ECLI:NL:RBAMS:2025:9671

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
774633 HA RK 25-286
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Belemmeringenwet Privaatrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van een verzoek tot inzage in een schikkingsdocument in het kader van een geschil tussen onderaannemers en hoofdaannemer

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoekschriftprocedure tussen VL Bouwservices B.V. (VLB) en Mace Management Services B.V. (Mace). VLB verzocht de rechtbank om inzage in een schikkingsdocument tussen Mace en AC PLC, inclusief onderliggende stukken. Dit verzoek volgde op een eerdere procedure waarin VLB een incidentele vordering had ingediend die was afgewezen. De rechtbank oordeelde dat VLB niet-ontvankelijk was in haar verzoek, omdat het indienen van een identiek verzoek in strijd was met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De rechtbank benadrukte dat VLB haar grieven tegen de eerdere afwijzing in hoger beroep moest aanvoeren, in plaats van een nieuw verzoek in te dienen. De rechtbank verklaarde VLB niet-ontvankelijk en veroordeelde haar in de proceskosten van Mace, die in totaal € 2.120,- bedroegen. De beslissing werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/774633 / HA RK 25-286
Beschikking van 18 december 2025
in de zaak van
VL BOUWSERVICES B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
verzoekster,
advocaat: mr. L. Driegen,
tegen
MACE MANAGEMENT SERVICES B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
verweerster,
advocaat: mr. J.J. Bakker.
De rechtbank noemt partijen hierna VLB en Mace.

1.De procedure

1.1.
In het dossier zitten de volgende stukken:
- het verzoekschrift met producties ingekomen op 26 augustus 2025,
- de producties van Mace,
- het verweerschrift,
- productie 12 van VLB,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 november 2025 en
de aantekeningen van de mondelinge behandeling.
1.2.
De rechtbank heeft ten slotte bepaald dat zij vandaag uitspraak doet.

2.De feiten

2.1.
Mace is als hoofdaannemer betrokken bij de bouw van een datacentrum voor Microsoft (hierna:
het Project). Zij heeft verschillende onderaannemers ingeschakeld die op
hun beurt weer eigen onderaannemers hebben ingeschakeld. Eén van de door Mace ingeschakelde onderaannemers was de naar het recht van Engeland en Wales opgerichte vennootschap AC PLC. AC PLC Netherlands B.V. (hierna:
AC PLC Netherlands) is een dochtermaatschappij van AC PLC en was ook betrokken bij het Project. VLB is een onderaannemer die door AC PLC Netherlands was ingeschakeld.
2.2.
Rond 9 augustus 2023 zijn AC PLC en AC PLC Netherlands gestopt met hun
werk voor het Project omdat zij financiële problemen hadden. Tussen 11 en 17 augustus 2023 hebben Mace en VLB overleg gehad over of VLB haar werk kon blijven doen. Uiteindelijk heeft Mace meegedeeld dat de samenwerking met VLB niet wordt voortgezet onder meer omdat VLB derdenbeslag had gelegd onder Mace ten laste van AC PLC Netherlands.
2.3.
Daarna is ten aanzien van AC PLC in het Verenigd Koninkrijk een insolventieprocedure gestart. Op 31 augustus 2023 heeft Mace naar aanleiding van het door VLB onder haar gelegde derdenbeslag verklaard dat AC PLC Netherlands nu of in de toekomst niets van Mace te vorderen heeft op grond van een nu bestaande overeenkomst of een andere verplichting. Op 4 september 2023 hebben Mace en AC PLC een schikking getroffen. Deze schikking is vastgelegd in een schriftelijk document (hierna:
het schikkingsdocument). De volgende dag is AC PLC Netherlands ook failliet verklaard.
2.4.
VLB heeft op 7 oktober 2024 een dagvaarding uitgebracht tegen Mace. Zij heeft daarin verschillende verklaringen voor recht en een schadevergoeding gevorderd van Mace. Daarvoor heeft VLB gesteld dat een overeenkomst tot stand is gekomen over de voortzetting van de werkzaamheden, dan wel dat Mace de onderhandelingen daarover op onrechtmatige wijze heeft afgebroken. Ook meent VLB dat Mace onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door haar derdenverklaring onjuist in te vullen en een schikking te treffen met de moedermaatschappij van AC PLC Netherlands. In deze procedure heeft VLB op 10 april 2025 met een beroep op artikel 194 Rv bij wijze van incidentele vordering inzage in het schikkingsdocument inclusief de onderliggende stukken gevorderd. Deze rechtbank heeft alle vorderingen van VLB, zowel in de hoofdzaak als in het incident, afgewezen in haar vonnis van 4 juni 2025 (hierna:
het vonnis). [1] Zij heeft de incidentele vordering beoordeeld naar oud recht. [2]
2.5.
VLB is daarna deze verzoekschriftprocedure gestart. Het verzoekschrift is bij de rechtbank ingekomen op 26 augustus 2025. Ook heeft VLB hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 4 juni 2025 door het uitbrengen van een dagvaarding in hoger beroep op 29 augustus 2025. Daarin vordert zij dat het gerechtshof, op nader aan te voeren gronden, het vonnis vernietigt en de vorderingen van VLB toewijst. De dagvaarding in hoger beroep is uitgebracht tegen 7 oktober 2025.

