ECLI:NL:RBAMS:2025:9599

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
13/204044-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bedreiging met dood door verdachte via WhatsApp

Op 29 oktober 2025 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van bedreiging met de dood. De zaak kwam voort uit een incident op 4 juli 2025, waarbij de verdachte via WhatsApp bedreigende berichten naar de aangever heeft gestuurd. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en de verdediging, vertegenwoordigd door mr. J.A.J. Brahm. Tijdens de zitting op 15 oktober 2025 heeft de verdachte erkend de bedreigingen te hebben geuit. De rechtbank heeft vastgesteld dat de bedreigingen de aangever redelijkerwijs in vrees konden brengen voor zijn leven. De rechtbank oordeelde dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was vanwege psychische problematiek, maar dat dit niet leidde tot volledige ontoerekenbaarheid. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week, met aftrek van voorarrest, en heeft een contactverbod en locatieverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. De rechtbank benadrukte het belang van zorg en hulpverlening voor de verdachte, gezien zijn psychische toestand.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/204044-25
Datum uitspraak: 29 oktober 2025
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd te: [P.I.] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 oktober 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.L. Firet, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. J.A.J. Brahm, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 4 juli 2025 te Amsterdam, althans in Nederland, [aangever] (hierna: aangever) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever] een of meerdere WhatsApp-berichten te sturen met de tekst:
- ' Ik ga je schieten (...) blaas ik jou op',
- ' Ik maak je dood' en/of
- ' Beter niet meer naar oma komen. Ik ga je daar schieten persoonlijk door je kanker hoofd', althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Stanpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Aangever heeft aangifte gedaan van bedreiging door verdachte op 4 juli 2025, waarin heeft verklaard dat verdachte de tenlastegelegde bedreigingen heeft geuit via WhatsApp en dat hij bang was voor verdachte. [1]
Deze WhatsApp berichten zijn opgenomen in het dossier. De bedreigingen genoemd in de tenlastelegging maken deel uit van dit WhatsApp gesprek. [2]
Ter terechtzitting van 15 oktober 2025 heeft verdachte verklaard dat hij aangever heeft bedreigd.
De rechtbank is van oordeel dat de aard van de tenlastegelegde uitingen in de gegeven omstandigheden van dien aard waren dat deze voor aangever redelijkerwijs de vrees konden opwekken dat verdachte hem iets tegen het leven gericht zou aandoen. Deze tenlastegelegde uitingen leveren dan ook een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht op.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
op 4 juli 2025 in Nederland, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [aangever] WhatsApp-berichten te sturen met de tekst:
- ' Ik ga je schieten (...) blaas ik jou op' en,
- ' Ik maak je dood' en
- ' Beter niet meer naar oma komen. Ik ga je daar schieten persoonlijk door je kanker hoofd'.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

6.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van psychische problematiek bij verdachte, maar dat dit onvoldoende is om de strafbaarheid van verdachte uit te sluiten.
6.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit niet aan verdachte toegerekend kan worden en dat verdachte ontslagen dient te worden van alle rechtsvervolging. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat verdachte al langere tijd bekend is met psychische problemen en dat er op 4 juli 2025 duidelijke aanwijzingen waren dat verdachte verkeerde in een psychose.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Ontoerekenbaarheid is aan de orde als ten tijde van het tenlastegelegde feit sprake was van een stoornis als bedoeld in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) als gevolg waarvan de verdachte niet kon begrijpen dat het tenlastegelegde feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van het tenlastegelegde feit.
De rechtbank overweegt dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank kan niet vaststellen welke invloed een mogelijke psychische stoornis heeft gehad op verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit.
Over de aanwezigheid van psychiatrische problematiek bij verdachte is weinig bekend, mede omdat het voor reclasseringsmedewerker [reclasseringsmedewerker] en NIFP-psychloog S.J.D. Dijkstra niet mogelijk was om met verdachte in gesprek te gaan. Verdachte maakte tijdens de gesprekken een ontremde, verwarde en agressieve indruk en vertoonde grensoverschrijdend gedrag. De NIFP-psychloog heeft geadviseerd om de mogelijkheden van een zorgmachtiging te onderzoeken vanwege het vermoeden van psychiatrische problematiek bij verdachte.
Gelet op de bevindingen van de reclasseringswerker en de NIFP-psycholoog, de houding van verdachte ter terechtzitting en de verleende zorgmachtiging acht de rechtbank verdachte wel verminderd toerekeningsvatbaar en zal dit meewegen in de strafmaat.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf en maatregel

