Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
gezamenlijkredengevend heeft geacht voor het ontslag van de executeur. Dit oordeel brengt volgens de broer mee dat de motivering van de bestreden ontslagbeslissing al tekort schiet indien één van deze gronden in cassatie geen stand houdt. In de onderdelen 1.d tot en met 1.h bestrijdt de broer daarom achtereenvolgens elk van de vijf door het hof genoemde gronden.
alleerfgenamen te koop is aangeboden en dat alle erfgenamen dus gelijke mogelijkheden hadden. Het hof noemt dit niet; het lijkt erop dat het hof meent dat de broer de woning zonder meer aan zichzelf wilde verkopen.
Onderdeel 1.ibouwt voort op de voorgaande middelonderdelen en behoeft verder geen bespreking.
als executeur. In rov. 3.7.5 spreekt het hof ineens over de functie van de broer als ‘executeur afwikkelingsbewindvoerder’, waaruit hij door de kantonrechter zou zijn ontslagen en in rov. 3.7.6 spreekt het hof van de broer als ‘executeur c.a.’. Volgens de klacht is in het dossier geen aanwijzing te vinden dat het inleidend verzoek en de beslissing van de kantonrechter ook betrekking zouden hebben op een ontslag van de broer als ‘afwikkelingsbewindvoerder’ (onderdeel 2.c). Het debat kon niet gaan over enig handelen of nalaten van de broer als ‘afwikkelingsbewindvoerder’, omdat hij van deze bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt (onderdeel 2.d).
als executeurzal bekrachtigen. Daarmee kan niet anders zijn bedoeld dan: als executeur met de bevoegdheden die hem als zodanig in het testament zijn toegekend. Anders dan het onderdeel veronderstelt, ziet de bekrachtiging van de ontslagbeslissing niet op een andere beslissing dan die, welke de kantonrechter heeft genomen.
dictumten aanzien van het ontslagverzoek, zoals de broer in de toelichting op middel 4 erkent. Het materieel belang van de broer bij deze klacht is betrekkelijk gering: onder 2.f wijst de broer op de omstandigheid dat de partner van de erflater als ‘belanghebbende’ in de procedure een recht zou kunnen ontlenen op inzage in processtukken waarvan zij volgens de broer onkundig zou moeten blijven. Op zich correct is het standpunt dat de rechtspositie van een legataris niet wijzigt wanneer de bij testament aangewezen executeur wordt ontslagen op de voet van art. 4:149 lid 2 BW Pro.
moestaanvaarden als belanghebbende in de procedure, maar of het hof haar als zodanig
mochtaanvaarden. Aan de hand van het in rov. 3.4.2 aangehaalde criterium mocht het hof ondanks de door de broer aangevoerde argumenten tot het oordeel komen dat de partner van de erflater – los van een eventueel belang als legataris om te worden uitbetaald – door haar woonsituatie zo nauw betrokken is bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld – het door de broer als executeur gevoerde beleid − dat daarin een voldoende belang was gelegen om, zo zij dat wenste, in de procedure te mogen verschijnen. Dat de partner van de erflater zelf niet behoorde tot de personen die volgens de wet het ontslag van de executeur kunnen verzoeken, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt voor het argument van de broer dat in deze procedure niet over haar aanspraak op het vruchtgebruik van de woning wordt beslist. Mijn slotsom is dat middel 4 faalt.