ECLI:NL:RBAMS:2025:9873

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
C/13/762578 / HA ZA 25-62
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging overeenkomst van opdracht tussen [eiser] B.V. en Ariez Holding B.V. met betrekking tot adviesdiensten

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 29 oktober 2025 uitspraak gedaan in een civiele procedure tussen [eiser] B.V. en Ariez Holding B.V. De zaak betreft de beëindiging van een overeenkomst van opdracht waarbij [eiser] B.V. Ariez Holding B.V. zou adviseren en begeleiden bij de verkoop van twee ondernemingen. De overeenkomst werd op 6 juli 2021 gesloten, maar Ariez Holding heeft deze op 25 mei 2022 opgezegd, met als einddatum 6 juli 2022. [eiser] B.V. vorderde betaling van een factuur voor geleverde diensten, terwijl Ariez Holding B.V. betwistte dat [eiser] B.V. recht had op deze betaling, omdat zij niet de volledige looptijd van de overeenkomst had gewerkt. De rechtbank oordeelde dat [eiser] B.V. geen recht had op aanvullend loon of vergoeding op basis van de algemene voorwaarden, omdat de overeenkomst voor bepaalde tijd was aangegaan en rechtsgeldig was opgezegd. De vorderingen van [eiser] B.V. werden afgewezen, en Ariez Holding B.V. werd in het ongelijk gesteld in haar reconventionele vorderingen. De proceskosten werden toegewezen aan Ariez Holding, maar de rechtbank wees het verzoek om vergoeding van daadwerkelijke proceskosten af, omdat er geen sprake was van misbruik van procesrecht.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/762578 / HA ZA 25-62
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M. Van Schoonhoven,
tegen
ARIEZ HOLDING B.V.,
gevestigd in Zaanstad,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Ariez Holding,
advocaat: mr. B.J.L. Baas.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] en Ariez Holding hebben een overeenkomst van opdracht gesloten die inhoudt dat [eiser] Ariez Holding zal begeleiden en adviseren bij de verkoop van de twee ondernemingen waarvan zij de aandelen houdt. Partijen zijn een honorarium overeengekomen bestaande uit een vaste vergoeding en een commissie voor [eiser] bij een geslaagde transactie. De samenwerking is beëindigd zonder dat de ondernemingen zijn verkocht.
1.2.
[eiser] vindt dat zij recht heeft op een vergoeding van de uren die zij heeft gewerkt aan de opdracht en vraagt betaling van de factuur die daarop ziet. Ariez Holding vindt op haar beurt dat [eiser] niet de hele looptijd van de overeenkomst voor haar gewerkt heeft en wil daarom een deel terug van de vergoeding die zij al betaald heeft.
1.3.
De rechtbank wijst de vorderingen van [eiser] af omdat zij geen aanspraak kan maken op aanvullend loon; niet op basis van de overeenkomst (inclusief de algemene voorwaarden) en ook niet op basis van de wet. Ook de vorderingen van Ariez Holding worden grotendeels afgewezen, omdat zij niet teveel heeft betaald.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 17 december 2024, met producties,
  • de conclusie van antwoord, tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties,
  • de conclusie van antwoord in reconventie,
  • de akte overlegging producties 40 tot en met 44 van [eiser] ,
  • het tussenvonnis van 14 mei 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
  • het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 september 2025 en de daarin genoemde stukken.

3.De feiten

3.1.
[eiser] is een adviesbureau dat aan- en verkooptrajecten van media- en technologiebedrijven begeleidt. De bestuurder van [eiser] is M. [eiser] .
3.2.
Ariez Holding is een houdstermaatschappij die de aandelen houdt van Ariez B.V. en Ariez International B.V. De bv’s richten zich op het uitgeven van medische tijdschriften en het verlenen van advies aan farmaceutische bedrijven. De bestuurder van Ariez Holding is [naam 4] .
3.3.
