3.4.Het oordeel van de rechtbank over de bewezenverklaring
Zaak B (poging woningoverval [benadeelde partij 3] , onderzoek Steur)
Verdachte heeft ter zitting het volgende verklaard. Hij was vanaf begin augustus vaak in het gezelschap van twee andere personen, ook die nacht. Hij is samen met die personen in zijn auto naar en van de plaats delict in Haarlem gereden en naar het huis van [benadeelde partij 3] gegaan. Hij is degene geweest die heeft aangebeld bij [benadeelde partij 3] . Verdachte heeft spijt betuigd over zijn bijdrage aan dit strafbare feit.
De rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat verdachte en zijn twee medeverdachten via de applicatie Grindr een afspraak hebben gemaakt met aangever [benadeelde partij 3] op 5 augustus 2024. De chats via Grindr verliepen in vlot Nederlands. De rechtbank houdt het er ook voor dat verdachte de afspraak via Grindr met [benadeelde partij 3] heeft gemaakt, omdat vast staat dat verdachte deze taal goed machtig is.
Nadat er midden in de nacht werd aangebeld deed [benadeelde partij 3] de voordeur open, zag hij dat de persoon die voor zijn deur stond qua uiterlijk niet overeenkwam met de persoon waarmee hij dacht af te hebben gesproken en wilde hij direct de deur dichtdoen. Verdachte stapte op dat moment naar binnen, waardoor [benadeelde partij 3] de deur niet kon sluiten en daarop kwamen de twee medeverdachten tevoorschijn. Er werd direct een vuurwapen getoond, [benadeelde partij 3] werd op de grond geduwd, in zijn gezicht getrapt en met het vuurwapen tegen zijn hoofd geslagen. Vervolgens zijn verdachte en de medeverdachten, bij het horen roepen door getuige [getuige] ( [getuige] ), gevlucht.
Gelet op de omstandigheden dat vlak vóór dit incident de telefoon van [naam 2] ( [naam 2] ) een zendmast aanstraalde in de omgeving van de woning van aangever [benadeelde partij 3] , verdachte in de periode hiervoor en erna vaak samen met die [naam 2] was, en verdachte – zoals blijkt uit de verdere inhoud van dit vonnis – zich in diezelfde periode meermalen samen met [naam 2] schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten, oordeelt de rechtbank dat het niet anders kan dan dat [naam 2] op 5 augustus 2024 één van de twee medeverdachten is geweest.
De hiervoor genoemde gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de voltooiing van een geplande woningoverval dat het niet anders kan zijn dan dat dit de daadwerkelijke bedoeling was van verdachte en zijn medeverdachten, maar dat zij daarin werden gestoord door [getuige] .
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het in zaak B tenlastegelegde.
Zaak A
Feiten 1 en 2 (woningoverval en afpersing [benadeelde partij 2] , onderzoek Morgon)
De rechtbank stelt op grond van de verklaring van verdachte op de terechtzitting en de andere bewijsmiddelen vast dat op 10 augustus 2024 via de applicatie Grindr een afspraak is gemaakt voor een ontmoeting met aangever [benadeelde partij 2] . Twee personen zijn rond 16.30 uur naar de woning van [benadeelde partij 2] gegaan, en zijn door hem binnengelaten. Vrijwel direct nadat die personen binnen waren, trokken zij beiden een vuurwapen, richtten die vuurwapens op [benadeelde partij 2] en zeiden onder meer tegen hem dat zij hem zouden neerschieten als hij niet zou betalen. Een van de verdachten trok gelijk een North face jas van [benadeelde partij 2] aan en zij vroegen hem om € 2.000. Nadat [benadeelde partij 2] aangaf dat geldbedrag niet te hebben, hebben die twee personen hem bedreigd met geweld en hem vastgebonden met ducttape en een snoer van een oplader. Vervolgens is bij [benadeelde partij 2] het topje van zijn middelvinger afgesneden met een hakmes, is hij met een houtzaag in zijn knie gezaagd, met een schaar in zijn linkeroor geknipt en zijn bij hem de wenkbrauwen afgeschoren en haren afgeknipt. [benadeelde partij 2] heeft onder druk van deze marteling zijn creditcard met bijbehorende pincode aan die personen gegeven, waarna een van hen contact heeft opgenomen met verdachte. Verdachte, die zich in de buurt bevond, haalde die pas vervolgens op en is daarmee naar een pinautomaat in winkelcentrum Molenwijk in Amsterdam gegaan en heeft € 100 euro gepind. Andere pogingen om meer geld op te nemen waren niet gelukt. Bij het verlaten van de woning van [benadeelde partij 2] hebben die twee personen nog twee schoten gelost in zijn richting.
