ECLI:NL:RBAMS:2025:9598

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
13/115870-24, 13/338938-24, 13/367139-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Meervoudige strafzaak tegen verdachte wegens diefstal en bedreiging met misdrijf tegen het leven

Op 29 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een meervoudige strafzaak tegen een verdachte, geboren in 1975 en thans gedetineerd. De zaak betreft meerdere parketnummers, waaronder 13/115870-24, 13/338938-24, en 13/367139-24, die samen zijn gevoegd. De rechtbank heeft de verdachte beschuldigd van diefstal en bedreiging met misdrijf tegen het leven. De tenlastelegging omvat onder andere diefstal in een supermarkt op 4 april 2024, bedreiging van een slachtoffer op 24 oktober 2024, en belediging van meerdere slachtoffers op 14 mei 2024. Tijdens de zitting op 15 oktober 2025 heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie gehoord, evenals de verdediging van de verdachte. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn en dat de officier van justitie ontvankelijk is. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de tenlastelegging onder zaak D, maar heeft hem schuldig bevonden aan de andere feiten. De rechtbank heeft de ISD-maatregel opgelegd voor de duur van twee jaar, evenals een contactverbod en een locatieverbod. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor immateriële schade, maar de vordering van [slachtoffer 5] is afgewezen. De rechtbank heeft de beslissing gegrond op verschillende artikelen van het Wetboek van Strafrecht.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummers: 13/115870-24 (zaak A), 13/338938-24 (zaak B), 13/367139-24 (zaak C),
13/055601-23 (zaak D) en 13/034923-23 (zaak E) (eerder ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummers vorderingen tenuitvoerlegging: 13/015259-21 en 13/172758-21
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
thans gedetineerd te: [PI] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2025.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, eerder gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B, zaak C, zaak D en zaak E aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.M. Iwema, naar voren hebben gebracht. Daarnaast is [reclasseringsmedewerker] , reclasseringsmedewerker, als deskundige gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A:
diefstal in de [supermarkt 2] op 4 april 2024 te Amsterdam;
Zaak B:
Feit 1
bedreiging van [slachtoffer 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling op 24 oktober 2024 te Amsterdam;
feit 2
groepsbelediging op 14 mei 2024 te Amsterdam;
feit 3:
belediging van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] op 14 mei 2024 te Amsterdam;
Zaak C:
feit 1:
bedreiging van M.L.A [slachtoffer 4] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling in de periode van 9 oktober 2024 tot en met 18 oktober 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland en/of België;
feit 2:
belediging van een ambtenaar, te weten M.L.A [slachtoffer 4] , in de periode van 9 oktober 2024 tot en met 18 oktober 2024 in Nederland en/of België;
Zaak D
diefstal met een valse sleutel van [slachtoffer 5] in de periode van 11 juli 2022 tot en met 21 juli 2022 te Amsterdam;
Zaak E
diefstal in de [supermarkt 1] op 3 februari 2023 te Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een
bijlagedie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

