ECLI:NL:RBAMS:2026:102

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
25-0027983
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen afwijzing verzoek onderzoekshandelingen in strafzaak

In deze zaak heeft de rechtbank Amsterdam op 13 januari 2026 uitspraak gedaan over een bezwaar dat was ingediend door de bezwaarde, vertegenwoordigd door zijn raadsvrouw mr. S.S.L. Haimé. Het bezwaar richtte zich tegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een verzoek om onderzoekshandelingen, waaronder het horen van getuigen en het toevoegen van belastende stukken aan het dossier. De bezwaarde betoogde dat er ernstige twijfels bestonden over de rechtmatigheid van het binnentreden in de woning en de betrouwbaarheid van de processen-verbaal. De verdediging stelde dat de rechter-commissaris een te strenge toets had toegepast en dat de verzochte getuigenverhoren noodzakelijk waren om onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in het dossier op te helderen.

De rechtbank heeft het bezwaar behandeld in besloten raadkamer en de bezwaarde, zijn advocaat en de officier van justitie gehoord. De officier van justitie concludeerde dat het bezwaar ongegrond moest worden verklaard, omdat de verdediging onvoldoende had onderbouwd waarom de verzochte getuigenverhoren relevant waren voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bewijs. De rechtbank overwoog dat de rechter-commissaris een verzoek kan weigeren als de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan de beslissing in de zaak.

Na beoordeling van de argumenten van de verdediging en het Openbaar Ministerie, kwam de rechtbank tot de conclusie dat de verdediging niet had aangetoond dat de verzochte getuigenverhoren noodzakelijk waren voor de beantwoording van de vragen die in de strafzaak aan de orde waren. De rechtbank verklaarde het bezwaar daarom ongegrond. Deze beslissing werd genomen door de meervoudige kamer, onder leiding van voorzitter mr. A.Ş. Doğan, en de rechters mrs. A.M. Grüschke en C.C.J. Maas-van Es, in aanwezigheid van griffier mr. M. van Randeraat.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
parketnummer : 13-018800-25
raadkamernummer : 25-027983
beslissing van de meervoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[de bezwaarde] ,

geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw mr. S.S.L. Haimé, Tweede Goudbloemdwarsstraat 21 hs, 1015 JX Amsterdam,
hierna te noemen: de bezwaarde.

