Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
[handelsnamen],
Rechtbank Amsterdam
In deze civiele procedure, behandeld door de Rechtbank Amsterdam, heeft de eisende partij een vordering ingesteld tegen de gedaagde partij voor een bedrag van € 423,45 aan hoofdsom, vermeerderd met rente en incassokosten. De eisende partij, een handelaar, stelt dat zij in opdracht van de gedaagde partij, een consument, diensten heeft geleverd in de vorm van een cursus. De gedaagde partij heeft echter niet alle facturen betaald. Tijdens de procedure heeft de gedaagde partij de vordering erkend, maar de kantonrechter heeft ambtshalve de informatieplichten getoetst die op de eisende partij rusten.
De kantonrechter heeft vastgesteld dat de eisende partij in de dagvaarding niet voldoende heeft uiteengezet welke informatieplichten van toepassing zijn en hoe deze zijn nageleefd. Dit gebrek aan informatie heeft het voor de kantonrechter onmogelijk gemaakt om de naleving van de informatieplichten te toetsen. Bovendien is de overeenkomst tussen partijen niet in het geding gebracht, waardoor het prijsbeding niet kon worden getoetst op transparantie. De kantonrechter heeft ook opgemerkt dat, indien de eisende partij algemene voorwaarden hanteert, deze in het geding moeten worden gebracht met een toelichting over de bedingen die aan de vordering ten grondslag liggen.
Uiteindelijk heeft de kantonrechter geoordeeld dat de eisende partij niet heeft voldaan aan haar stelplicht, wat heeft geleid tot de afwijzing van de vordering. De eisende partij is als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van de gedaagde partij zijn begroot op nihil. Het vonnis is uitgesproken op 5 december 2025 door mr. E. Pennink.