3.1.
Betekeningen
3.1.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat niet alle dagvaardingen aan verdachte zijn uitgereikt.
3.1.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle dagvaardingen aan verdachte zijn uitgereikt en betekend.
3.1.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft acht geslagen op het dossier en heeft geconcludeerd dat alle dagvaardingen aan verdachte zijn betekend. In zaak A is de dagvaarding betekend op 27 december 2024 en in de zaken B, C, D en E op 7 februari 2025. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.
3.2.
Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers
De rechtbank merkt op dat dit niet-ontvankelijkheidsverweer wordt begrepen als een strafmaatverweer inhoudende dat de officier van justitie in strijd met de eigen (veelplegers)richtlijn een ISD-maatregel heeft gevorderd. Nu dit verweer als niet-ontvankelijkheidsverweer is gevoerd, wordt dit verweer hier alvast besproken.
3.2.1.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat zij niet heeft voldaan aan de richtlijn van het Openbaar Ministerie voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers.
3.2.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wel is voldaan aan die richtlijn.
3.2.3.
Oordeel van de rechtbank
De richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers schrijft voor dat de officier van justitie de ISD-maatregel alleen kan vorderen als tegen de verdachte in de afgelopen vijf jaren tenminste tien processen-verbaal zijn opgemaakt, waarvan tenminste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 26 september 2025 is de rechtbank gebleken dat tegen verdachte in de afgelopen vijf jaar tien processen-verbaal zijn opgemaakt, waarvan één in de laatste twaalf maanden. De officier van justitie heeft derhalve gehandeld overeenkomstig de richtlijn. De rechtbank verwerpt ook dit verweer van de verdediging.
De rechtbank stelt vast dat de dagvaardingen geldig zijn, deze rechtbank bevoegd is tot kennisneming van het tenlastegelegde en de officier van justitie ontvankelijk is. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van hetgeen onder zaak D ten laste is gelegd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van hetgeen onder de zaken A, B, C en E ten laste is gelegd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van hetgeen onder zaak D ten laste is gelegd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vrijspraak ten aanzien van het onder zaak D tenlastegelegde feit
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder zaak D ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
4.3.2
Zaak A
Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. [1]
[aangever 1] (hierna: [aangever 1] ) heeft namens de [supermarkt 2] , gevestigd op de [adres 1] te Amsterdam , aangifte gedaan van diefstal op 4 april 2024. [aangever 1] heeft verklaard dat verdachte twee blikken bier en twee flessen wijn ter waarde van € 15,04 in zijn tas stopte en voorbij de kassa liep zonder deze goederen ter betaling aan te bieden. [2] Hierover heeft verdachte verklaard dat hij wel wilde betalen, maar dat hij zijn telefoon kwijt was en daarom met de producten in de tas richting de service balie is gelopen,
Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte op 4 april 2024 in de [supermarkt 2] meerdere producten in zijn tas heeft gestopt, de tas heeft dichtgeritst en de kassa is gepasseerd zonder deze producten ter betaling aan te bieden. [3]
Gelet op voornoemde handelingen van verdachte acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte op 4 april 2024 te Amsterdam twee blikken bier en twee flessen wijn heeft gestolen van de [supermarkt 2] .
4.3.3.
Zaak B
Feit 1
[slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) heeft aangifte gedaan van bedreiging op 24 oktober 2024 te Amsterdam. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte tegen hem heeft gezegd
“ik ga je doodschieten, ik ga je kapotmaken”. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij het idee had dat verdachte de bedreigingen daadwerkelijk tot uitvoering zou kunnen brengen. [4]
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte tegen hem en zijn collega [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij hen zou afschieten en schietgebaren maakte met zijn handen. [5]
De rechtbank is van oordeel dat de aard van de tenlastegelegde uitingen in de gegeven omstandigheden van dien aard waren dat deze voor [slachtoffer 1] redelijkerwijs de vrees konden opwekken dat verdachte hem iets zou aandoen. Deze tenlastegelegde uitingen leveren dan ook een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht op.
Feit 2 en feit 3
[aangever 2] (hierna: [aangever 2] ) heeft namens [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) aangifte gedaan van (groeps)belediging op 14 mei 2024 in het [ziekenhuis] te Amsterdam. [aangever 2] heeft verklaard dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] in een door hen opgemaakt rapport hebben verklaard dat verdachte in de centrale hal van het ziekenhuis heeft gezegd
"Ja!! Jullie moeten ze wegsturen en alleen Nederlanders inzetten als beveiliger!!" "Jullie volk moeten maar bananen of groenten gaan lopen plukken. “5 miljoen van jullie buitenlanders moeten gewoon het land uit hier".[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] voelden zich gediscrimineerd door deze uitingen van verdachte. [6]
