ECLI:NL:RBAMS:2025:9669

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
20/6992
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 4 Wet WIAArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de duurzaamheid van arbeidsongeschiktheid en redelijke termijn in WIA-uitkeringszaak

Eiser betwistte de vaststelling van het UWV dat hij per 4 april 2019 volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Na een wijziging van het bestreden besluit door het UWV, waarbij de arbeidsongeschiktheid per 1 oktober 2018 werd vastgesteld op 80-100%, bleef eiser het niet eens met de niet-duurzaamheid van zijn arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en beoordeelde het gewijzigde besluit inhoudelijk.

De rechtbank volgde het oordeel van de Centrale Raad van Beroep, die op basis van een deskundigenrapport van 25 maart 2024 concludeerde dat er geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. De rechtbank vond dat de rapporten van eiser onvoldoende waren om dit oordeel te weerleggen en dat er geen aanleiding was een onafhankelijke deskundige te benoemen.

Daarnaast behandelde de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ondanks dat de procedure ruim vijf jaar duurde, oordeelde de rechtbank dat dit niet aan het UWV te wijten was, mede omdat eiser zelf instemde met aanhouding in afwachting van een andere procedure. De rechtbank wees het beroep af, verklaarde het eerste beroep niet-ontvankelijk, en kende een proceskostenvergoeding toe aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde besluit is ongegrond verklaard en het UWV heeft terecht vastgesteld dat eiser volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 20/6992

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. V.Y. Jokhan),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. J.J. Grasmeijer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de voor hem vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid per 4 april 2019 (datum in geding).
2. Met een besluit van 6 januari 2020 heeft het Uwv vastgesteld dat eiser voor 44,65% arbeidsongeschikt blijft.
2.1.
Met een besluit van 19 augustus 2020 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is het Uwv bij dat besluit gebleven.
2.2.
Eiser heeft op 29 september 2020 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I. Op 21 januari 2020 is er een verweerschrift ingediend.
2.3.
Verweerder heeft verzocht om het beroep aan te houden tot er een uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep (de Raad) in een andere procedure van eiser ten aanzien van zijn arbeidsgeschiktheid met een eerdere datum in geding (1 oktober 2018). Eiser heeft hiermee ingestemd.
2.4.
Met een besluit van 22 april 2025 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bestreden besluit I gewijzigd in die zin dat het bezwaar van eiser gegrond wordt verklaard en nader wordt bepaald dat eiser per 1 oktober 2018 voor 80-100% arbeidsongeschikt is.
2.5.
Eiser heeft aangegeven zich met dit nieuwe besluit niet (volledig) te kunnen verenigen.
2.6.
De rechtbank heeft het beroepschrift van eiser, met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede gericht geacht tegen het bestreden besluit II.
2.7.
De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde deelgenomen. Het Uwv is – met voorafgaand bericht van afmelding – niet verschenen.
Standpunten partijen
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in het nieuwe besluit weliswaar terecht volledig, maar ten onrechte niet duurzaam arbeidsongeschikt is bevonden. Hij verwijst ter onderbouwing naar verschillende rapporten waaruit volgens hem blijkt dat eiser per datum in geding ook duurzaam arbeidsongeschikt is. Eiser verzoekt om, indien nodig, een onafhankelijk deskundige te benoemen om de duurzaamheid van eiser zijn arbeidsongeschiktheid te onderzoeken. Eiser verzoekt ook om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 van Pro het EVRM [1] .
4. Het Uwv benadrukt dat hij eiser in de beroepsprocedure deels tegemoet is gekomen nu in het aanvullend besluit van 22 april 2025 is vastgesteld dat eiser per
1 oktober 2018 voor 80-100% arbeidsongeschikt is. Voor wat betreft de duurzaamheid verwijst het Uwv naar de uitspraak van de Raad van 12 maart 2025 over de eerdere
WIA-aanvraag van eiser. Daarin is geoordeeld dat eiser per 1 oktober 2018 weliswaar volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Dat geldt volgens het Uwv ook voor onderhavige aanvraag.

