In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 28 november 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van medeplegen van zakkenrollerij. De verdachte, geboren in Roemenië en zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, werd beschuldigd van het stelen van een portemonnee van een 91-jarig slachtoffer. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte op 28 augustus 2025 samen met medeverdachten een vooropgezet plan heeft uitgevoerd om het slachtoffer te beroven. De verdachte heeft ontkend betrokken te zijn bij de diefstal, maar de rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was, waaronder camerabeelden en verklaringen van medeverdachten, die de betrokkenheid van de verdachte bevestigden. De rechtbank sprak de verdachte vrij van twee andere tenlastegelegde feiten, maar achtte de diefstal van de portemonnee bewezen. De officier van justitie had een gevangenisstraf van negen maanden geëist, maar de rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werden vorderingen van benadeelde partijen behandeld, waarbij de rechtbank de vordering van het slachtoffer dat niet betrokken was bij de bewezenverklaring niet ontvankelijk verklaarde, maar de vordering van het slachtoffer dat wel betrokken was, werd toegewezen. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op.