Getuige [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) heeft verklaard dat verdachte in de centrale hal van het ziekenhuis heeft gezegd
"Ja ik wil alleen maar Nederlandse beveiligers in plaats van jullie" "Ze moeten 5 miljoen van jullie buitenlanders het land uitzetten, jullie moeten bananen of groenten lopen plukken.". [7]
Getuige [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er ten tijde van het feit ook andere mensen in de centrale hal aanwezig waren. [8]
De rechtbank overweegt dat deze uitlatingen naar hun aard - en in samenhang bezien -als beledigend aan te merken zijn. Niet alleen voor [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] maar de uitlatingen zijn ook discriminerend en daarmee beledigend voor een groep mensen wegens hun ras. Door het doen van deze uitlatingen heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij mensen met een buitenlandse afkomst en mensen met een niet witte huidskleur zou beledigen nu de uitlatingen de strekking hebben deze groep bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hen aan te randen in hun eer en goede naam.
De door verdachte gedane uitlatingen kunnen niet worden gezien in het licht van een bijdrage aan een publiek debat en waren evenmin een uiting van een artistieke expressie. Dit betekent dat een nadere toetsing van het al dan niet onnodig grievende karakter van de uitlating achterwege kan blijven.
Verdachte heeft de beledigende woorden geuit in de centrale hal van een ziekenhuis, in aanwezigheid van de daar aanwezige personen, en dus in het openbaar. Diverse personen, waaronder [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] en [getuige 2] hebben gehoord wat hij heeft gezegd.
De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan groepsbelediging.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
De rechtbank acht niet bewezen dat de tenlastegelegde uiting
“Ja ik ga weg anders stomp ik jullie op jullie bek hierzo”beledigend van aard is en spreekt verdachte daarvan vrij.
4.3.4.
Zaak C
Feit 1 en feit 2
[aangever 3] (hierna: [aangever 3] ) heeft namens [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ), werkzaam als regisseur binnen de integraal persoonsgerichte aanpak Personen met Onbegrepen en Onveilig Gedrag van het AcVZ, aangifte gedaan van belediging en bedreiging in de periode 9 oktober 2024 tot en met 11 oktober 2024 in Nederland en België. [aangever 3] heeft verklaard dat verdachte op 9 en 10 oktober 2024 [slachtoffer 4] tijdens haar werk heeft beledigd en bedreigd door op haar voicemail in te spreken:
"voor jou ben ik bereid om te sterven ja, maar dan neem ik je wel mee", “vieze kankerhoer”, "dan kom ik bij jou, dan pak ik jou honderdduizend procent, dan kom jij nooit meer heel thuis ja, dan zal ik jouw kop voor de deur zetten, wat die gek Mohammed met Theo van Gogh heeft gedaan ga ik met jouw kop doen", "ik slacht je af” “je bent een walgelijk persoon”. [9]
[slachtoffer 4] heeft verklaard dat verdachte haar bedreigende en beledigende voicemail berichten heeft gestuurd en dat deze berichten haar erg hebben geraakt. [10]
Verbalisant [Verbalisant] heeft verklaard dat verdachte op 18 oktober 2024 de voicemail van [slachtoffer 4] heeft ingesproken. Op de voicemail hoorde de verbalisant verdachte zeggen
" [verdachte] hier" "misschien moet er een aanslag komen op die grote tafel van jullie" “jullie zijn gewoon schoftenazis eerste klas” “je bent gewoon een hoerenkind, een kankerwijf”. [11]
Verdachte heeft tijdens de zitting op 15 oktober 2025 verklaard dat hij de voicemail van [slachtoffer 4] heeft ingesproken.
De rechtbank is van oordeel dat de aard van de tenlastegelegde bedreigingen (feit 1) in de gegeven omstandigheden van dien aard waren dat deze voor [slachtoffer 4] redelijkerwijs de vrees konden opwekken dat verdachte haar iets zou aandoen. Deze tenlastegelegde uitingen leveren dan ook een bedreiging op met enig misdrijf tegen het leven gericht. Gelet op de aard van de uitlatingen heeft verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 4] zou doen vrezen voor haar leven.
De rechtbank overweegt dat de tenlastegelegde uitlatingen (feit 2) kunnen worden aangemerkt als beledigingen. Verdachte moet hebben begrepen dat wat hij heeft gezegd als beledigend en kwetsend zou worden ervaren. Hij had dan ook ten minste voorwaardelijk opzet om [slachtoffer 4] te beledigen nu de uitlatingen de strekking hebben [slachtoffer 4] in een ongunstig daglicht te stellen en haar aan te randen in haar eer en goede naam. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde beledigingen.
4.3.5.
Zaak E
[aangever 4] (hierna: [aangever 4] ) heeft namens de [supermarkt 1] , gevestigd aan de [adres 2] , aangifte gedaan van diefstal op 3 februari 2023. [aangever 4] heeft verklaard dat verdachte meerdere producten niet ter betaling heeft aangeboden toen hij de [supermarkt 1] verliet. [12] De kassabon met producten is als bijlage toegevoegd.
Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte op 3 februari 2023 in de [supermarkt 1] meerdere producten in zijn tas heeft gestopt en de kassa heeft gepasseerd zonder deze producten ter betaling aan te bieden. [13]
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 3 februari 2023 eet- en drinkwaren heeft gestolen van de [supermarkt 1] .