Het oordeel van de rechtbank

5. De rechtbank stelt vast dat bestreden besluit I is gewijzigd met bestreden besluit II. Omdat bestreden besluit II in de plaats komt van bestreden besluit I, heeft eiser geen belang meer bij een beoordeling van bestreden besluit I. Het beroep tegen bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Wel bestaat daarin reden voor vergoeding van griffierecht en proceskosten.
6. De rechtbank beoordeelt bestreden besluit II, in het bijzonder of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat eiser volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
7. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Uitspraak Centrale Raad van Beroep
8. De vraag of eiser duurzaam en volledig arbeidsongeschikt is, is reeds eerder beoordeeld door de Raad. [2] In deze procedure is vastgesteld dat eiser per 1 oktober 2018 volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is.
9. Ten aanzien van het oordeel over de duurzaamheid van eiser zijn arbeidsongeschiktheid heeft de Raad het rapport van de in de hoger beroepsprocedure ingeschakelde derde-deskundige als volgt samengevat:
“De deskundige [naam 1] heeft in zijn nader rapport van 25 maart 2024 overwogen dat ook externe factoren een belangrijke rol spelen bij de uiting van aandoeningen, ziekte en letsel. [naam 1] heeft toegelicht dat er bij appellant geen sprake is van een ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden of een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. [naam 1] heeft benoemd dat de diverse rechtszaken van appellant een onderhoudende stressor zijn en bij het afsluiten van de juridische procedures een verbetering van de algehele medische situatie te verwachten is. Er wasen isvolgens [naam 1] geen sprake van duurzaamheid van de arbeidsbeperkingen”(onderstreping toegevoegd).
De Raad heeft vervolgens vastgesteld dat het gaat om een zorgvuldig, inzichtelijk en consistent rapport en volgt de conclusies uit het rapport. De Raad concludeert dat het Uwv eiser op 1 oktober 2018 terecht volledig, voor 80-100%, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt heeft beschouwd.
Is eiser per datum in geding duurzaam arbeidsongeschikt?
10. De rechtbank moet beoordelen of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op datum in geding wel volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is. Als eiser volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zou zijn, zou hij recht hebben op een IVA [3] -uitkering in plaats van een WGA [4] -uitkering.
11. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA [5] hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.
12. Het Uwv mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal eisen voldoen. Ze moeten zorgvuldig tot stand zijn gekomen, geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit wat in de rapporten staat. Het is aan eiser om uit te leggen – en als het nodig is ook aannemelijk te maken – dat de rapporten waarop het Uwv zijn besluiten baseert, niet aan deze eisen voldoen. Om aannemelijk te maken dat de gegeven medische beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus nodig.
13. De rechtbank verwijst naar het citaat uit de uitspraak van de Raad in rechtsoverweging 9. Daaruit blijkt expliciet dat het onderzoek van de derde-deskundige van 25 maart 2024 niet alleen ziet op de datum in geding in die zaak, maar ook op de periode erna. De derde-deskundige benadrukt namelijk dat er geen duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid was en dat er ook geen duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid is. Dat betekent dat hiermee ook een oordeel is gegeven over de duurzaamheid van onderhavige datum in geding. De Raad heeft vastgesteld dat dit onderzoek zorgvuldig is geweest. De rechtbank volgt dit oordeel van de Raad.
14. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser per datum in geding niet duurzaam arbeidsongeschikt is en dat hij met ingang van die datum geen recht heeft op een IVA-uitkering.
15. Ten overvloede stelt de rechtbank vast dat de documenten waar eiser naar heeft verwezen niet kunnen leiden tot een andere conclusie. Het rapport van de heer [naam 2] van 7 juni 2024 is reeds betrokken bij het oordeel van de Raad van 12 maart 2025. Uit de uitspraak van de Raad blijkt dat dit rapport van eiser in reactie op het rapport van de derde-deskundige is meegenomen [6] , maar dat dit de conclusie van de Raad niet anders maakt. [7] De rechtbank heeft geen reden dit anders te beoordelen, aangezien er geen nieuwe argumenten of inzichten zijn ingebracht die reden geven om te twijfelen aan het oordeel van de Raad. De eindrapportage van 12 september 2023 van de Commissie Geneeskundig Onderzoek Militairen te Utrecht ziet op een situatie die geruime tijd ná de datum in geding ligt. Ditzelfde geldt voor het rapport van de Veteranenombudsman van 11 februari 2025. Dat laatste document betreft bovendien een algemeen onderzoeksrapport en bevat geen bevindingen over de individuele situatie van eiser. De rapporten geven geen inzicht in een wezenlijke wijziging van de medische situatie ten opzichte van de datum in geding en kunnen de beoordeling van die datum niet beïnvloeden. Er is daarom ook geen aanleiding om een deskundige in te schakelen.
16. Gelet op bovenstaande heeft het Uwv terecht geoordeeld dat eiser volledig, maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is per datum in geding.
Redelijke termijn
17. Eiser heeft een verzoek ingediend om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. Volgens vaste rechtspraak moet de vraag of de redelijke termijn is overschreden worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De hoofdregel is dat de bezwaarfase een half jaar in beslag mag nemen en de beroepsfase anderhalf jaar, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur als de procedure in haar geheel niet meer dan twee jaar heeft geduurd. De te beoordelen periode begint op de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt tot de datum waarop de rechtbank einduitspraak doet. De omstandigheden van het geval kunnen rechtvaardigen dat een langere behandelduur aanvaardbaar is, zoals in een situatie waarin eiser zelf om aanhouding heeft verzocht. [8]
18. De rechtbank stelt vast dat de totale procedure meer dan twee jaar in beslag heeft genomen, namelijk vijf jaar en tien maanden, gerekend vanaf het bezwaarschrift van
16 januari 2020 tot heden. De rechtbank ziet echter geen aanleiding voor vergoeding wegens termijnoverschrijding, omdat haar niet kan worden verweten dat de procedure zo lang heeft geduurd. Het Uwv heeft op 21 januari 2021 verzocht om aanhouding van de zaak in afwachting van de hoger beroepsprocedure bij de Raad. Eiser heeft meermaals bevestigd de uitkomst van die procedure te willen afwachten, laatstelijk op 21 januari 2025. De rechtbank concludeert dat in dit geval de redelijke termijn van artikel 6 EVRM Pro niet is overschreden.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen bestreden besluit I. Het beroep is ongegrond voor zover gericht tegen bestreden besluit II.
20. Omdat het Uwv in beroep een gewijzigd besluit heeft genomen, krijgt eiser het griffierecht terug. Hij krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het Uwv moet de proceskostenvergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (2 punten). In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. Dit betekent dat de proceskostenvergoeding € 1.814,- bedraagt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond;
- bepaalt dat het Uwv het door eiser betaalde griffierecht van € 48,- vergoedt;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.A. van der Heijden, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, 12 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:368.
3.Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
4.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
5.De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
6.Zie de uitspraak van de Raad, 12 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:368, rechtsoverweging 3.8.
7.Zie de uitspraak van de Raad, 12 maart 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:368, rechtsoverweging 4.5.
8.Zie de uitspraak van de Raad, 28 augustus 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1691.