Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2025:9725

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
11903563 EA VERZ 25-1162
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:668a BWArt. 2.3 lid 3 Cao Middelbaar beroepsonderwijs
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd na tijdelijke contracten

De werkneemster en werkgever hadden meerdere tijdelijke arbeidsovereenkomsten gesloten, te weten twee LIO-overeenkomsten en een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 1 augustus 2024 tot 31 juli 2025. Na een proeftijdbeëindiging die werd teruggedraaid, is de arbeidsovereenkomst voortgezet met een vermindering van uren van 32 naar 28 per week.

De kern van het geschil betrof de vraag of er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd was ontstaan op grond van artikel 7:668a BW. De kantonrechter concludeerde dat er sprake was van één arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die rechtsgeldig is geëindigd en dat de vermindering van uren geen uitbreiding was die tot een onbepaalde tijdsovereenkomst leidde.

De werkneemster kon niet aantonen dat zij vanaf februari 2025 32 uur per week werkte, wat relevant zou zijn voor het ontstaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Ook de tweede LIO-overeenkomst werd niet als arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangemerkt.

De kantonrechter wees het verzoek af en veroordeelde de werkneemster tot betaling van de proceskosten van de werkgever.

Uitkomst: Er is geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan; het verzoek wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11903563 \ EA VERZ 25-1126
Proces-verbaal van de mondelinge behandeling van een verzoek van 4 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: werkneemster,
gemachtigde: mr. M. Kluft,
tegen
de stichting REGIONAAL OPLEIDINGEN CENTRUM VAN AMSTERDAM-FLEVOLAND,
te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: werkgever,
gemachtigde: mr. S.E.H. van Thoor.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. C. Kraak, kantonrechter, bijgestaan door mr. M. Hillebrink als griffier.
Aanwezig zijn:
- [verzoeker] in persoon, vergezeld door [naam 1] en bijgestaan door de gemachtigde;
- namens werkgever [naam 2] (HR-adviseur) en [naam 3] (arbeidsjurist), bijgestaan door de gemachtigde.
Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

1.De feiten

1.1.
Partijen hebben met elkaar een LIO-overeenkomst gesloten voor de periode van 16 november 2022 tot en met 31 augustus 2023. Vervolgens hebben partijen een tweede LIO-overeenkomst gesloten voor de periode van 19 september 2023 tot en met 31 juli 2024. Daarna zijn partijen een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met elkaar aangegaan met ingang van 1 augustus 2024 tot en met 31 juli 2025, voor 32 uur per week.
1.2.
Nadat werkneemster had meegedeeld dat zij slechts 8 uur per week kon werken, heeft werkgever de arbeidsovereenkomst op 30 augustus 2024 tijdens de proeftijd beëindigd. Vervolgens maakte werkneemster hiertegen bezwaar en hebben partijen daarover gecorrespondeerd. Op 10 september 2024 is werkneemster opnieuw werkzaamheden voor werkgever gaan verrichten.
1.3.
Op 23 mei 2025 heeft werkgever aan werkneemster meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet wordt verlengd.

2.De beoordeling

2.1.
Tussen partijen is in geschil of al dan niet een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in de zin van artikel 7:668a BW is ontstaan.
2.2.
Uit artikel 2.3 lid 3 van de Cao Middelbaar beroepsonderwijs volgt dat bij tijdelijke uitbreidingen van de betrekkingsomvang die niet leiden tot een werktijdfactor groter dan 1 eveneens hetgeen is bepaald in artikel 7:668a BW geldt.
2.3.
Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat het ontslag tijdens de proeftijd is teruggedraaid en is afgesproken dat de bestaande arbeidsovereenkomst zal worden voortgezet, waarbij de uren worden verlaagd van 32 uur naar 28 uur met ingang van 1 oktober 2024. Dit staat letterlijk in de mails van beide partijen van 30 september 2024 en van 1 oktober 2024. Ook volgt uit het feit dat werkneemster in augustus en september 2024 de volledige 32 uur is uitbetaald dat er in september 2024 niet een nieuwe arbeidsovereenkomst is gesloten voor 8 uur per week. Werkneemster is vanaf 1 oktober 2024 28 uur per week gaan werken tot in ieder geval 1 februari 2025. Daarbij gaat het niet om een uitbreiding, maar om een vermindering. Gelet op het voorgaande is sprake van één arbeidsovereenkomst voor deze periode. De vraag of daarna een nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan omdat werkneemster vanaf 1 februari 2025 32 uur zou zijn gaan werken (wat overigens niet is gebleken) is niet relevant. Dan zou slechts sprake zijn van twee contracten voor bepaalde tijd, zodat geen arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Hetzelfde geldt voor de tweede LIO-overeenkomst. Zelfs indien deze overeenkomst als arbeidsovereenkomst zou worden aangemerkt (wat gelet op de betwisting van werkgever niet het geval is), wordt het maximum aantal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd niet overschreden.
2.4.
De conclusie is dat sprake was van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die rechtsgeldig van rechtswege is geëindigd. De verzoeken van werkneemster worden dan ook afgewezen. Werkneemster zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van ROC vast op € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 67,50 nakosten.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst het verzoek af;
3.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van ROC van € 881,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe.
Deze mondelinge beschikking is gegeven door mr. C. Kraak, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.