ECLI:NL:RBAMS:2025:9905

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
13/255611-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025 een tussenuitspraak gedaan in het kader van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de Rechtbank Eerste Aanleg Luik, België. De officier van justitie had op 3 oktober 2025 verzocht om de behandeling van het EAB. De opgeëiste persoon, geboren in 1990 en met de Nederlandse nationaliteit, is verschenen op de zitting van 27 november 2025, bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Peters. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak over de overlevering met 30 dagen verlengd en de gevangenhouding bevolen, met schorsing tot aan de uitspraak.

De rechtbank heeft de inhoud van het EAB beoordeeld, waarin de opgeëiste persoon wordt beschuldigd van illegale handel in verdovende middelen, een feit dat in Nederland als lijstfeit wordt erkend. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon voldoende banden met Nederland heeft, waardoor de tenuitvoerlegging van een eventuele straf beter in Nederland kan plaatsvinden. De Belgische autoriteiten hebben garanties gegeven over de detentieomstandigheden, maar de verdediging heeft twijfels geuit over de naleving van deze garanties, vooral gezien recente ontwikkelingen in Belgische gevangenissen.

De rechtbank heeft de zorgen van de verdediging overwogen, maar concludeert dat de gegeven garanties voldoende zijn om de overlevering toe te staan. De rechtbank heeft ook besloten het onderzoek te heropenen om het EAB gelijktijdig te behandelen met een nieuw aanhangig EAB uit Oostenrijk. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/255611-25
Datum uitspraak: 11 december 2025
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 3 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 september 2025 door de Rechtbank Eerste Aanleg Luik, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. C. Peters, die waarneemt voor mr. J. de Vries, beiden advocaat in Zaandam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB, gelezen in samenhang met het A-formulier, vermeldt een aanhoudingsbevel bij verstek van 29 september 2025 van de
Investigating Judge at the Court of First Instance of Liège.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid; feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De
Procureur du Roite Liège heeft op 23 oktober 2025 de volgende garantie gegeven:
Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit dd. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan [de opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de op 29 oktober 2025 gegeven detentiegarantie niet meer voldoet, gelet op alle ontwikkelingen, in het bijzonder binnen de gevangenis in Haren. Zo zijn er parlementaire vragen gesteld over het niet naleven van de detentiegaranties die door de Belgische autoriteiten zijn afgegeven. Hierdoor staat volgens de raadsman ter discussie of nog op de gegeven individuele garanties kan worden vertrouwd. Daarnaast hebben signalen van andere (Belgische) advocaten de raadsman bereikt dat in veel gevallen de detentiegarantie niet wordt nageleefd. Na het afgeven van onderhavige detentiegarantie is de situatie in de Belgische detentiecentra en specifiek de gevangenissen van Haren bovendien aanzienlijk verslechterd. Ook daar kan nu het grondslapen niet langer uitgesloten worden, ook volgens de Belgische autoriteiten. Dit blijkt uit de door de raadsman overgelegde krantenberichten. De overlevering moet daarom worden geweigerd, subsidiair dienen er vragen te worden gesteld over de actualiteit van de gegeven detentiegarantie gelet op de recente ontwikkelingen in Haren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gegeven individuele garantie afdoende is en dat de parlementaire vragen zijn gesteld naar aanleiding van één incident waarin de detentiegarantie niet werd nageleefd. Met de individuele garantie vormen de detentieomstandigheden geen beletsel meer voor de overlevering.
Oordeel van de rechtbank
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank in een andere zaak geoordeeld dat ten aanzien van alle detentie-instellingen in België een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in België, en dat daarom de tot dan toe verstrekte algemene detentiegarantie niet meer voldoet. [5]
Bij brief van 29 oktober 2025 van het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele rechten en Vrijheden, Dienst internationale samenwerking in strafzaken - Centrale autoriteit is de volgende garantie gegeven:

1.In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?

[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenissen van Haren indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.

2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?

België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte.

Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.

- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de
gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.
Aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt, gaat de rechtbank uit van de geboden zekerheid in voorgaande garantie. [6] De rechtbank is zich bewust van de zorgwekkende detentieomstandigheden en daarom is ook een algemeen gevaar aangenomen. Het vastgestelde algemene gevaar voor de detentie-instellingen in België ziet (onder meer) op de problematiek rond overbevolking die onder meer leidt tot zogeheten grondslapers. Dat deze problematiek nog actueel is wordt bevestigd in de door de raadsman overgelegde stukken. De rechtbank is echter, gelet op de toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, nu het gevaar van een dergelijke behandeling met de garantie voor hem is weggenomen. De door de raadsman benoemde verslechterde situatie in de gevangenis in Haren wordt ondervangen door de gegeven garantie, nu daarin ten aanzien van de opgeëiste persoon onder meer expliciet is gegarandeerd dat hij ten minste 3 m2 persoonlijke leefruimte (exclusief sanitaire voorzieningen) heeft in een meerpersoonscel en niet op een matras op de grond hoeft te slapen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om nadere vragen te stellen.
Door de rechtbank is overigens ter zitting aan zowel de raadsman als de officier van justitie gevraagd of er overzichten zijn van de gevallen waarin gesteld wordt dat de detentiegarantie niet wordt nageleefd. De officier van justitie heeft verklaard dat er in de afgelopen jaren hooguit 10 gevallen bij haar bekend zijn sinds de garanties worden verstrekt en dat hier direct op geacteerd is, waarna alsnog de garantie door België werd nageleefd. De officier van justitie heeft hierbij aangegeven dat het openbaar ministerie alleen iets kan betekenen wanneer dit gemeld wordt en roept de raadsman op om dit dan ook te doen. De raadsman heeft verklaard dat bij hem en zijn collega’s meer gevallen bekend zijn, maar dat hij hiervan geen overzicht heeft.
Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank dan ook vast dat er op dit moment dus geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid en de naleving van de – hiervoor beoordeelde – door de Belgische autoriteiten verstrekte individuele garantie.

7.Heropening

Het Openbaar Ministerie heeft bij e-mail van 8 december 2025 de rechtbank verzocht om heropening van het onderzoek om het onderhavige EAB gelijktijdig te laten behandelen met een nieuw aanhangig EAB. Op 4 december 2025 is de opgeëiste persoon namelijk opnieuw aangehouden en op 5 december 2025 voorgeleid vanwege een EAB uit Oostenrijk met parketnummer 13/323497-25.
De raadsman heeft zich hiertegen niet verzet.
De rechtbank zal het onderzoek heropenen om het onderhavige EAB gelijktijdig met het EAB uit Oostenrijk te behandelen. Dit geeft tevens de raadsman de gelegenheid om nadere stukken ten aanzien van de detentieomstandigheden te overleggen, zoals hij heeft verzocht in zijn e-mail van 4 december 2025.

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor bepaalde tijd tot
23 december 2025 om 09.00 uur, zodat dit EAB gelijktijdig met het EAB uit Oostenrijk (13/323497-25) kan worden behandeld.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman. [7]
Deze uitspraak is gedaan door
mr. I. Verstraeten, voorzitter,
mrs. M.C.M. Hamer en E.M. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 11 december 2025.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.HvJ EU van 25 juli 2018, zaak ML, ECLI:EU:C:2018:589.
7.Noot van de griffier: de datum en het tijdstip van 23 december 2025 om 09.00 uur zijn met de raadsman mr. C. Peters afgestemd.