ECLI:NL:RBAMS:2026:103

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
25-011110
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaar tegen vernietiging van geheimhoudersgegevens in strafzaak na terugwijzing door de Hoge Raad

In deze zaak heeft klager, geboren in 1955 te Suriname, bezwaar gemaakt tegen de vernietiging van gegevensdragers die geheimhoudersinformatie bevatten. Klager, die zich beroept op zijn verschoningsrecht als arts, heeft op 6 december 2023 een klaagschrift ingediend bij de rechtbank Amsterdam. De gegevensdragers zijn in beslag genomen in het kader van een onderzoek naar omkoping van klager en andere artsen. De rechtbank heeft op 25 april 2024 het klaagschrift gedeeltelijk gegrond verklaard en bevolen dat bepaalde bestanden vernietigd of uitgegrijsd moesten worden. Klager heeft hiertegen beroep in cassatie ingesteld, wat leidde tot een verwijzing door de Hoge Raad op 15 april 2025 terug naar de rechtbank voor verdere behandeling.

De rechtbank heeft de zaak op 24 juni 2025 opnieuw behandeld en op 8 juli 2025 het onderzoek heropend. De rechtbank concludeerde dat klager voldoende feiten en omstandigheden had aangedragen die erop wezen dat de bevolen vernietiging niet of onvoldoende was uitgevoerd. De rechter-commissaris is ingeschakeld om de waarborgen en autorisaties binnen het FIOD-systeem te onderzoeken. Op 6 oktober 2025 heeft de rechter-commissaris zijn bevindingen geverbaliseerd, waarin hij concludeerde dat voldoende waarborgen aanwezig zijn om te verzekeren dat vertrouwelijke informatie ontoegankelijk blijft voor onbevoegden.

De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of aan de stelplicht van klager was voldaan en of de geheimhoudersgegevens op de juiste manier waren vernietigd. Op basis van de bevindingen van de rechter-commissaris en de standpunten van de officier van justitie en de raadsman, heeft de rechtbank geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat de geheimhoudersgegevens op een zodanige manier zijn vernietigd dat ze geen deel uitmaken van de processtukken. De rechtbank heeft het beklag van klager ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
Zittingsplaats Amsterdam
raadkamernummer : 25-011110
parketnummer: : 81-074696-22
beslissing van de meervoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 98 jo. 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1955 te [geboorteplaats] (Suriname),
woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadslieden mr. Y.E.A. Buruma en mr. A.J.M. Swart, Alexanderstraat 21, 2514 JM Den Haag,
hierna te noemen: klager, tevens beslagene.

