In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 28 oktober 2025 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd beschuldigd van zware mishandeling en bedreiging. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de zware mishandeling, omdat niet bewezen kon worden dat hij opzettelijk letsel had toegebracht aan de aangever. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van zowel de aangever als de verdachte onvoldoende steun vonden in objectief bewijsmateriaal, zoals camerabeelden en getuigenverklaringen. De rechtbank concludeerde dat het letsel van de aangever mogelijk op andere wijze was ontstaan tijdens een worsteling tussen de verdachte en de aangever.
Echter, de rechtbank heeft de verdachte wel schuldig bevonden aan de bedreiging van de aangeefster, die in de periode van 20 juli 2022 tot en met 14 oktober 2023 meerdere keren met de dood was bedreigd. De rechtbank achtte de verklaring van de aangeefster betrouwbaar, ondersteund door getuigenverklaringen. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van één week voor de bedreiging, waarbij de rechtbank rekening hield met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en zijn meewerkend gedrag tijdens de procedure. De vordering van de benadeelde partij werd afgewezen, omdat er geen straf of maatregel was opgelegd aan de verdachte voor het feit waar de vordering op betrekking had.