er zijn bovendien andere mogelijkheden om haar te monitoren, ze woont op een beschermd wonen locatie van HVO en heeft goed contact met haar familieleden.
2.4.
De verpleegkundig specialist heeft aangegeven dat betrokkene in maart is ‘uitgeschreven’ uit de zorg bij FACT en onder behandeling is gekomen bij de huisarts. Er was destijds geen samenwerking met betrokkene mogelijk en betrokkene voelde zich niet veilig op haar woonplek. Dit voorjaar is betrokkene opgenomen geweest in een gesloten kliniek nadat zijzelf aan de bel had getrokken. Daar bleek het niet mogelijk een goede diagnose te stellen en bleef onbeantwoord of sprake was van, bijvoorbeeld, katatonie, schizofrenie of persoonlijkheidsproblematiek. Betrokkene gaf geen inzicht in haar belevingswereld en hield contact af. Er was geen behandelindicatie en betrokkene is vervolgens ontslagen. Toen ze bij het nieuwe team in zorg kwam, gaf ze aan te willen stoppen met de medicatie. Betrokkene gaat overal tegenin. Het is voor betrokkene heel belangrijk dat zij autonomie heeft en zelf kan beslissen over haar leven. Een klacht tegen de behandelend psychiater heeft betrokkene later weer ingetrokken en ook tegen andere instanties zijn klachten ingediend. Het behandelteam heeft getwijfeld een verlenging van de zorgmachtiging aan te vragen. Niet helemaal duidelijk is of dit het juiste instrument is om betrokkene te helpen. Eind dit jaar gaat betrokkene naar een andere woning, met een nieuw FACT-team. Dit is een spannende stap; in het verleden is het misgegaan toen betrokkene in aanmerking kwam voor een nieuwe woning. Voor het continueren van de zorg en de overdracht naar haar nieuwe woning is het fijn als er een zorgmachtiging is. Die wordt op dit moment vooral ingezet om ervoor te zorgen dat betrokkene de afspraken nakomt. Zonder zorgmachtiging zal zij mogelijk niet meer komen. Het beeld dat gezien wordt, is vooral verklaarbaar vanuit een trauma, maar is deels ook te herleiden tot persoonlijkheidsproblematiek. Indien meer persoonlijkheidsproblematiek op de voorgrond treedt, dan is er een andere benadering dan medicatie nodig. Betrokkene wil dan meer autonomie. De zorgmachtiging is uiteindelijk toch aangevraagd omdat er een gevaar is dat betrokkene zichzelf iets aandoet en om haar veilig te houden. Niet iedereen heeft het beste met haar voor. Maatschappelijke teloorgang dreigt. Ook heeft wel gedreigd haar woning op te zeggen. Er is echter geen andere woonplek dus dan staat ze op straat. Daar zijn zorgen over. Betrokkene staat op de wachtlijst voor traumatherapie.
2.5.
Naar het oordeel van de rechtbank moet de zorgmachtiging worden afgewezen. Op basis van de stukken en de toelichting op de zitting stelt de rechtbank vast dat betrokkene onlangs is ontslagen uit de kliniek; er was geen duidelijke diagnostiek mogelijk en de behandeling van betrokkene sloeg niet aan. Het is de vraag of sprake is van een stoornis of dat de problematiek van betrokkene voortkomt uit een trauma. Betrokkene is weer terug naar haar (beschermde) woning en nu wordt onderzocht of zij naar een nieuwe (begeleide) woonplek kan. De rechtbank vindt het positief dat de vader van betrokkene weer betrokken is en dat zij haar leven probeert op te pakken (zo zou ze weer aan het werk zijn gegaan).
2.6.
Uit de verklaring van de verpleegkundig specialist blijkt dat de verplichte zorg met name ziet op het goed begeleiden van betrokkene naar haar nieuwe plek, om ervoor te zorgen dat zij in contact blijft en haar te kunnen blijven monitoren. Hoewel de rechtbank begrijpt dat er zorgen over betrokkene zijn, is onvoldoende duidelijk geworden dat het verlenen van een gevraagde zorgmachtiging voor betrokkene op dit moment evenredig en effectief is. De gevaarlijke situatie waarin betrokkene verkeerde voordat ze werd opgenomen in de kliniek, lijkt te zijn afgewend. Bovendien heeft betrokkene destijds zelf hulp ingeroepen. Juist omdat betrokkene sterk gericht is op autonomie en zelf de regie wil houden en zich, zoals ter zitting is toegelicht, hevig verzet tegen vormen van zorg waarin zij geen inspraak heeft, is de rechtbank er onvoldoende van overtuigd dat een zorgmachtiging voor betrokkene doelmatig is om het door de hulpverlening beoogde doel - dat er op dit moment vooral in bestaat om een oogje in het zeil te houden op en contact te houden met betrokkene - te bereiken. Het gevaar is immers, zoals de hulpverlening ter zitting ook heeft onderkend, dat betrokkene zich dan juist afkeert van iedere hulp. Bovendien lijkt dit doel op dit moment beter te kunnen worden bereikt via de (nieuwe) woonplek, waar betrokkene begeleid zal worden, en/of via haar vader. Betrokkene heeft tot slot duidelijk gemaakt graag te willen starten met traumatherapie, waarvoor zij momenteel op de wachtlijst staat. In zoverre is ook sprake van medewerking op basis van vrijwilligheid. Dit maakt dat de rechtbank het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging zal afwijzen. Bij die stand van zaken wordt in het midden gelaten of het verzoek al dan niet tijdig is ingediend.

3.Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is op 3 november 2025 gegeven en in het openbaar uitgesproken door
mr. K.M. van Hassel, rechter, bijgestaan door D.L. Overduin als griffier en op 1 december 2025 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.