ECLI:NL:RBAMS:2026:1043

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
C/13/762925 / HA ZA 25-91
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:7 BWArt. 4:144 BWArt. 4:149 BWArt. 4:150 BWArt. 4:151 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging taak executeur en verdeling nalatenschap met kosten ten laste van nalatenschap

Partijen zijn broer en zus en enige erfgenamen van hun moeder, die in 2021 overleed. De moeder was enige erfgenaam van hun vader, overleden in 2014, via een tweetrapsmaking. De moeder benoemde een executeur die taken heeft uitgevoerd voor de afwikkeling van de nalatenschap.

De kern van het geschil betreft of de taak van de executeur is geëindigd en of aan hem decharge kan worden verleend. Daarnaast is onenigheid over de advocaat- en accountantskosten die de executeur maakte en of deze ten laste van de nalatenschap komen of alleen voor rekening van één erfgenaam.

De rechtbank stelt vast dat de executeur zijn taak als zodanig heeft voltooid en deze is geëindigd op grond van artikel 4:149 BW Pro. Echter, een definitieve rekening en verantwoording is nog niet afgelegd, zodat geen decharge kan worden verleend in deze procedure. De advocaat- en accountantskosten zijn volgens de rechtbank kosten van de executele en komen ten laste van de nalatenschap. De verdeling van de nalatenschap dient te geschieden volgens de methodiek van de executeur, waarbij deze kosten in acht worden genomen. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: De taak van de executeur is geëindigd, advocaat- en accountantskosten komen ten laste van de nalatenschap en de verdeling vindt plaats volgens de methodiek van de executeur.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/762925 / HA ZA 25-91
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. A. Bouwmeester,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.M. Boiten.

1.Waar gaat de zaak over?

1.1.
Partijen zijn broer en zus van elkaar. Hun vader is overleden in 2014 en hun moeder in 2021. Zij zijn samen enige erfgenamen van hun moeder. De moeder was enige erfgenaam van vader door een tweetrapsmaking en het vermogen van vader is volledig gevloeid in het vermogen van moeder. De moeder heeft in haar testament een executeur benoemd en de executeur heeft taken uitgevoerd voor de afwikkeling van de nalatenschap. Tussen partijen staat ter discussie of de taak van de executeur is geëindigd en of aan hem decharge kan worden verleend. Een ander kernpunt is de vraag of de door de executeur gemaakte advocaat- en accountantskosten ten laste van de nalatenschap moeten komen of slechts voor rekening van [gedaagde] , en in het verlengde daarvan op welke wijze de nalatenschap moet worden verdeeld.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de taak van de executeur is geëindigd, maar dat in deze procedure geen decharge aan hem kan worden verleend. Verder komen de advocaat- en accountantskosten ten laste van de nalatenschap, zodat dit in acht moet worden genomen bij de verdeling van de nalatenschap die plaats dient te vinden volgens de methodiek van de executeur. Hierna worden deze beslissingen nader uitgelegd.

2.De procedure

2.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- de rolbeslissing van 20 augustus 2025 (hierna: de rolbeslissing) en de daarin genoemde stukken,
- de akte reactie op de rolbeslissing van [eiser] van 1 oktober 2025, met producties 34 tot en met 37,
- de akte van [gedaagde] van 15 oktober 2025, met producties 1 tot en met 3,
- de akte uitlating producties van [eiser] .

3.De feiten

De rechtbank verwijst naar de in de rolbeslissing opgenomen feiten en stelt verder de volgende feiten vast.
3.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn de kinderen van [erflater] (hierna: [erflater] ) en [erflaatster] (hierna: [erflaatster] ).
3.2.
[gedaagde] heeft uit een eerdere relatie twee kinderen, [kind 1] en [kind 2] . [gedaagde] woont samen met zijn huidige partner [partner gedaagde] . [partner gedaagde] heeft een dochter uit een eerdere relatie, [kind 3] .
3.3.