3.Het verzoek

3.1.
Samengevat verzoekt VLB dat de rechtbank:
primair
1. Mace beveelt om haar inzage te geven in het schikkingsdocument van 4 september 2023 tussen Mace en AC PLC, inclusief alle daarbij behorende onderliggende bescheiden;
subsidiair
2. Mace beveelt om haar inzage te geven in het schikkingsdocument van 4 september 2023 tussen Mace en AC PLC;
meer subsidiair
3. Mace beveelt het schikkingsdocument en de onderliggende bescheiden onder vertrouwelijke kennisneming aan de rechtbank over te leggen, zodat de rechtbank kan bepalen welke gedeelten relevant zijn voor de rechtspositie van VLB en deze aan VLB ter inzage geven;
in alle gevallen
4. Mace veroordeelt in de kosten van dit verzoek.
VLB verzoekt de rechtbank daarbij te bepalen dat de beschikking ook moet worden uitgevoerd als hoger beroep is ingesteld (uitvoerbaar bij voorraad).
Onderbouwing verzoek
3.2.
VLB heeft het volgende gesteld:
1) tussen partijen bestaat (althans: is voldoende aannemelijk) een rechtsbetrekking
in de zin van artikel 194 Rv, zowel uit hoofde van hun positie in dezelfde contractuele keten als uit mogelijke aansprakelijkheidsverhoudingen (onrechtmatige daad, ongerechtvaardigde verrijking), omdat aanwijzingen bestaan dat Mace door haar handelwijze verhaalsmogelijkheden van VLB heeft gefrustreerd.
2) aannemelijk is dat de financiële afwikkeling tussen Mace en AC PLC rechtstreeks relevant kan zijn voor de rechtspositie van VLB en haar verhaalsmogelijkheden. Juist daarom is inzage in het schikkingsdocument noodzakelijk. Daarmee is haar belang gegeven.
3) voor zover het schikkingsdocument slechts een samenvattende weergave bevat van de afspraken tussen Mace en AC PLC, is tevens de kennisname van de onderliggende correspondentie en bijlagen van belang. Zonder deze stukken kan de juridische en financiële strekking van de schikking niet volledig worden beoordeeld. Omdat centraal staat of door de gemaakte afspraken verhaalsmogelijkheden van VLB zijn gefrustreerd, is het noodzakelijk dat het gehele feitencomplex transparant wordt gemaakt.
3.3.
Mace voert verweer, waarop de rechtbank hierna ingaat.

