In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 11 december 2025 uitspraak gedaan over een vordering tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door de arrondissementsrechtbank Oldenburg in Duitsland. De opgeëiste persoon, geboren in Duitsland en met de Nederlandse nationaliteit, was aangeklaagd voor illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 27 november 2025 gehouden, waarbij de officier van justitie en de raadsvrouw van de opgeëiste persoon aanwezig waren. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen, maar deze werd geschorst tot aan de uitspraak.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de opgeëiste persoon in eerste aanleg was verschenen en dat er geen nieuwe beoordeling van schuld of straf had plaatsgevonden na zijn hoger beroep, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing was. De rechtbank heeft vervolgens de weigeringsgrond van artikel 6a OLW beoordeeld, die stelt dat de overlevering van een Nederlander kan worden geweigerd indien de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in Nederland kan plaatsvinden. De rechtbank concludeert dat de opgeëiste persoon voldoende banden met Nederland heeft en dat de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf kan worden overgenomen. Daarom heeft de rechtbank de overlevering geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland bevolen, met een bevel tot gevangenhouding tot aan de tenuitvoerlegging van de straf.