7.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven dagen, met aftrek van voorarrest.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een maatregel in de zin van artikel 38v Sr wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met aangever en een locatieverbod voor de Burgemeester Van de Pollstraat te Amsterdam, voor de duur van twee jaar. De officier van justitie vordert daarbij vervangende hechtenis van een week bij iedere overtreding en dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte zo snel mogelijk zorg nodig heeft.
Ten aanzien van de maatregel in de zin van artikel 38v Sr heeft de verdediging verzocht om de vervangende hechtenis te matigen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals uit het dossier en ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft aangever - zijn oom - meerdere malen bedreigd met de dood via WhatsApp. Deze bedreigingen hebben bij aangever serieuze gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt, zoals ook uit zijn aangifte en schriftelijke slachtofferverklaring naar voren is gekomen. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 11 september 2025. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor mishandeling.
Strafoplegging
Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat aan verdachte in de zaak met rekestnummer 25/7220, die tegelijkertijd met de onderhavige strafzaak is behandeld, een zorgmachtiging op grond van artikel 2.3, eerste lid, van de Wet forensische zorg (Wfz) is verleend. Daarnaast houdt de rechtbank in strafverminderende zin rekening met de omstandigheid dat het feit verminderd aan verdachte wordt toegerekend.
De rechtbank overweegt dat de nadruk moet liggen op zorg en hulpverlening. Het is van belang dat verdachte hulp en zorg krijgt, niet alleen voor verdachte zelf maar ook voor zijn omgeving en de maatschappij. Die hulp krijgt verdachte via de afgegeven zorgmachtiging.
Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van zeven dagen met aftrek van voorarrest. Alhoewel verdachte daarmee op de dag van de uitspraak de gevangenisstraf reeds heeft uitgezeten, ziet de rechtbank aanleiding om de voorlopige hechtenis van verdachte pas op te heffen op het tijdstip dat verdachte in het kader van de afgegeven zorgmachtiging in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) of een andere passende instelling kan worden geplaatst. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een door de strafrechter afgegeven zorgmachtiging in de zin van artikel 2.3 Wet Forensische Zorg valt aan te merken als een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel in de zin van artikel 72 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:2258).
Vrijheidsbeperkende maatregel
Daarnaast ziet de rechtbank ter bescherming van de maatschappij en ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten aanleiding om aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v Sr op te leggen. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat verdachte gedurende twee jaar geen direct of indirect contact mag hebben met aangever, en een locatieverbod, inhoudende dat verdachte zich gedurende twee jaar niet mag ophouden in de [adres] . Voor iedere keer dat verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden opgelegd voor de duur van zeven dagen (met een maximum van zes maanden).
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte – zonder de juiste behandeling en begeleiding – opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens aangever, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, Sr, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 38v, 38w en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
1 (één) week.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Legt op de
maatregeldat veroordeelde voor de duur van
2 (twee) jaar:
(1) op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met aangever [aangever] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] en
(2) zich niet bevindt in de [adres] .
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt
7 (zeven) dagenvoor
iedere keerdat niet aan de maatregel wordt voldaan, tot een maximum van
6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel
dadelijk uitvoerbaaris.
Heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenisop het moment dat veroordeelde is opgenomen in een kliniek in het kader van de ter terechtzitting afgegeven zorgmachtiging.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E. van den Brink, voorzitter,
mrs. A.M. Grüschke en J.J.M. Graat, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. K.M.S. Kamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 oktober 2025.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2025165620-2 p. 5 met bijlage p. 28.
2.Schriftelijk stuk, p. 28 t/m 38.