4.De beoordeling

4.1.
In de eerste plaats voert Mace aan dat VLB niet-ontvankelijk is in het verzoek omdat dit in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De rechtbank heeft namelijk al geoordeeld over een identieke vordering van VLB en deze afgewezen. Een vonnis is alleen aantastbaar via de wettelijk geregelde rechtsmiddelen. VLB moet dus grieven tegen de afgewezen incidentele vordering richten als zij het daarmee niet eens is.
In de tweede plaats voert Mace aan dat VLB misbruik heeft gemaakt van procesrecht,
door haar verzoek op exact dezelfde gronden te baseren als haar incidentele vordering in de
bodemprocedure die de rechtbank reeds heeft afgewezen, en zij tegen het vonnis in de
bodemprocedure bovendien hoger beroep heeft ingesteld.
4.2.
Volgens Mace geeft het standpunt van VLB dat de bodemrechter de inzagevordering niet heeft getoetst aan de nieuwe bewijsregels geen aanleiding tot het starten van een nieuwe inzageprocedure in eerste aanleg. Zoals volgt uit de Memorie van Toelichting bij de overgangswet, zal het gerechtshof de inzagevordering in het hoger beroep in de bodemprocedure toetsen aan de regels van het nieuwe bewijsrecht, met ‘voldoende belang’ als vereiste en niet op grond van ‘rechtmatig belang’. Als de rechtbank hieraan voorbijgaat en tot inhoudelijke toetsing van het verzoek komt, zorgt dit voor een behandeling van dezelfde vordering (dan wel verzoek) in twee verschillende instanties, wat in strijd is met de regels van procesorde, aldus Mace.
4.3.
VLB is het daarmee niet eens. De rechtbank moet het verzoek beoordelen met toepassing van de nieuwe regeling van bewijsverrichtingen (artikelen 194 en 195 Rv) terwijl zij in het vonnis de incidentele vordering heeft beoordeeld aan de hand van het oude recht. VLB vraagt dus niet het vonnis op juistheid te beoordelen. Zij vraagt alleen om inzage in bepaalde gegevens, zodat het hoger beroep op basis van volledige informatie kan worden gevoerd. Dat is juist de bedoeling van de wetgever met de nieuwe regeling van voorlopige bewijsverrichtingen en daarom kan een verzoek vóór of naast lopende procedures worden ingezet, tot hier aldus VLB.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van VLB niet inhoudelijk kan worden beoordeeld. VLB wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. De redenen daarvoor zijn de volgende.
4.5.
Het verzoek van VLB is gebaseerd op artikel 195 lid 1 Rv. In dat artikel is bepaald dat de rechter op verzoek van de partij die daar op grond van artikel 194, eerste lid, eerste volzin, Rv recht op heeft, de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt (hierna kortheidshalve: inzageverzoek). Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan een dergelijk inzageverzoek worden gedaan voordat een zaak aanhangig is, of, als het geding aanhangig is gemaakt, voordat de zaak op de rol is ingeschreven. Na afloop van de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg kunnen voorlopige bewijsverrichtingen worden verzocht bij de rechtbank tot het moment dat de dagvaarding in hoger beroep is ingeschreven op de rol van het gerechtshof. In dit geval heeft VLB het verzoekschrift ingediend bij de rechtbank daags voordat zij hoger beroep heeft ingesteld. In zoverre kan VLB het inzageverzoek doen. Het verzoek stuit echter af op het volgende.
Strijd met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen
4.6.
Dit stelsel verzet zich tegen het opnieuw instellen van een vordering die al is afgewezen. De regeling van de rechtsmiddelen is een sluitend systeem in het geval dat partijen het niet eens zijn met de uitkomst van de procedure en het geschil opnieuw willen laten beoordelen door een (hogere) rechter. De beslissing om de incidentele vordering tot inzage af te wijzen kan dus alleen opnieuw worden beoordeeld door een rechter door het instellen van een rechtsmiddel. Hiermee wordt het belang van rechtszekerheid gediend.
4.7.
Het instellen van een identiek verzoek op dezelfde rechtsgronden tegenover dezelfde wederpartij als de eerdere incidentele vordering is in strijd met dit stelsel. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, is het van belang of het verzoek (of de vordering) eerder inhoudelijk is behandeld.
4.8.