Procesgang

Klager heeft op 6 december 2023 bij deze rechtbank een klaagschrift ingediend met betrekking tot onder hem en derden in beslag genomen gegevensdragers. Klager beroept zich op zijn verschoningsrecht als arts. De gegevensdragers zouden geheimhoudersinformatie bevatten. Tegen klager en andere artsen bestaat de verdenking van omkoping.
Vanwege de mogelijke geheimhoudersinformatie op de gegevensdragers is van het begin af aan een rechter-commissaris betrokken bij het ontsluiten van de informatie op deze gegevensdragers.
Bij beslissing van 25 april 2024 heeft de rechtbank het klaagschrift gedeeltelijk gegrond verklaard wat betreft een achttal bestanden en bevolen dat deze bestanden worden vernietigd dan wel zodanig worden uitgegrijsd dat de toegang daartoe niet meer mogelijk is.
Klager heeft tegen deze beslissing beroep in cassatie ingediend. Bij beschikking van 15 april 2025 heeft de Hoge Raad de beslissing van de rechtbank van 25 april 2024 gedeeltelijk vernietigd en ter verdere behandeling en afdoening verwezen naar de rechtbank Amsterdam. [1]
De rechtbank heeft op 24 juni 2025 de zaak opnieuw in openbare raadkamer behandeld.
Bij beslissing van 8 juli 2025 heeft de rechtbank het onderzoek in raadkamer heropend. De rechtbank concludeerde dat klager aan het verzoek voldoende concreet aangeduide feiten en omstandigheden ten grondslag heeft gelegd die erop wijzen dat aan de bevolen vernietiging van de gegevens niet of onvoldoende mate uitvoering is gegeven. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het overgelegde proces-verbaal van de opsporingsambtenaar Forensisch IT Expert tevens medewerker geheimhouding, werkzaam bij de Belastingdienst/FIOD, niet blijkt waaruit de daarin genoemde waarborgen, restricties en autorisaties bestaan. De rechtbank acht zich dan ook niet in staat te beoordelen of voldoende aannemelijk is dat de geheimhoudersgegevens op een zodanige manier zijn vernietigd dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. De rechtbank heeft vervolgens de zaak verwezen naar de rechter-commissaris om hiernaar onderzoek te verrichten, waarbij in ieder geval inzicht wordt verkregen in de concrete manier waarop de waarborgen, restricties en autorisaties binnen het FIOD-systeem zijn geregeld.
De rechter-commissaris heeft op 6 oktober 2025 zijn bevindingen geverbaliseerd, welk proces-verbaal voorafgaand aan de raadkamerbehandeling van 16 december 2025 is verspreid. De conclusie luidde als volgt:
Tegen het zichtbaar worden voor rechercheurs van vertrouwelijke informatie zijn twee barrières opgeworpen: een technische en een duidelijke werkinstructie. Een opsporingsambtenaar die doelbewust probeert om vertrouwelijke gegevens te achterhalen handelt dus te kwader trouw. (…) Hoe een (hypothetische) kwaadwillige opsporingsambtenaar de technische blokkade bij de toegang tot verschoningsgerechtigde informatie zou kunnen omzeilen, is mij niet duidelijk. Zelfs als dat zou lukken of een rechercheur zou door een technische onvolkomenheid of een menselijke fout toch onbedoeld inzage krijgen in verschoningsgerechtigde informatie, dan nog geldt de tweede barrière: de duidelijke werkinstructie om dit direct te melden en de desbetreffende case uit te grijzen in afwachting van een beslissing van de rechter-commissaris.
Al met al is naar mijn oordeel voldoende gewaarborgd dat verschoningsgerechtigde informatie tijdens en na het filteringsproces ontoegankelijk blijft voor onbevoegden.
In raadkamer heeft de raadsman van klager verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1030. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bevestiging van:
  • de strikte handhaving van de loggings- en verbaliseringsplichten;
  • de strikte waarborg dat ontgrijzing slechts plaatsvindt na een voorafgaand onherroepelijk oordeel van de rechter-commissaris.
Wanneer deze punten door de rechtbank worden bevestigd, zijn de waarborgen in de ogen van klager passend.
De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat de door de verdediging gewenste bevestiging reeds is vastgelegd en ook wordt nageleefd zodat het verzoek slechts strekt tot een waarborg ten overvloede. De raadsman heeft zich ter zitting aangesloten bij dit standpunt.

Beoordeling

De rechtbank is bevoegd.
De Hoge Raad heeft bij beschikking van 15 april 2025 geoordeeld dat moet worden aangenomen dat klager het rechtsmiddel heeft willen instellen dat openstond tegen de manier waarop uitvoering is gegeven aan de bevolen vernietiging, zodat het ervoor moet worden gehouden dat klager ook een verzoek als bedoeld in artikel 552a Sv lid 2 heeft willen doen. De rechtbank had daarom het beklag in zoverre moeten opvatten als een verzoek tot vernietiging als bedoeld in artikel 552a lid 2 Sv.
De rechtbank dient dit aan de hand van de volgende maatstaf te beoordelen:
Aan het verzoek als bedoeld in artikel 552a lid 2 Sv moeten concreet aangeduide feiten enomstandigheden ten grondslag worden gelegd die erop wijzen dat aan de bevolenvernietiging van de gegevens niet of in onvoldoende mate uitvoering is gegeven. Als aandie stelplicht is voldaan moet de rechter, mede aan de hand van het onder 3.4.2 bedoeldeproces-verbaal, beoordelen of voldoende aannemelijk is dat de geheimhoudersgegevenswaarvan de vernietiging is bevolen op een zodanige manier zijn vernietigd dat is verzekerddat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdereverloop van het strafproces geen acht wordt geslagen. Met het oog op die beoordeling kande rechter zo nodig nader onderzoek opdragen aan de rechter-commissaris. Als de rechteroordeelt dat niet voldoende aannemelijk is dat is voldaan aan het onder 3.4.1 bedoeldevereiste, geeft de rechter op grond van artikel 23 lid 1 Sv het openbaar ministerie eenbevel om nadere maatregelen te treffen waarmee is verzekerd dat wel aan dat vereiste isvoldaan en daarvan verslag te doen.
Op grond van de bevindingen van de rechter-commissaris van 6 oktober 2025 inclusief de bijlage Verduidelijking van FIOD (Stafafdeling Kennis en Vaktechniek & Veiligheid) van 24 september 2025, acht de rechtbank - in overeenstemming met de door de officier van justitie en de raadsman ter terechtzitting ingenomen standpunten - voldoende aannemelijk geworden dat de geheimhoudersgegevens waarvan de vernietiging is bevolen op een zodanige manier zijn vernietigd dat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen.

Beslissing

De rechtbank:
De rechtbank verklaart het beklag ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A.Ş. Doğan, voorzitter,
mrs. A.M. Grüschke en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 15 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:578