VLB Bouwservices (VLB) was onderaannemer in een bouwproject waarbij Mace Management Services (Mace) als hoofdaannemer optrad. Na het faillissement van AC PLC Netherlands, een tussenpartij, ontstond een geschil over de voortzetting van werkzaamheden en de financiële afwikkeling. VLB vorderde inzage in een schikkingsdocument tussen Mace en AC PLC, omdat zij meende dat dit relevant was voor haar rechtspositie en verhaalsmogelijkheden.
Eerder had VLB een incidentele vordering tot inzage ingediend in een bodemprocedure, die door de rechtbank was afgewezen. VLB startte vervolgens een verzoekschriftprocedure met dezelfde strekking en stelde dat de nieuwe bewijsregels een aparte beoordeling rechtvaardigen. Mace voerde verweer dat het verzoek strijdig was met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en dat VLB misbruik van procesrecht maakte.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek identiek was aan de eerder afgewezen vordering en dat de inhoudelijke beoordeling reeds had plaatsgevonden, ook al was dat onder het oude recht. Het verzoek kon daarom niet opnieuw worden beoordeeld zonder strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. VLB werd niet-ontvankelijk verklaard en veroordeeld in de proceskosten van €2.120,-, met wettelijke rente en uitvoerbaarheid bij voorraad.