In de eerste plaats moet de rechtbank dus beoordelen of het nieuw ingestelde verzoek dezelfde inhoud en strekking heeft als de incidentele vordering waarop de rechtbank al eerder heeft beslist in het vonnis. Het inzageverzoek van VLB ziet op het schikkingsdocument en onderliggende stukken. Dat zijn dezelfde documenten als waarvan zij inzage vorderde in het incident. VLB heeft het inzageverzoek ook gebaseerd op dezelfde feiten als het incident; er zijn geen nieuwe feiten of (een wijziging van) omstandigheden gesteld anders dan gewijzigde wetgeving. Het verzoek heeft dus dezelfde inhoud en strekking als de incidentele vordering.
4.9.
In de tweede plaats is van belang of deze rechtbank de incidentele vordering inhoudelijk heeft beoordeeld. Dat is het geval. De rechtbank is in het vonnis tot de conclusie gekomen dat de incidentele vordering tot inzage moet worden afgewezen, omdat VLB geen rechtmatig belang heeft bij inzage in het schikkingsdocument. Ter onderbouwing van dit oordeel verwijst zij daarbij naar haar beoordeling in de hoofdzaak. De rechtbank komt daarin tot het oordeel dat, kort gezegd, er geen rechtsbetrekking bestaat tussen VLB en Mace, noch uit hoofde van hun positie in de contractuele keten, noch uit aansprakelijkheidsverhoudingen (die niet bestaan).
4.10.
De rechtbank heeft dus het inzageverzoek inhoudelijk al beoordeeld in de eerdere dagvaardingsprocedure. Dat zij dit heeft gedaan aan de hand van de oude regeling en dat nu de nieuwe regeling van toepassing is, maakt niet dat de rechtbank nogmaals op het inzageverzoek dient te beslissen. Bovendien heeft de rechtbank in de dagvaardingsprocedure al geoordeeld dat de rechtsbetrekking tussen VLB en Mace ontbreekt. Dit vereiste geldt zowel in de oude regeling als in de nieuwe regeling. [3] Indien VLB het met dit oordeel niet eens is, zal zij in het door haar aanhangig genaakte hoger beroep hiertegen grieven moeten richten. Het gerechtshof zal eventuele grieven tegen de afwijzing van de incidentele vordering beoordelen aan de hand van de nieuwe regeling. [4] Een inhoudelijke beoordeling van het verzoek door deze rechtbank zou dus het risico meebrengen van tegenstrijdige beslissingen. Een van de doelen van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is nu juist om dat te voorkomen.
4.11.
De rechtbank neemt het verzoek dus niet in behandeling, omdat sprake is van strijd met het stelsel van wettelijke rechtsmiddelen. VLB is daarom niet-ontvankelijk in het verzoek.
Proceskosten
4.12.
VLB krijgt dus ongelijk. Dit betekent dat zij de proceskosten van Mace moet betalen. Mace verzoekt de rechtbank om VLB te veroordelen in de reële proceskosten, althans een proceskostenveroordeling met toepassing van het dubbele liquidatietarief. Daarvoor voert zij aan dat de procedure voorshands kansloos is, omdat het evident is dat deze inzageprocedure in strijd is met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De proceskosten zijn daarom onnodig gemaakt. VLB betwist dit.
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat veroordeling in de reële proceskosten alleen in uitzonderlijke gevallen plaatsvindt. Zo’n verzoek is namelijk alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. [5] Daarvan is in dit geval geen sprake. Anders dan Mace betoogt, was niet op voorhand al duidelijk dat het inzageverzoek kansloos was omdat de wetgeving van de voorlopige bewijsverrichtingen is gewijzigd en het incident naar oud recht is beoordeeld. De rechtbank past daarom de gebruikelijke tarieven toe bij het vaststellen van de proceskosten:
- griffierecht € 714,-
- salaris advocaat € 1.228,- (2 punten × tarief € 614)
- nakosten € 178,- (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.120,-
4.14.
Ten slotte wijst de rechtbank de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toe.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart VLB niet-ontvankelijk in het verzoek;
5.2.
veroordeelt VLB in de proceskosten van € 2.120,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als zij niet op tijd aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet VLB € 92,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
5.3.
veroordeelt VLB in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
5.4.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. V.G.T. van Emstede, rechter, bijgestaan door mr. D.K.W. Collins, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2025.

Voetnoten

1.Zie ECLI:NL:RBAMS:2025:3582 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)
2.Artikel 843a (oud) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
3.Vergelijk artikel 843a Rv en 194 lid 1 Rv. Zie ook MvT 35 498 nr 3
4.Zie ECLI:NL:GHARL:2025:4503 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/), r.o. 3.1 tot en met 3.3