Uit het forensisch onderzoek in de woning van [benadeelde partij 2] is gebleken dat op de voorwerpen die de daders hebben vastgepakt DNA is aangetroffen van [naam 2] en [naam 3] . De rechtbank leidt hieruit af dat zij de twee medeverdachten zijn die in de woning van [benadeelde partij 2] zijn geweest en de tenlastegelegde geweldshandelingen hebben uitgevoerd. Op een steentje dat verdachte tegen een ruit op het balkon had gegooid is ook DNA van verdachte aangetroffen.
Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank dan ook vast dat op 10 augustus 2024 in Amsterdam een diefstal met geweld en een afpersing hebben plaatsgevonden, doordat aangever onder bedreiging van geweld en door toepassing van geweld is gedwongen tot afgifte van zijn creditcard met bijbehorende pincode, waarmee € 100 is gepind, en zijn jas is weggenomen.
Medeplegen
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte als medepleger kan worden aangemerkt bij deze afpersing en diefstal. Zij beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden gekwalificeerd wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een of meer andere personen.
Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.
De rechtbank merkt daarnaast op dat voor medeplegen een dubbel opzetvereiste geldt: opzet op de onderlinge samenwerking en opzet op de verwezenlijking van het grondfeit. Dit dubbel opzet ligt besloten in de voornoemde voor medeplegen geldende voorwaarde dat sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking. Niet is vereist dat de verdachte op de hoogte was van de precieze gedragingen van de medeverdachten.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met een persoon genaamd [medeverdachte] (medeverdachte in feit 3, de bedreiging op 12 augustus 2024 en de feiten 4 en 5) en twee andere mannen naar het winkelcentrum Molenwijk in Amsterdam is gereden. De twee mannen zijn vervolgens weggegaan en verdachte bleef samen met [medeverdachte] achter in het winkelcentrum. Die twee mannen, [naam 2] en [naam 3] , zijn naar de woning van [benadeelde partij 2] gegaan, waar zij de tenlastegelegde woningoverval en de afpersing pleegden. [benadeelde partij 2] heeft verklaard dat toen hij zijn creditcard aan hen had afgegeven, één van die twee mannen telefonisch contact had opgenomen met iemand anders en daarbij in het Portugees/Braziliaans zei: ‘
Ik heb zijn creditcard, wat moeten wij nu hiermee?’. Blijkens de verklaring van verdachte zelf is verdachte de persoon waarmee één van die twee mannen telefonisch contact heeft opgenomen. Verdachte heeft, nadat zij kennelijk hadden besloten wat zij met die pas zouden doen, de pas opgehaald en heeft daarmee gepind. Hij heeft nadien weer een afspraak met [naam 2] en [naam 3] gemaakt en hen opgehaald en ergens anders afgezet.
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van medeplegen op grond van het volgende.
Op 5 augustus 2024 is verdachte actief betrokken geweest bij een feit met dezelfde modus operandi. Minimaal één medeverdachte van 5 augustus 2024 was ook betrokken bij het feit op 12 augustus 2024. Bij beide feiten werd een afspraak gemaakt via Grindr. Zonder verdachte, die goed Nederlands spreekt en schrijft, was het niet mogelijk om die afspraken te maken. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat de communicatie met de slachtoffers via google translate is verlopen. De beide medeverdachten spreken geen Nederlands, beschikten niet over een eigen vervoermiddel in Nederland en waren ook voor hun verblijf in Nederland afhankelijk van verdachte. Zonder betrokkenheid van verdachte konden de medeverdachten de feitelijke overval in de woning niet uitvoeren. De bijdrage van verdachte was wezenlijk en gebaseerd op een bewuste en nauwe samenwerking. Er is gewerkt via een vooropgezet plan waarbij ieder van de daders onmisbaar was voor de uitvoering.