Op 6 juli 2021 hebben [eiser] en Ariez Holding een overeenkomst gesloten op grond waarvan [eiser] Ariez Holding zal adviseren en begeleiden bij de verkoop van Ariez B.V. en Ariez International B.V. (hierna: de overeenkomst). Daarin staan de volgende bepalingen:
A. Opdracht & termijn.Mijn opdracht wordt verstrekt voor de periode van één jaar en zal telkens stilzwijgend met een jaar worden verlengd. (…)
D. Honorarium.Het honorarium voor [eiser] bestaat uit twee componenten:
1. een vast honorarium (Engagement Fee) van € 15.000 (EUR vijftienduizend) ex. BTW. Dit bedrag wordt gedeclareerd bij aanvang van de opdracht en betaling van deze declaratie zal binnen veertien dagen geschieden. Dit deel van het honorarium is eenmalig gedurende de looptijd van de opdracht.
2. Bij realisatie van de Transactie: Een honorarium van 5% (vijf) ex BTW over de “Bruto Transactiewaarde” tot en met € 1.000.000 verhoogd met: (…)
Alle door [eiser] B.V. aangegane overeenkomsten vinden plaats onder de bijgevoegde ‘Algemene Voorwaarden’.
3.4.
In de algemene voorwaarden van [eiser] staat:
Artikel 1: Toepassingsgebied
(…) Bij onverenigbaarheid tussen deze Algemene Voorwaarden en een schriftelijke overeenkomst van opdracht prevaleert de laatstgenoemde.
Artikel 2: Duur van de overeenkomst
Overeenkomsten tussen [eiser] en haar opdrachtgevers duren tot het moment waarop de daaruit voortvloeiende opdrachten volledig zijn uitgevoerd of tussentijds rechtsgeldig zijn opgezegd.
Artikel 3: Tussentijdse beëindiging
Zowel [eiser] als opdrachtgever is te allen tijde bevoegd de overeenkomst van opdracht op te zeggen. Ingeval van tussentijdse opzegging van een overeenkomst van opdracht door een van beide partijen zal [eiser] zijn ontslagen uit alle verplichtingen voortvloeiende uit de betreffende overeenkomst. Dit artikel laat de werking van artikel 4 onverlet.
Artikel 4: Financiële gevolgen van tussentijdse beëindiging
Ingeval opdrachtgever, al dan niet na overleg met [eiser] een overeenkomst eenzijdig opzegt of niet tijdig nakomt, is [eiser] gerechtigd alle ten behoeve van de opdracht verrichte werkzaamheden bij de opdrachtgever in rekening te brengen tegen het geldende uurtarief van EUR 225 (tweehonderd vijfentwintig euro). Opdrachtgever. (…)
Artikel 6: Tarieven en betalingscondities(…)
Opdrachtgever dient declaraties binnen 14 (veertien) dagen na de declaratiedatum volledig te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is opdrachtgever zonder nadere ingebrekestelling in verzuim, vanaf welk moment alle door [eiser] te maken kosten ter verkrijging van voldoening in en buiten rechte voor rekening zijn van opdrachtgever, waaronder inbegrepen maar niet beperkt tot de kosten van rechtsbijstand.
3.5.
Op 25 mei 2022 heeft Ariez Holding [eiser] een brief gestuurd waarin staat:
Hierbij zeg ik het samenwerkingscontract dat wij gesloten hebben, op tegen 6 juli 2022 (uitgaande van de datum van contract-sluiting tussen ons, te weten dd. 6 juli 2021).
Ik waardeer jouw inzet over de afgelopen periode voor mijn firma, maar wil n mijn handen vrij hebben. Graag ontvang ik nog voor 6 juli 2022 as. een update van de bedrijven waar jij tot heden contact mee hebt gehad in het kader van de overeenkomst. Graag met de namen van de contactpersonen die daarbij horen en de uitkomst. (…)
3.6.
Op 27 mei 2022 heeft [eiser] per mail het volgende teruggestuurd:
(…) Dank voor je mail en bevestig hierbij je opzegging van onze overeenkomst per 6-7 as. (…) De komende weken ga ik ook de afrekening opstellen, conform artikel 3 en 4 van de Algemene Voorwaarden. (…)
3.7.