[erflater] is op [overlijdensdatum 1] 2014 overleden. Bij testament van 22 juli 2010 heeft hij over zijn nalatenschap beschikt. Hij heeft daarin [erflaatster] tot enig erfgenaam benoemd en een tweetrapsmaking vastgelegd ten behoeve van zijn kinderen.
3.4.
[erflaatster] is op [overlijdensdatum 2] 2021 overleden. Bij testament van 9 mei 2019 heeft zij over haar nalatenschap beschikt. Zij heeft daarin haar kinderen tezamen en voor gelijke delen tot enige erfgenamen benoemd. Partijen hebben de nalatenschap van [erflaatster] (hierna: de nalatenschap) beneficiair aanvaard.
3.5.
[erflaatster] heeft in haar testament [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] een legaat toegekend van € 5.000,-. Daarnaast heeft [erflaatster] aan [kind 1] en [kind 2] een aanvullend legaat toegekend tot een bedrag dat gelijk staat aan het maximaal van erfbelasting vrijgestelde bedrag. Alle legaten komen ten laste van het erfdeel van [gedaagde] .
3.6.
[erflaatster] heeft in haar testament [executeur] (hierna: [executeur] ) als executeur benoemd. In het testament staat, voor zover relevant, over de taak en bevoegdheden van de executeur het volgende:
“Taken
De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.
De executeur is daarom, voor zover van toepassing, onder meer bevoegd de legaten af te geven, de erfbelasting te betalen en de schulden van de nalatenschap te voldoen.
(…)
Adviseurs
De executeur dient bij de uitoefening van zijn taak zich bij te laten staan door professionele adviseurs en/of dienstverleners zodat hij zijn taak zo goed mogelijk kan uitoefenen en er tussen de erfgenamen geen casu quo zo weinig mogelijk conflicten ontstaan.
Informatieplicht, rekening en verantwoording
De executeur moet aan een erfgenaam alle door deze gewenste inlichtingen over de uitoefening van zijn taak geven. De executeur moet jaarlijks en bij het einde
van zijn werkzaamheden aan de erfgenamen of zijn opvolger rekening en
verantwoording doen van het beheer van de nalatenschap. Deze rekening en
verantwoording dient te worden vastgelegd bij notariële akte. Alle voor de
belastingdienst van belang zijnde gegevens moet hij tijdig verschaffen.
(…)”
3.7.
[executeur] heeft zijn benoeming tot executeur aanvaard en verklaard dat de erfenis ruimschoots voldoende baten heeft.
3.8.
[executeur] heeft in een eindverslag, dat dateert van 18 juli 2024, toegelicht wat hij heeft moeten doen om aan zijn verplichtingen als executeur te voldoen. Daarnaast heeft hij een overzicht van ‘Afwikkeling Nalatenschap’ en een ‘Verdelingslijst nalatenschap’ met peildatum 1 juni 2024 aan partijen verzonden. Uit dit laatste document volgt dat aan [eiser] nog een bedrag van € 67.510,84 toekomt en aan [gedaagde] € 15.447,84.
3.9.
[executeur] heeft zich bij de uitoefening van zijn taak als executeur laten bijstaan door een advocaat en voor bepaalde (financiële) werkzaamheden een accountantskantoor ingeschakeld, te weten BDO Accountants & Belastingadviseurs B.V. (hierna: BDO). Deze laatste heeft onder andere het doen van aangifte erfbelasting en inkomstenbelasting verzorgd. Voor beide externe adviseurs zijn kosten gemaakt.
3.10.