Voorwaardelijk opzet
Daarbij acht de rechtbank bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de geweldshandelingen tegen [benadeelde partij 2] . Zij overweegt daarover als volgt.
Zoals hiervoor in zaak B is overwogen, heeft verdachte zich op 5 augustus 2024 samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal met geweld. [naam 2] was bij het plegen van dat strafbare feit betrokken. Bij dat feit werd direct een vuurwapen getrokken en werd ook direct geweld gebruikt tegen het slachtoffer. Daarnaast heeft verdachte over [naam 2] en [naam 3] verklaard dat zij uit Brazilië komen en dat hij weet dat criminelen in Brazilië heel ver gaan. De rechtbank begrijpt dat verdachte daarmee bedoelt dat criminelen uit Brazilië ver kunnen gaan in het toepassen van geweld. De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met anderen, van wie hij wist dat in ieder geval één persoon bereid is een vuurwapen te trekken, geweld toe te passen en in staat is tot het toepassen van meer dan gebruikelijke geweldshandelingen, het plan heeft gemaakt om een ander in zijn woning te beroven en af te persen en dat ook met hen heeft uitgevoerd. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de medeverdachten dit keer weer een vuurwapen bij zich zouden hebben, dat op enige wijze zouden gebruiken en dat zij zeer grove gewelds-handelingen zouden toepassen. De marteling van [benadeelde partij 2] in zijn woning door de twee medeverdachten is verdachte daarom strafrechtelijk ook aan te rekenen in het kader van de bewezenverklaring. De rechtbank zal wel bij de straftoemeting rekening houden met de rol van verdachte.
Conclusie
De rechtbank concludeert dat verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten en acht die feiten dan ook bewezen.
Feit 3 (onderzoek Grenar)
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 12 augustus 2024 samen met [naam 2] , [medeverdachte] en nog meer personen naar de woning aan de [adres] is gegaan. Daar belden zij aan en nadat aangever
[benadeelde partij 1] opendeed, vroegen zij vrijwel direct naar een Colombiaanse man. Daarbij heeft verdachte tegen [benadeelde partij 1] gezegd dat die Colombiaanse man hen van € 200.000 heeft beroofd. Vervolgens pakte een andere persoon een vuurwapen en richtte dat op [benadeelde partij 1] . Verdachte zei vervolgens tegen aangever
: ‘Are you going to pay it?’.
Op de terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij naar die woning is gegaan met de intentie om te vertalen en dat hij niet wist dat een vuurwapen was meegenomen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte op dit punt ongeloofwaardig. Verdachte heeft namelijk verklaard dat toen [benadeelde partij 1] de deur opendeed verdachte direct zag dat hij geen Colombiaan was. Desondanks heeft hij hem, terwijl hij dan dus had moeten weten dat hij niet de juiste persoon was, toch aangesproken en aan hem gevraagd of hij die € 200.000 zou betalen. Verdachte heeft zich op geen enkele wijze gedistantieerd van de poging om middels dreiging met geweld [benadeelde partij 1] te bewegen tot betaling van een aanzienlijk geldbedrag. Als verdachte niet zou hebben geweten wat de bedoeling was, had hij zich direct moeten distantiëren toen duidelijk werd dat het om de verkeerde persoon ging en er een vuurwapen werd getrokken. Door pas, samen met alle andere verdachten, weg te lopen nadat er werd geroepen dat de politie onderweg was is het verhaal van verdachte niet geloofwaardig en neemt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen aan dat verdachte wist wat het doel was van het bezoek aan de bewoner van dit adres.