Op 30 mei 2022 heeft [eiser] de partijen waarmee zij in gesprek was over de verkoop van de Ariez B.V. en Ariez International B.V. de volgende mail gestuurd:
Beste [naam 2] en [naam 3] ,
Hoop dat alles goed met jullie gaat. Hierbij de mededeling aan mijn werkzaamheden voor Ariez Holding een einde is gekomen. Mevrouw [naam 4] , [functie] , neemt de lopende gesprekken over, haar emailadres staat in de cc van deze mail. Uiteraard ben ik, indien gewenst, beschikbaar voor nadere toelichting.(…)
3.8.
Op 10 juni 2022 heeft [eiser] een lijst van alle bedrijven waarmee zij contact heeft gehad aan Ariez Holding verstuurd. In deze e-mail heeft [eiser] ook een potentiële koper die zij nog niet had benaderd genoemd en aangeboden om een zogenoemde Investment Teaser (een kort overzicht van de belangrijkste informatie over Ariez B.V. en Ariez International B.V.) naar dit bedrijf toe te sturen.
3.9.
Op 13 juli 2022 heeft [eiser] een overzicht van haar gewerkte uren naar Ariez Holding gestuurd.
3.10.
Op 27 juli 2022 heeft Ariez Holding per e-mail aan [eiser] laten weten dat zij de gemaakte uren betwist en dat zij zich op grond van de overeenkomst niet gehouden acht om een vergoeding voor gemaakte uren te betalen.
3.11.
Op 16 augustus 2022 heeft [eiser] een factuur voor € 66.701,25 aan Ariez Holding gestuurd. Ariez Holding heeft de factuur niet betaald.
3.12.
Op 6 december 2024 heeft [eiser] conservatoir beslag gelegd op een bankrekening van Ariez Holding bij de ABN Amro Bank en op onroerend goed van Ariez Holding.

4.De vorderingen

in conventie
4.1.
[eiser] vordert samengevat dat de rechtbank Ariez Holding veroordeelt tot betaling van:
een hoofdsom van € 74.725,25, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente,
de beslagkosten van € 2.996,22,
de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.775,
de kosten van deze procedure en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[eiser] vraagt de rechtbank de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Ariez Holding de overeenkomst heeft opgezegd en dat zij daarom op grond van artikel 4 van de algemene voorwaarden een vergoeding moet betalen voor de door [eiser] verrichte werkzaamheden tegen een uurtarief van € 225. Daarom heeft zij € 66.701,25 gefactureerd aan Ariez Holding. Op grond van artikel 6 van de algemene voorwaarden moet Ariez Holding ook de kosten van rechtsbijstand van € 8.024 van [eiser] betalen. Als de rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een opzegging is Ariez Holding [eiser] op grond van artikel 7:405 lid 2 BW en/of de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid een redelijk loon verschuldigd. Het uurtarief van € 225 is redelijk en gebruikelijk in de branche waarin [eiser] actief is.
in reconventie
4.3.
Ariez Holding vordert samengevat dat de rechtbank:
voor recht verklaart dat:
[eiser] in conventie niets te vorderen heeft uit hoofde van de overeenkomst,
[eiser] jegens Ariez Holding wanprestatie heeft gepleegd door niet tot 6 juli 2022 werkzaamheden te verrichten,
[eiser] vexatoir beslag heeft laten leggen ten laste van Ariez Holding,
[eiser] ongegrond beslag heeft laten leggen ten laste van Ariez Holding;
[eiser] veroordeelt tot betaling van:
een hoofdsom van € 1.520,52 (exclusief btw), dan wel een bedrag dat de rechtbank juist en billijk voorkomt,
de bankkosten die zijn afgeschreven van de bankrekening van Ariez Holding als gevolg van het beslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van afschrijven,
de kosten van deze procedure en de nakosten.
Ook Ariez Holding vraagt de rechtbank de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4.4.