Partijen hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over de verdeling van de nalatenschap, meer in het bijzonder over de vraag of de gemaakte kosten van de door [executeur] ingeschakelde externe adviseurs ten laste moeten komen van de nalatenschap.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis:
I. voor recht verklaart dat de taak van executeur is geëindigd,
II. voor recht verklaart dat [executeur] in zijn hoedanigheid van executeur met zijn eindverslag, cijfermatige uitwerking van de geldstromen en de cijfermatige uitwerking van de uit te betalen bedragen aan de erfgenamen, rekening en verantwoording heeft afgelegd voor al zijn werkzaamheden en dat hij daarmee is gedechargeerd voor het door hem gevoerde beheer en de gedeeltelijke afwikkeling,
III. voor recht verklaart dat de advocaatkosten, tot op heden een bedrag van € 7.010,77, alsmede de helft van de accountantskosten, tot op heden begroot op € 13.572,57, zich niet kwalificeren als schulden van de nalatenschap en uitsluitend voor rekening van [gedaagde] dienen te komen,
IV. een wijze van verdeling van de nalatenschap gelast, waarbij [gedaagde] nog een bedrag toekomt van € 6.852,74 en [eiser] nog een bedrag van € 76.105,94,
V. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.
4.2.
[eiser] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [executeur] zijn taken als executeur naar behoren heeft vervuld en inmiddels het executeurstraject heeft afgerond, zodat zijn taak is geëindigd en aan hem decharge kan worden verleend. Verder heeft [executeur] advocaat- en accountantskosten moeten maken vanwege dreigementen en eisen van [gedaagde] . In het testament van [erflaatster] stond dat [executeur] ter uitoefening van zijn taak externe adviseurs mocht inschakelen, zodat een deel van deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt. Omdat de gemaakte advocaatkosten en de helft van de accountantskosten onnodig waren en uitsluitend door toedoen van [gedaagde] zijn veroorzaakt, moeten deze kosten niet als schulden van de nalatenschap worden beschouwd, maar alleen voor rekening van [gedaagde] komen. Bovendien heeft [gedaagde] in strijd gehandeld met de goede trouw vanwege zijn niet constructieve houding gedurende de afwikkeling van de nalatenschap, zodat hij in de kosten van deze procedure moet worden veroordeeld.
4.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vorderingen en voert aan dat die moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
4.4.
[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] heeft meerdere vragen aan de executeur gesteld die onbeantwoord zijn gebleven en om inlichtingen/stukken verzocht die niet zijn verstrekt. Daarnaast heeft de executeur verschillende werkzaamheden niet, niet tijdig of niet goed uitgevoerd, waaronder het niet (juist) afleggen van een rekening en verantwoording en het indienen van een onjuiste aangifte erfbelasting 2021. Omdat de executeur deze taken nog moet volbrengen, is zijn taak nog niet geëindigd. Los daarvan heeft [eiser] geen belang bij het vorderen van een verklaring voor recht dat de taak van de executeur is geëindigd, omdat dit van rechtswege eindigt nadat zijn taak is volbracht. [eiser] kan dit ook niet als erfgenaam namens of ten behoeve van de executeur vragen, omdat de executeur dit zelf moet doen. Dit geldt ook voor het vorderen van een verklaring voor recht voor het verlenen van decharge. Bovendien ziet dit op de rekening en verantwoording van de executeur en moet dit in een eventuele procedure bij de kantonrechter aan bod komen, zodat de rechtbank niet bevoegd is om op deze vordering te beslissen. Verder betwist [gedaagde] dat hij dreigementen heeft geuit, eisen heeft gesteld en geweigerd heeft om zich constructief op te stellen bij de afwikkeling van de nalatenschap. Hij heeft slechts om opheldering verzocht en terechte vragen gesteld, zodat de gemaakte advocaat- en accountantskosten niet alleen voor zijn rekening dienen te komen. Voor zover de wijze van verdeling wordt gelast, verzoekt [gedaagde] te bepalen dat deze kosten uit het saldo van de nalatenschap worden voldaan.
4.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
In de rolbeslissing is een beschouwing gegeven van de juridische consequenties van de testamenten van [erflater] en [erflaatster] . De rechtbank heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over wat in deze rolbeslissing is overwogen en [gedaagde] is daarnaast nog in de gelegenheid gesteld om inhoudelijk op de akte van 30 juli 2025 van [eiser] te reageren.