Nu hij samen met anderen naar die woning is gegaan, er een vuurwapen op aangever is gericht en aan hem is gevraagd of hij die € 200.000 zou betalen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachten hebben gepoogd [benadeelde partij 1] te dwingen tot afgifte van € 200.000. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 3 primair tenlastegelegde.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [medeverdachte] ( [medeverdachte] ) chatgesprekken heeft gevoerd met ‘ [naam 4] ’ en verdachte ( [verdachte] ) om een drugsdeal te sluiten. Er wordt afgesproken dat verdachte namens [medeverdachte] en ‘ [naam 5] ’, namens [naam 4] , elkaar op 22 juli 2024 om 12:30 uur zullen ontmoeten bij de [adres] om een deal rond te krijgen. Op 21 juli 2024 bericht verdachte [medeverdachte] dat hij de anderen moet laten weten dat hij een monster (sample) mee zou nemen. Op 22 juli 2024 om 10:11 uur stuurt [medeverdachte] het adres en tijdstip van de ontmoeting door aan verdachte en instrueert hij hem om een foto te maken van zijn kleding zonder gezicht, zodat hij door de anderen kan worden herkend. Twee uur voorafgaand aan de ontmoeting stuurt verdachte dan ook een foto van de kleding die hij op dat moment aan heeft. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte de instructies van [medeverdachte] opvolgde en onderweg was naar voornoemde afspraak.
Een paar uur na de geplande ontmoeting vraagt [naam 4] [medeverdachte] in een chat of de “dingen” al zijn gekookt en of die dingen bevallen. Uit de inhoud van deze berichten leidt de rechtbank af dat er daadwerkelijk een overdracht heeft plaatsgevonden waar verdachte bij aanwezig was. Dit is in lijn met wat verdachte heeft bericht over het monster (sample) dat hij mee zou nemen. Dat daarbij een daadwerkelijke hoeveelheid cocaïne is overgedragen volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de context van de chatberichten, uit het feit dat op de telefoon van [medeverdachte] ongeveer 100 afbeeldingen van witte, vacuümverpakte blokken voorzien van een stempel zijn aangetroffen, dat uit chats blijkt dat tussen 7 juli 2024 en
10 juli 2024 een cocaïneoverdracht heeft plaatsgevonden in Spanje tussen [medeverdachte] en [naam 4] en dat [medeverdachte] , na die geslaagde deal, ook een nieuwe deal wilde sluiten in Amsterdam op 22 juli 2024.
Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat er op 22 juli 2024 ook LSD is overgedragen of dat verdachte op enig ander moment LSD heeft verkocht, overgedragen, afgeleverd of aanwezig heeft gehad. Verdachte zal daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Verdachte heeft uitvoerig contact gehad met [medeverdachte] over de overdracht van 22 juli 2024 en zijn instructies opgevolgd, zodat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen hen. Daarom kan verdachte als medepleger worden aangemerkt.
Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich samen met anderen op 22 juli 2024 schuldig heeft gemaakt aan de onder 4 tenlastegelegde drugshandel.
Feit 5 (voorbereidingshandelingen)
Uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte volgt dat hij in de periode van 5 juli tot en met 24 september 2024 veel chatgesprekken heeft gevoerd met verschillende personen over onder meer het afstemmen of afspreken van prijzen van “handelswaar”, het vinden van kopers daarvan, de mogelijkheden tot de in- en uitvoer van handelswaar en het uitwisselen van informatie over handelswaar. In een aantal van die chatgesprekken worden video’s en afbeeldingen doorgestuurd van witte verpakte blokken met daarop stempels. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat cocaïne veelal op dergelijke wijze wordt verpakt en wordt voorzien van stempels om de herkomst ervan te herleiden. Gelet hierop en in onderling samenhang bezien met de inhoud van de chatgesprekken, de veelheid van die gesprekken en de daarin genoemde prijzen die passen bij de gangbare handelsprijzen van cocaïne, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat die chatgesprekken betrekking hebben op echte cocaïne.
Uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte volgt verder dat hij in een groepschat een bericht heeft verstuurd met de mededeling dat hij voor een ander LSD zal vragen. Een paar dagen later berichtte hij in dezelfde groepschat dat hij “amigo’s” (de rechtbank begrijpt: vrienden) heeft in Nederland, waarna er direct een groepscall volgde.
Gelet op de hoeveelheid chatgesprekken en met name de inhoud daarvan is de rechtbank, anders dan de raadsman, van oordeel dat die chatgesprekken kunnen worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen van de in-of uitvoer en handel in cocaïne en LSD.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde feit.
Feit 6 (valse rijbewijzen)
De rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting en de andere bewijsmiddelen het onder 6 tenlastegelegde feit bewezen.