ECLI:NL:RBAMS:2025:9725
Rechtbank Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd na tijdelijke contracten
De werkneemster en werkgever hadden meerdere tijdelijke arbeidsovereenkomsten gesloten, te weten twee LIO-overeenkomsten en een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 augustus 2024 tot 31 juli 2025. Na een proeftijdbeëindiging die werd teruggedraaid, is de arbeidsovereenkomst voortgezet met een vermindering van uren van 32 naar 28 per week.
De kern van het geschil betrof de vraag of er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan op grond van artikel 7:668a BW. De kantonrechter concludeerde dat er sprake was van één arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die rechtsgeldig is geëindigd en dat de vermindering van uren geen uitbreiding was die tot een onbepaalde tijdsovereenkomst leidde.
De werkneemster kon niet aantonen dat zij vanaf februari 2025 32 uur per week werkte, wat relevant zou zijn voor het ontstaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Ook de tweede LIO-overeenkomst werd niet als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangemerkt.
De kantonrechter wees het verzoek af en veroordeelde de werkneemster tot betaling van de proceskosten van de werkgever.
Uitkomst: Er is geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan; het verzoek wordt afgewezen.