5.2.
Partijen hebben zich in hun aktes hierover uitgelaten. Hieruit leidt de rechtbank af dat partijen het er niet over eens zijn om de executeur kwijting te verlenen en tot verdeling van de nalatenschap over te gaan. Hierna wordt daarom ingegaan op de vorderingen van [eiser] .
De gevorderde verklaring voor recht dat de taak van de executeur is geëindigd wordt toegewezen
5.3.
Partijen twisten over de vraag of de taak van [executeur] als executeur is geëindigd. Op grond van artikel 4:144 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) heeft de executeur de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen. Wanneer de executeur deze werkzaamheden als zodanig heeft voltooid, eindigt zijn taak (artikel 4:149 lid 1 onder Pro a BW). De rechtbank komt tot het oordeel dat de taak van de executeur is geëindigd en overweegt daartoe het volgende.
5.4.
Uit de overgelegde stukken volgt dat de executeur gereed is met het in kaart brengen van de omvang van de nalatenschap, hij heeft schulden van de nalatenschap voldaan en de legaten overeenkomstig het testament afgegeven en daarmee is de nalatenschap geschikt voor verdeling. [gedaagde] heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat de executeur zijn werkzaamheden nog niet heeft voltooid en de rechtbank begrijpt uit zijn verweer dat er nog schulden van de nalatenschap zouden bestaan die aan [gedaagde] zouden moeten worden voldaan, maar de rechtbank volgt [gedaagde] hierin niet en legt hierna uit waarom.
5.5.
[gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de aangifte erfbelasting 2021 op een te hoog bedrag is gebaseerd en dat daarom nog een correctie moet worden ingediend bij de Belastingdienst, en dat de aangifte erfbelasting van de nalatenschap van [erflater] op een te laag bedrag is gebaseerd. In de rolbeslissing is overwogen dat [gedaagde] , na herberekening van de Belastingdienst, het teveel betaalde terug heeft ontvangen. Weliswaar betwist [gedaagde] dit en voert hij aan dat de Belastingdienst dit heeft uitbetaald op de ervenrekening, maar [eiser] heeft hiertegen ingebracht dat [gedaagde] de erfbelasting niet heeft betaald, waardoor de executeur dit vanuit de nalatenschap heeft voorgeschoten en dat het daarom terecht is dat het teveel betaalde is overgemaakt naar de ervenrekening. Gelet op deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van [gedaagde] gelegen om zijn stelling dat hij zelf het teveel betaalde aan erfbelasting had moeten ontvangen, nader te onderbouwen. Nu hij dit niet heeft gedaan, kan dit niet leiden tot het oordeel dat er nog kosten vanuit de nalatenschap aan [gedaagde] moeten worden voldaan en een andere verdeling moet plaatsvinden dan de executeur heeft voorgesteld. In de rolbeslissing onder 2.7 heeft de rechtbank met een voorbeeld voorgerekend dat het te laag berekenen van het erfdeel van [erflater] feitelijk niet tot andere bedragen leidt. Ook hier kan dus het voorstel van de executeur/BDO voor de fiscaliteit worden gevolgd.
5.6.
[gedaagde] heeft verder nog commentaar gegeven op wat in de rolbeslissing is overwogen over de giftenstaat. Hoewel [gedaagde] er terecht op heeft gewezen dat een onjuiste opstelling van de giften kan leiden tot een vordering van de nalatenschap op [eiser] of [gedaagde] dan wel een schuld van de nalatenschap aan de een of ander, heeft [gedaagde] verder niet toegelicht waarom de giftenstaat nu niet klopt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de giftenstaat juist is en dat er vanuit de nalatenschap dus niets meer voor giften aan [eiser] of [gedaagde] hoeft te worden voldaan.
5.7.