Ariez Holding legt aan de vorderingen ten grondslag dat partijen zijn overeengekomen dat [eiser] een jaar werkzaamheden zou verrichten voor Ariez Holding tegen een vergoeding van € 15.000. [eiser] heeft op 30 mei 2022, 37 dagen voor het verstrijken van een volledig jaar, haar werkzaamheden neergelegd. Hierdoor heeft Ariez Holding € 1.520,52 (€ 15.000 / 365 X 37) onverschuldigd betaald aan [eiser] . Als de rechtbank daar niet in meegaat, stelt Ariez Holding dat [eiser] tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat zij daarom € 1.520,52 als schadevergoeding moet betalen. Daarnaast is het beslag dat [eiser] heeft laten leggen ten laste van Ariez Holding ongegrond en onrechtmatig en heeft Ariez Holding daardoor kosten gemaakt die [eiser] zou moeten vergoeden.
4.5.
Partijen hebben elkaars vorderingen over en weer betwist. De standpunten komen voor zover nodig hierna bij de beoordeling aan de orde.

5.De beoordeling

in conventie
Ariez Holding is geen honorarium op basis van het uurtarief verschuldigd
5.1.
[eiser] stelt dat Ariez Holding met de brief van 25 mei 2022 de overeenkomst per direct heeft opgezegd. Voor zover Ariez Holding de overeenkomst per 6 juli 2022 bedoelde op te zeggen geldt dat volgens [eiser] ook als een opzegging zoals bedoeld in artikel 4 van de algemene voorwaarden, waardoor gewerkte uren moeten worden afgerekend volgens uurtarief. Partijen zijn de overeenkomst niet voor één jaar aangegaan en de bepaling onder A (zie 3.3) is alleen opgenomen omdat het door de coronacrisis langer kon duren dan gebruikelijk of niet zou lukken om de ondernemingen te verkopen. In dat geval zou Ariez Holding de overeenkomst kunnen beëindigen en de door [eiser] tot dan toe gewerkte uren moeten betalen. [eiser] heeft dit uitgelegd aan [naam 4] tijdens een mondeling overleg op 2 juli 2021, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst.
5.2.
Volgens Ariez Holding is de overeenkomst gesloten voor één jaar en is die op 6 juli 2022 geëindigd doordat zij op 25 mei 2022 heeft meegedeeld de overeenkomst na verloop van het jaar niet te zullen verlengen. Daarnaast betwist Ariez Holding dat tijdens het overleg op 2 juli 2021 is besproken dat als zij de overeenkomst na één jaar zou beëindigen [eiser] haar gewerkte uren in rekening zou brengen.
5.3.
De rechtbank oordeelt dat de overeenkomst is aangegaan voor bepaalde tijd, namelijk één jaar, na één jaar is geëindigd en dat geen sprake is van een tussentijdse opzegging zoals bedoeld in de algemene voorwaarden.
5.4.
Wat partijen met elkaar hebben afgesproken wordt niet uitsluitend beoordeeld aan de hand van de tekst van de overeenkomst, maar ingevuld met wat partijen over en weer hebben verklaard, uit elkaars gedragingen hebben afgeleid en daar in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs uit mochten afleiden.
5.5.
De rechtbank kan niet vaststellen dat [eiser] en Ariez Holding de door [eiser] voorgestane uitleg van de overeenkomst op 2 juli 2021 hebben besproken. Ariez Holding heeft dat betwist en [eiser] heeft dat niet onderbouwd. Omdat partijen verder geen omstandigheden hebben aangevoerd die voor een bepaalde uitleg pleiten, kijkt de rechtbank in dit geval vooral naar de tekst van de overeenkomst en de algemene voorwaarden.
5.6.
De tekst van de overeenkomst is over de looptijd duidelijk: de opdracht wordt verstrekt voor de periode van één jaar en wordt telkens stilzwijgend met een jaar verlengd. Het gaat hier dus om een overeenkomst voor bepaalde tijd (één jaar). Over hoe de stilzwijgende verlenging moet worden voorkomen, is niets bepaald in de overeenkomst of de algemene voorwaarden. In de algemene voorwaarden is over de duur van de overeenkomst in artikel 2 iets anders opgenomen. Op grond van artikel 1 gaat in dit geval de bepaling uit de overeenkomst zelf dan voor.
5.7.