5.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
Zaak A
op 4 april 2024 te Amsterdam, 2 blikken bier en 2 flessen wijn (ter waarde van (ongeveer) 15,05 euro), die aan winkelbedrijf [supermarkt 2] (filiaal gelegen aan de [adres 1] ) toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Zaak B
Feit 1
op 24 oktober 2024 te Amsterdam, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen "ik ga je doodschieten, ik ga je kapotmaken";
Feit 2
op 14 mei 2024 te Amsterdam, zich in het openbaar mondeling, opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten buitenlanders en mensen met een niet witte huidskleur, wegens hun ras, door in een centrale hal van een ziekenhuis te roepen: "Ja!! jullie moeten ze wegsturen en alleen Nederlanders inzetten als beveiliger!!" en "Jullie volk moeten maar bananen of groenten gaan lopen plukken" en "5 miljoen van jullie buitenlanders moeten gewoon het land uit hier!!";
Feit 3
op 14 mei 2024 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , in het openbaar mondeling, heeft beledigd, door hun de woorden toe te voegen: "Ja!! jullie moeten ze wegsturen en alleen Nederlanders inzetten als beveiliger!!" en "Jullie volk moeten maar bananen of groenten gaan lopen plukken" en "5 miljoen van jullie buitenlanders moeten gewoon het land uit hier!!";
Zaak C
Feit 1
in de periode van 9 oktober 2024 tot en met 18 oktober 2024 in Nederland en/of België, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 4] (via de voicemail van haar telefoon) de dreigende woorden toe te voegen:
- " voor jou ben ik bereid om te sterven ja, maar dan neem ik je wel mee", en
- " dan kom ik bij jou, dan pak ik jou honderdduizend procent, dan kom jij nooit meer heel thuis ja, dan zal ik jouw kop voor de deur zetten, wat die gek Mohammed met Theo van Gogh heeft gedaan ga ik met jouw kop doen", en
- " ik slacht je af", en
- " misschien moet er een aanslag komen op die grote tafel van jullie";
Feit 2
in de periode van 9 oktober 2024 tot en met 18 oktober 2024 in Nederland en/of België, opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 4] , regisseur van het Actieteam Veiligheid en Zorg, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in haar tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door haar (via de voicemail van haar telefoon), de woorden toe te voegen: "vieze kankerhoer" en "je bent een walgelijk persoon" en "jullie zijn gewoon schoftenazis eerste klas" en "je bent gewoon een hoerenkind, een kankerwijf";
Zaak E
op 3 februari 2023 te Amsterdam, eet- en drinkwaren (te weten onder meer flessen wijn, kaas, blikken Sapphire Gin & Tonic en melk), die geheel aan supermarktketen [supermarkt 1] (filiaal [adres 2] ), toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