Dit alles maakt dat de rechtbank constateert dat [executeur] als executeur zijn uit de wet en het testament voortvloeiende werkzaamheden als zodanig heeft voltooid en dat zijn taak dus van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 4:149 lid 1 sub a BW Pro. De rechtbank zal daarom de gevorderde verklaring voor recht dat de taak van de executeur is geëindigd (vordering I van [eiser] ) in zoverre toewijzen. Anders dan [gedaagde] heeft aangevoerd heeft [eiser] er belang bij dat dit in rechte wordt vastgesteld omdat dit betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen [eiser] en [gedaagde] in het kader van de nalatenschap en dit nu juist tussen partijen ter discussie staat.
5.8.
Hoewel [gedaagde] er terecht op wijst dat [executeur] nog geen definitieve rekening en verantwoording heeft afgelegd staat dit er niet aan in de weg dat [executeur] zijn taak als executeur als zodanig heeft voltooid. Uit artikel 4:151 BW Pro volgt dat een executeur pas verplicht is een rekening en verantwoording af te leggen op het moment dat de bevoegdheid tot beheer van de nalatenschap is geëindigd. Het einde van de taak van de executeur brengt echter niet automatisch mee dat ook het beheer van de executeur eindigt, want de executeur zal ook het beheer moeten beëindigen. [1] Nu de taak van [executeur] als executeur is geëindigd, brengt dit met zich dat [executeur] het beheer van de nalatenschap moet beëindigen door de goederen ter beschikking van de erfgenamen te stellen (artikel 4:150 BW Pro) en een rekening en verantwoording dient af te leggen (artikel 4:151 BW Pro en artikel 4:161 lid 1 BW Pro).
De gevorderde verklaring voor recht dat een rekening en verantwoording is afgelegd en decharge aan de executeur moet worden verleend wordt afgewezen
5.9.
Zoals in de rolbeslissing is overwogen kunnen er nog vragen aan de executeur worden gesteld in het kader van de rekening en verantwoording. Daarnaast heeft [gedaagde] aangegeven dat hij vanwege onbeantwoorde vragen op dit moment geen decharge aan de executeur kan verlenen. Dat betekent dat de gevorderde verklaring voor recht dat de executeur een rekening en verantwoording heeft afgelegd en hij moet worden gedechargeerd van zijn werkzaamheden (vordering II van [eiser] ) niet kan worden toegewezen. Dat zal in een eventuele procedure bij de kantonrechter aan de orde moeten worden gesteld.
De advocaat- en accountantskosten komen ten laste van de nalatenschap
5.10.
[eiser] stelt dat de door de executeur gemaakte advocaatkosten en de helft van de accountantskosten niet als schulden van de nalatenschap moeten worden beschouwd, maar slechts voor rekening van [gedaagde] moeten komen. Zij meent dat deze kosten onnodig en uitsluitend door het toedoen van [gedaagde] zijn veroorzaakt. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat hij terechte vragen heeft gesteld omdat de executeur heeft nagelaten gevraagde informatie over de executele te verstrekken.
5.11.
Vooropgesteld wordt dat artikel 4:7 lid 1 sub d BW Pro bepaalt dat de kosten van executele schulden van de nalatenschap zijn en dus voor rekening van de erfgenamen komen. Uit het testament van [erflaatster] volgt dat [executeur] als executeur de bevoegdheid heeft om bij de afwikkeling van de nalatenschap professionele adviseurs en/of dienstverleners in te schakelen. In het algemeen geldt ook dat het bij de afwikkeling van een nalatenschap noodzakelijk of wenselijk kan zijn dat de executeur hulppersonen inschakelt, zoals in dit geval: een advocaat of een accountant. [2]
5.12.
De rechtbank is van oordeel dat de advocaat- en accountantskosten niet uitsluitend voor rekening van [gedaagde] moeten komen, maar ten laste van de nalatenschap moeten worden gebracht. Zoals in de rolbeslissing is overwogen is de executeur niet vanaf het begin volledig open geweest tegenover [gedaagde] en heeft hij hem niet (meteen) voorzien van alle gewenste informatie, terwijl hij daartoe wel gehouden was. Dat brengt mee dat [gedaagde] (deels) terechte vragen heeft gesteld en om inlichtingen/stukken heeft verzocht waar hij recht op had, zodat de daarmee samenhangende door de executeur gemaakte advocaat- en accountantskosten voor rekening van beide erfgenamen moeten komen. De gevorderde verklaring voor recht dat deze kosten uitsluitend voor rekening van [gedaagde] dienen te komen (vordering III van [eiser] ) wordt dan ook afgewezen.