De rechtbank oordeelt dat Ariez Holding met de brief van 25 mei 2022 de overeenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd tegen het einde van de looptijd en daarmee (stilzwijgende) verlenging heeft voorkomen. In de brief staat duidelijk dat zij de overeenkomst opzegt tegen 6 juli 2022, uitgaande van 6 juli 2021 als contractdatum. Bovendien heeft [eiser] in zijn reactie op de brief bevestigd dat de overeenkomst op die datum zou eindigen. Kennelijk heeft hij de beëindiging van de overeenkomst ook per die datum begrepen. Er is dus geen sprake van een opzegging ‘per direct’. Dat betekent dat de overeenkomst is geëindigd door het verstrijken van de tijd waarvoor zij is aangegaan. Daarmee is geen sprake van een “tussentijdse beëindiging” zoals bedoeld in de algemene voorwaarden en is er dus geen aanleiding voor een afrekening op basis van gewerkte uren. Ariez Holding hoefde de factuur van 16 augustus 2022 daarom niet te betalen.
Geen redelijk loon verschuldigd
5.8.
Als de rechtbank de door haar voorgestane uitleg van de bepalingen over opzegging en honorarium niet volgt, maakt [eiser] aanspraak op een redelijk loon, in te vullen met gewerkte uren en haar uurtarief. Zij baseert zich daarbij op artikel 7:405 BW en de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW. Ariez Holding heeft betwist dat [eiser] nog recht heeft op aanvullend loon.
5.9.
Uit artikel 7:405 lid 2 BW volgt dat als loon verschuldigd is, maar de hoogte daarvan niet door partijen is bepaald, de opdrachtgever (hier Ariez Holding) het op de gebruikelijke wijze berekende loon of een redelijk loon moet betalen. Uit artikel 6:248 lid 1 BW volgt dat een overeenkomst niet alleen de door partijen overeengekomen rechtsgevolgen heeft, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Dit wordt de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid genoemd.
5.10.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] geen beroep toekomt op deze bepaling en dit leerstuk, omdat partijen de hoogte van het loon wél hebben bepaald en er daarom geen aanleiding is om de overeenkomst aan te vullen. Daarvoor legt de rechtbank ook hier de overeenkomst tussen partijen uit.
5.11.
In artikel D van de overeenkomst (zie 3.3) is een honorarium overeengekomen dat bestaat uit twee componenten: een vast honorarium (Engagement Fee) van € 15.000 en, bij een geslaagde transactie, een percentage van de bruto transactiewaarde. De rechtbank begrijpt hieruit dat bedoeld is [eiser] een vast honorarium van € 15.000 toe te kennen, ook als het niet tot een geslaagde transactie komt, en daarnaast een succesfee als een transactie tot stand komt. Dat partijen verzuimd hebben afspraken te maken over een vergoeding voor de werkzaamheden van [eiser] en dat gat met redelijk loon zou moeten worden opgevuld, is de rechtbank niet gebleken. [eiser] heeft op de zitting gezegd dat op 2 juli 2021 is besproken dat het vaste honorarium geen vergoeding was voor haar werkzaamheden, maar dat daar alleen tegenover stond dat zij zich zou committeren aan de opdracht, haar naam aan die van Ariez Holding zou verbinden en geen concurrerende opdrachten zou aannemen. Dit is echter door Ariez Holding betwist en door [eiser] niet onderbouwd. De rechtbank kan deze gang van zaken daarom niet vaststellen.
5.12.
Uit het voorgaande volgt dat Ariez Holding geen betaling meer aan [eiser] verschuldigd is en de vordering van [eiser] dus wordt afgewezen. De vorderingen van [eiser] die zien op de kosten die zij heeft gemaakt voor het innen van die vordering en het leggen van beslag in verband met die vordering worden daarom ook afgewezen.
Proceskosten
5.13.