6.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

8.1
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaar zonder aftrek van voorarrest.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 4] en een locatieverbod voor de [adres 3] voor de duur van twee jaar. De officier van justitie vordert daarbij vervangende hechtenis van een week bij iedere overtreding en dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
8.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om geen ISD-maatregel op te leggen, omdat verdachte niet voldoet aan de harde en zachte criteria. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om een ISD-maatregel van een jaar op te leggen.
8.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de omstandigheden van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende strafbare feiten waaronder bedreigingen met de dood. Door de bedreigingen is het gevoel van veiligheid van de slachtoffers aangetast. Het feit dat verdachte deze slachtoffers heeft bedreigd tijdens de uitvoering van hun werk, neemt de rechtbank verdachte zeer kwalijk. Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan beledigingen. Door deze beledigingen heeft verdachte de slachtoffers aangetast in hun goede eer en naam. Verdachte heeft hele nare, kwetsende en in sommige gevallen racistische woorden gebruikt jegens de slachtoffers die op dat moment hun werk uitvoerden. Daarnaast heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan twee diefstallen. Hij heeft daarmee het recht op eigendom geschonden en overlast veroorzaakt.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waarbij zowel onvoorwaardelijke als voorwaardelijke straffen, al dan niet met (bijzondere) voorwaarden zijn opgelegd, en ook is eerder een ISD-maatregel opgelegd. Dit alles heeft verdachte er niet van weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van meerdere strafbare feiten.
Rapportage
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Inforsa van 17 januari 2025, opgemaakt door [reclasseringsmedewerker] . Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:
Er is sprake van onstabiliteit op alle leefgebieden van verdachte. Verdachte heeft geen vaste woon- of verblijfplaats, geen dagbesteding en er is sprake van schuldenproblematiek. Verdachte is langdurig bekend met verslavingsproblematiek, hetgeen in directe relatie staat met zijn delictgedrag. Daarnaast is er sprake van psychiatrische- en lichamelijke problematiek. Verdachte heeft vrijwel altijd een ongemotiveerde, afwijzende houding ten aanzien van de reclassering en de bijbehorende interventies gehad. Om tot structurele gedragsverandering te komen acht de reclassering een langdurige opname in een forensische kliniek, gericht op zowel de psychiatrische- als verslavingsproblematiek, geïndiceerd. De forse verslavings- en gedragsproblematiek, het gebrek aan probleembesef en responsiviteit en het hoge risico op recidive en escalatiegevaar, maken dat hulpverlenings- en reclasseringsbemoeienis binnen een vrijwillig dan wel drangkader reeds een gepasseerd station zijn. De reclassering adviseert – bij schuldigverklaring - de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar aan verdachte op te leggen. Gelet op de zorgelijke uitspraken en de woede die hij nog steeds jegens zijn regisseur van het AcVZ toont, wordt tevens een contact- en locatieverbod geadviseerd.
De reclassering heeft ter zitting het advies bevestigd.
De op te leggen maatregel
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 26 september 2025 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan de onderhavige feiten ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen en er, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde rapportage, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Blijkens het strafblad van verdachte is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane feiten, zijn problematiek en het recidiverisico.
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht op basis van het reclasseringsrapport en de toelichting van de reclasseringswerker en legt aan verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op. De rechtbank heeft van verdachte begrepen dat de ISD-maatregel volgens hem niet zinvol zal zijn, maar de rechtbank ziet geen alternatieven ter voorkoming van aanhoudende recidive en heeft er geen vertrouwen in dat verdachte op eigen kracht zijn problematiek kan aanpakken. De beveiliging van de maatschappij dient nu voorop te staan.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaar opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel.
Vrijheidsbeperkende maatregel
Daarnaast ziet de rechtbank ter bescherming van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten aanleiding om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen.
Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte gedurende twee jaar geen direct of indirect contact mag hebben met [slachtoffer 4] , en een locatieverbod, inhoudende dat verdachte zich gedurende twee jaar niet mag ophouden in de [adres 3] . Voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van zeven dagen (met een maximum van zes maanden).
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 4] , beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Sr, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