De verdeling van de nalatenschap
5.13.
[eiser] heeft een verdeling gevorderd van de nalatenschap waarbij de advocaat- en accountantskosten (deels) voor rekening van [gedaagde] komen en dit verrekend moet worden met de eindafrekening, zoals de executeur heeft opgenomen in de verdelingslijst nalatenschap met peildatum 1 juni 2024. [gedaagde] is het hier niet mee eens en vordert dat een verdeling wordt bepaald waarbij de advocaat- en accountantskosten uit het saldo van de nalatenschap worden voldaan.
5.14.
Nu hiervoor is vastgesteld dat de advocaat- en accountantskosten ten laste van de nalatenschap moeten worden gebracht, moet dit in aanmerking worden genomen bij de verdeling. De rechtbank overweegt verder dat de verdelingslijst zoals opgesteld door de executeur, aanknopingspunten biedt die gevolgd kunnen worden voor de wijze van verdeling. Het staat namelijk vast dat er geen schulden meer openstaan van de nalatenschap. Daarbij wordt ook overgenomen wat in de rolbeslissing is voorgehouden. De opmerkingen van [gedaagde] over de betaling van het erfdeel van [erflater] vanuit bezwaard vermogen wordt niet gevolgd. In rechtsoverweging 5.5 is al ingegaan op de opmerking over de aanslag van de Belastingdienst en de onderbouwing van de erfbelasting. Op het moment van het overlijden van [erflaatster] bestaat geen bezwaard vermogen meer en kan verrekening plaatsvinden. Voor het overige hecht [gedaagde] geen gevolgen voor de verdeling aan deze opmerking. Dit is slechts anders voor zover een eventuele rekening en verantwoording van de executeur leidt tot een verschil in het vermogen van de nalatenschap.
5.15.
Gelet op het bovenstaande bepaalt de rechtbank dat de verdeling van de nalatenschap moet plaatsvinden volgens de methodiek van de executeur, waarbij in acht moet worden genomen dat de advocaat- en accountantskosten geheel ten laste van de nalatenschap komen en wat in de rolbeslissing is voorgehouden. Wel geldt dat voor zover een rekening en verantwoording van de executeur door één van de erfgenamen is verzocht en dit leidt tot een wijziging van de omvang van de nalatenschap, dit ook in acht moet worden genomen.
Slotsom
5.16.
Uit het bovenstaande volgt dat de taak van de executeur is geëindigd, maar dat de gevorderde verklaring voor recht dat decharge aan de executeur wordt verleend niet kan worden toegewezen. Dit zal in een eventuele procedure bij de kantonrechter moeten worden verzocht. De rechtbank stelt verder de wijze van de verdeling vast volgens de methodiek van de executeur, waarbij de advocaat- en de accountantskosten geheel ten laste van de nalatenschap komen en in acht moet worden genomen wat in de rolbeslissing is voorgehouden.
Proceskosten
5.17.
Het geschil betreft de verdeling van de nalatenschap van de moeder van partijen en is daarmee familierechtelijk van aard. De rechtbank ziet in de gestelde feiten en omstandigheden geen aanleiding om één van de partijen in de kosten te veroordelen. De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
verklaart voor recht dat de taak van de executeur is geëindigd,
6.2.
stelt de wijze van verdeling van de nalatenschap vast zoals hiervoor in r.o. 5.15 is bepaald,
6.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.4.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Zie HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:38.
2.Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 4 oktober 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:8605 en [naam] 26 maart 2021, ECLI:NL:PHR:2021:309.