[eiser] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Ariez Holding betalen. Die proceskosten worden normaal gesproken vastgesteld aan de hand van vaste door de rechtbanken gehanteerde tarieven, die meestal lager zijn dan de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Ariez Holding heeft de rechtbank verzocht om [eiser] te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten, omdat zij zou hebben geweten dat de ingestelde vorderingen geen kans van slagen hadden en zij desondanks deze procedure is begonnen. De rechtbank wijst dat verzoek af. Een vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten wordt alleen in uitzonderlijke gevallen toegewezen. Er moet dan sprake zijn van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. De rechtbank vindt dat daarvan hier geen sprake is. De proceskosten van Ariez Holding worden daarom op de gebruikelijke wijze berekend en worden vastgesteld op:
- griffierecht
2.889,00
- salaris advocaat
2.428,00
(2 punten × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.495,00
in reconventie
Geen belang bij verklaring voor recht over conventionele vorderingen
5.14.
Ariez Holding vordert voor recht te verklaren dat [eiser] in conventie niets van haar te vorderen heeft uit hoofde van de overeenkomst die onderwerp is van deze procedure. Dit deel van de vordering in reconventie is feitelijk een conclusie in conventie. Aangezien de rechtbank haar oordeel over de vordering in conventie daar al heeft gegeven, heeft Ariez Holding geen belang bij deze vordering in reconventie. [1] De gevorderde verklaring voor recht wordt daarom afgewezen.
Geen onverschuldigde betaling en geen wanprestatie
5.15.
Ariez Holding stelt dat zij [eiser] voor een heel jaar € 15.000 heeft betaald, maar [eiser] 37 dagen minder dan een jaar gewerkt heeft. Het voor die periode teveel betaalde bedrag, door Ariez Holding berekend op € 1.520,52, wil zij terug. Ariez Holding wil daarnaast een verklaring voor recht dat dat [eiser] wanprestatie heeft gepleegd door niet tot aan de einddatum van de looptijd te werken. Op de zitting heeft zij toegelicht dat wanprestatie als subsidiaire grondslag van de geldvordering geldt.
5.16.
[eiser] betwist dat zij niet meer heeft gewerkt na 30 mei 2022 en wijst erop dat zij op 10 juni 2022 nog een potentiële koper heeft aangedragen. Bovendien hebben partijen volgens haar niet afgesproken dat zij iedere dag gedurende de looptijd van de overeenkomst aan de opdracht moet werken. Zij is dus niet tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst.
5.17.
Als iemand een ander geld heeft betaald, zonder dat daarvoor een rechtsgrond bestond, mag hij dat geld van de ontvanger terugvorderen. [2] Omdat Ariez Holding zich hierop beroept, moet zij feiten en omstandigheden aandragen waaruit blijkt dat er geen rechtsgrond bestaat voor de betaling van € 1.520,52. [3]
5.18.
De rechtbank oordeelt dat zij dat onvoldoende heeft gedaan. De rechtsgrond voor de betaling is de overeenkomst met [eiser] . Daarin is een
vasthonorarium afgesproken. Dat honorarium is dus niet gebaseerd op gewerkte uren of dagen. Dat [eiser] niet zou hebben voldaan aan haar verplichtingen onder de overeenkomst, wat zij betwist, doet niet af aan het bestaan van die rechtsgrond. Dat betekent dat de betaling van € 1.520,52 niet als onverschuldigd kan worden teruggevorderd.
5.19.
Als een partij tekort schiet in de nakoming van zijn verplichtingen ten opzichte van een ander, dan moet die partij onder bepaalde voorwaarden de schade die de ander daardoor lijdt vergoeden. [4] Ook hier geldt dat Ariez Holding feiten en omstandigheden moet aandragen waaruit blijkt dat in dit geval [eiser] tekort is geschoten in de nakoming en Ariez Holding daardoor schade heeft geleden.
5.20.
De rechtbank oordeelt dat Ariez Holding onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiser] haar verplichtingen niet is nagekomen. Uit de overeenkomst blijkt niet dat [eiser] verplicht is alle (werk)dagen van het jaar werkzaamheden voor Ariez Holding te verrichten. Bovendien heeft [eiser] onderbouwd aangevoerd dat zij na 30 mei 2022 nog werkzaamheden voor Ariez Holding verricht door op 10 juni 2022 een nieuwe potentiële koper aan te dragen en over te dragen met welke partijen contact is gelegd. Dat [eiser] in de laatste weken van de overeenkomst geen nieuwe potentiële kopers heeft gezocht of gevonden, levert gezien de beëindiging van de overeenkomst geen tekortkoming in de nakoming op.