9.Vorderingen benadeelde partijen

9.1.
Vordering [slachtoffer 4]
De benadeelde partij, [slachtoffer 4] , vordert € 2.250,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, alsmede € 1.430,- aan proceskosten.
9.1.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering toe te wijzen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens heeft de officier van justitie verzocht de proceskosten toe te kennen.
9.1.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde proceskosten niet-ontvankelijk verklaard dient te worden. Ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding heeft de verdediging verzocht de vordering te matigen.
9.1.3.
Oordeel van de rechtbank
Immateriële schade
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde onder feit 1 rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef, en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij “op andere wijze” in haar persoon is aangetast. De rechtbank overweegt dat gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde — namelijk bedreiging met de dood in het kader van haar werkzaamheden— de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 750,-.
Proceskosten
Kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 532 Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 532 Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures. Dit betekent dat het liquidatietarief dient te worden gehanteerd. Het is echter mogelijk om hiervan af te wijken indien er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor het tarief van de betreffende advocaat gehanteerd dient te worden. Een dergelijke bijzondere omstandigheid is naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt om het liquidatietarief te hanteren.
De rechtbank zal de proceskosten aan de hand van het liquidatietarief, gelet op de omvang van de verrichte werkzaamheden, bepalen op € 612,- (drie punten à € 204,-).
Conclusie
De rechtbank zal de vordering gedeeltelijk toewijzen tot een bedrag van € 750,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade (10 oktober 2024).
De vordering zal voor het meerdere worden afgewezen.
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.
Verdachte wordt verder veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met deze vordering heeft gemaakt. Deze kosten begroot de rechtbank tot op heden op € 612,-.
9.2.
Vordering [slachtoffer 5]
De benadeelde partij, [slachtoffer 5] , vordert € 20.000 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.2.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering.
9.2.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering af te wijzen.
9.2.3.
Oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van het onder zaak D tenlastegelegde feit.
De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

10.Vorderingen tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordelingen

De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen tot tenuitvoerlegging met parketnummers 13-015259-21 en 13-172758-21 dienen te worden afgewezen. De tenuitvoerlegging van deze vorderingen wordt niet opportuun geacht, gelet op de oplegging van de ISD-maatregel.

11.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38m, 38n, 38v, 38w, 55, 137c, 266, 267, 285 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

12.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder zaak D tenlastegelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A:
diefstal
ten aanzien van zaak B:
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
feit 2 en feit 3:
eendaadse samenloop van:
het zich in het openbaar mondeling beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras
en
eenvoudige belediging
ten aanzien van zaak C:
feit 1:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
feit 2:
eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening
zaak E:
diefstal
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Legt op de maatregel tot
plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
Legt op de
maatregeldat veroordeelde voor de duur van
2 (twee) jaar:
(1) op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangever [slachtoffer 4] , geboren op 26 maart 1972 te Nederland en
(2) zich niet bevindt in de [adres 3] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
7 (zeven) dagenvoor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van
6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Wijst de vorderingvan de benadeelde partij [slachtoffer 4]
gedeeltelijk toetot een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (10 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het meerdere af.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij [slachtoffer 4] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 612,- (zeshonderdtwaalf euro).
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 4] aan de Staat te betalen een bedrag van € 750,- (zevenhonderdvijftig euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (10 oktober 2024) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 15 (vijftien) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Verklaart[slachtoffer 5]
niet-ontvankelijkin haar vordering.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] en verdachte ieder de eigen kosten dragen.
Wijstde
vordering tot tenuitvoerleggingin de zaak met parketnummer 13-015259-21
af.
Wijstde
vordering tot tenuitvoerleggingin de zaak met parketnummer 13-172758-21
af.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mrs. A.M. Grüschke en J.J.M. Graat, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2025.
[…]

Voetnoten

1.Voor zo er niet anders vermeld, wordt in de hiernavolgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verhaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van aangifte met nummer 240404-66-252 p. 5.
3.Proces-verbaal camerabeelden met nummer 2024078482 p. 9.
4.Proces-verbaal van aangifte met nummer 241024-566-933 p. 11.
5.Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 241024-566-877 p. 15.
6.Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024159677-2 p. 39.
7.Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2024159677-7 p. 44.
8.Proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2024159677-4 p.49.
9.Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2024242641-4 p. 5.
10.Proces-verbaal van verhoor slachtoffer met nummer PL1300-2024242641-7 p. 11.
11.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2024242641-8 p. 16.
12.Aangifteformulier winkeldiefstal met nummer 2023026954 p. 5 met bijlage.
13.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2023026954-6 p. 13.