Feiten

Namens de bezwaarde heeft de raadsvrouw op 19 augustus 2025 de rechter-commissaris verzocht onderzoekshandelingen te verrichten, te weten:
  • het horen als getuige van [getuige] ;
  • het horen als getuigen van vier verbalisanten;
  • de toevoeging van de verdachte belastende stukken aan het dossier.
De rechter-commissaris heeft bij beslissing van 15 oktober 2025 het verzoek afgewezen.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 31 oktober 2025 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 16 december 2025 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de bezwaarde, de advocaat, mr. S.S.L. Haimé, en de officier van justitie op zitting gehoord.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen de weigering van de rechter-commissaris de door de bezwaarde gewenste onderzoekshandelingen te verrichten.
Namens de bezwaarde is daartoe het volgende aangevoerd.
De verdediging heeft ernstige twijfel over de rechtmatigheid tot binnentreden van de woning alsmede de betrouwbaarheid van de processen-verbaal die daaromtrent zijn opgemaakt. De rechter-commissaris heeft in zijn beslissing op de gewenste onderzoekshandelingen een te strenge toets toegepast. Slechts vereist is dat de verzochte onderzoekshandeling mogelijk relevant kan zijn voor beoordeling van rechtmatigheid of betrouwbaarheid van het bewijs. De afwijzing berust op onjuiste toepassing van het relevantiecriterium, is innerlijk tegenstrijdig en miskent het verdedigingsbelang zoals beschermd door artikel 6 EVRM.
De verhoren zijn noodzakelijk om fundamentele onduidelijkheden en tegenstrijdigheden en belastende verklaringen in het dossier op te helderen die rechtstreeks raken aan de rechtmatigheid van het politieoptreden en daarmee aan de bewijspositie in deze zaak.
In casu is onmiskenbaar sprake van Keskin-getuigen. De ambtsedig opgemaakte en belastende verklaringen van de verbalisanten zijn van groot belang bij de beoordeling van het bewijs.
De raadsvrouw heeft in raadkamer, na kennisname van het door de officier van justitie overgelegde aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] , aangegeven dat het horen van de verbalisanten noodzakelijk is.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie concludeert tot ongegrondverklaring van het bezwaar en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het verzoek van de verdediging richt zich op twee pijlers: de rechtmatigheid van het binnentreden en de rechtmatigheid van de verdenking. De verzochte getuigen betreffen rechtmatigheidsgetuigen. In dit geval dient de verdediging aan te geven wat het vormverzuim is, wat het beschermde belang is, welk nadeel er voor verdachte is, tot welk rechtsgevolg dit dient te leiden en wat de getuige daarover kan verklaren. Het verzoek is in deze onvoldoende onderbouwd. Daarbij heeft het aanvullend proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] van 28 oktober 2025 de bestaande onduidelijkheden weggenomen. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verdenking. De daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zijn geverbaliseerd. Het is aan de rechter om tijdens de inhoudelijke behandeling te beoordelen en te bepalen of daaraan rechtsgevolgen moeten worden verbonden.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt dat de rechter-commissaris een verzoek als het onderhavige weigert indien de gevraagde onderzoekshandeling niet kan bijdragen aan enige in de zaak te nemen beslissing. De rechtbank zal moeten toetsen of de beslissing van de rechter-commissaris in het licht daarvan stand kan houden.
De rechtbank overweegt als volgt.
Rechtmatigheid binnentreden
Het verzoek van de verdediging tot het horen van [getuige] , de vriendin van bezwaarde, en de vier verbalisanten als getuigen richt zich in de eerste plaats op de rechtmatigheid van het binnentreden in de woning van de vriendin van bezwaarde. Uit hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd begrijpt de rechtbank dat het verzoek ziet op een eventueel nog te voeren verweer wegens vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). In het geval van een rechtmatigheidsgetuige dient de verdediging te motiveren tot welk in art. 359a Sv rechtsgevolg dit dient te leiden.
Voor zover de verdediging de getuigen wil horen als rechtmatigheidsgetuigen is het verzoek onvoldoende onderbouwd nu niet is aangegeven wat het vormverzuim is, wat het beschermde belang is, welk nadeel er voor verdachte is, tot welk rechtsgevolg dit dient te leiden en wat de getuige daarover kan verklaren. Voor zover onduidelijkheid bestond over de rol van verbalisant [verbalisant] , is deze inmiddels door middel van het aanvullend proces-verbaal weggenomen.
Verdenking
De raadsvrouw betwist voorts - zie het bezwaarschrift onder 2.3 - de waarnemingen van de verbalisanten die op basis daarvan tot een verdenking zijn gekomen. De getuigen dienen daarom te worden gehoord om de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van hun verklaringen te toetsen. De raadsvrouw heeft gesteld dat geen nadere onderbouwing nodig is voor het verzoek de verbalisanten hierover te horen omdat sprake is van zogenaamde Keskin-getuigen.
De rechtbank overweegt dat de aan de verdenking ten grondslag liggende feiten en omstandigheden zijn vastgelegd in een proces-verbaal. [1] De raadsvrouw heeft gesteld dat zij de verbalisanten wil horen over de (onvolledige) wijze van relateren betreffende het aantreffen van het geld, een gripzakje en een zwarte tas. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze onderbouwing niet gesproken kan worden van het horen van Keskin-getuigen, en dat anderszins de onderbouwing onvoldoende is om het verdedigingsbelang aannemelijk te maken. Het is aan de zittingsrechter of aan het ontbreken van deze informatie gevolgen moeten worden verbonden.
Gelet op het voorgaande is ten aanzien van de verzochte getuigenverhoren onvoldoende komen vast komen te staan welk belang de verdediging heeft bij toewijzing van deze onderzoekswensen, nu ook na nadere onderbouwing en toelichting niet is gebleken dat de gevraagde onderzoekshandelingen voor de te beantwoorden vragen van de artikelen 348 en 350 Sv van belang kan zijn. Het bezwaar zal daarom ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.Ş. Doğan, voorzitter,
mrs. A.M. Grüschke en C.C.J. Maas-van Es rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,
en uitgesproken op 13 januari 2026.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen PL1300-2025013330-8 van 19 januari 2025.