5.21.
Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen om voor recht te verklaren dat [eiser] wanprestatie heeft gepleegd en haar te veroordelen tot betaling van € 1520,52 worden afgewezen.
De gevorderde beslagkosten worden gedeeltelijk toegewezen
5.22.
Ariez Holding vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat het door [eiser] gelegde beslag vexatoir en ongegrond is (hiervoor onder 4.3 c en d). Daarnaast vordert zij een vergoeding van de bankkosten en de afgeschreven bedragen (onder ii). ABN Amro heeft vanwege het beslag van [eiser] op de bankrekening van Ariez Holding drie keer € 50 in rekening gebracht. Daarnaast zijn nog drie bedragen van € 450, € 649 en € 10.319,61 van haar rekening afgeschreven door het beslag. Volgens Ariez Holding moet [eiser] deze schade vergoeden. [eiser] betwist deze vorderingen.
5.23.
De rechtbank begrijpt de vorderingen zo dat de verklaringen voor recht onder c en d zien op het verkrijgen van de onder ii gevorderde vergoeding van de bankkosten. Van een zelfstandig belang van Ariez Holding bij de verklaringen voor recht is de rechtbank niet gebleken. Daarom wijst zij deze vorderingen af. [5] De rechtbank vindt overigens ook niet dat sprake is van een vexatoir en daarmee onrechtmatig beslag. Daarvoor moet sprake zijn van misbruik van recht en daarvan is de rechtbank niet gebleken. [6] [eiser] kon redelijkerwijs menen dat zij een vordering had op Ariez Holding en heeft om zekerheid te verkrijgen dat zij haar vordering zou kunnen innen conservatoir beslag laten leggen. De stellingen van Ariez Holding dat het beslag alleen was bedoeld om haar dwars te zitten en dat [eiser] in het verzoekschrift in strijd met de waarheid heeft verklaard, heeft zij onvoldoende onderbouwd.
5.24.
Omdat de vordering van [eiser] ongegrond blijkt, zie het oordeel van de rechtbank hiervoor in conventie, is achteraf sprake van een onterecht gelegd beslag. Naar vaste rechtspraak bestaat in dat geval een risicoaansprakelijkheid van de beslaglegger. [7]
5.25.
Ariez Holding heeft voldoende onderbouwd dat de kosten van € 50 die de bank drie keer in rekening heeft gebracht schade is als gevolg van het achteraf onterecht gebleken beslag. Die kosten moet [eiser] daarom vergoeden. Tegen de wettelijke rente daarover is geen verweer gevoerd, zodat die wordt toegewezen zoals gevorderd. De andere gevorderde bankkosten worden afgewezen, omdat daarvan mede gezien de betwisting door [eiser] onvoldoende kan worden vastgesteld dat het schade betreft als gevolg van het gelegde beslag.
Proceskosten
5.26.
Ariez Holding wordt grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiser] betalen. De proceskosten van [eiser] worden vastgesteld op:
- salaris advocaat
1.214,00
(2 punten × € 1.214,00 x 0,5)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.392,00

6.De beslissing

De rechtbank
in conventie
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van Ariez Holding van € 5.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart bovenstaande proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
6.4.
veroordeelt [eiser] tot betaling van € 150, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de eerste € 50 vanaf 4 december 2024, over de tweede € 50 vanaf 11 december 2024 en over de derde € 50 vanaf 16 december 2024, tot de dag van volledige voldoening,
6.5.
veroordeelt Ariez Holding in de proceskosten van [eiser] van € 1.392,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als Ariez Holding niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.6.
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, bijgestaan door mr. R.D. Lok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

Voetnoten

1.Artikel 3:303 BW.
2.Artikel 6:203 BW (onverschuldigde betaling).
3.Artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
4.Artikel 6:74 BW (wanprestatie).
5.Artikel 3:303 BW.
6.Hoge Raad 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL7059.
7.Zie voetnoot 9.