ECLI:NL:RBAMS:2026:1072

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
13/209321-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:1:18 SvArt. 6:2:10 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging proeftijd voorwaardelijke invrijheidstelling wegens noodzakelijke begeleiding

De rechtbank Amsterdam heeft op 13 januari 2026 de vordering van het Openbaar Ministerie toegewezen tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van de veroordeelde met 180 dagen. De veroordeelde was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar in Hongarije, waarvan een deel in Nederland wordt uitgevoerd. De v.i. ging in op 28 januari 2025 met een proeftijd van 365 dagen.

De verlenging is aangevraagd omdat de ambulante begeleiding, een bijzondere voorwaarde van de v.i., vanwege wachtlijsten nog niet was gestart. De reclassering adviseerde de verlenging om de veroordeelde te ondersteunen bij het vergroten van zijn zelfredzaamheid en het omgaan met zijn licht verstandelijke beperking. De begeleiding richt zich onder meer op planningsvaardigheden en het behouden van werk.

De rechtbank weegt mee dat de veroordeelde bij zijn ouders woont die hem ondersteunen, maar dat hij nog onvoldoende zelfredzaam is om zelfstandig juiste keuzes te maken. De verlenging van de proeftijd met wekelijkse afspraken en begeleiding wordt noodzakelijk en proportioneel geacht om het recidiverisico te beperken en de stabiliteit in het dagelijks leven te bevorderen.

De raadsman van de veroordeelde betoogde dat verlenging niet nodig is omdat de veroordeelde goed functioneert en geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, maar de rechtbank volgt het reclasseringsadvies. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met 180 dagen om verdere begeleiding en ondersteuning te waarborgen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht

parketnummer:13/209321-24

v.i.-zaaknummer: 89-000153-88
Uitspraakdatum: 13 januari 2026
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken op de vordering van het Openbaar Ministerie ex artikel 6:1:18 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1996 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in op het adres [inschrijvingsadres] ,
hierna: de veroordeelde.

Onderzoek ter terechtzitting

De beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
  • de beslissing tot v.i. van 20 januari 2025;
  • het reclasseringsadvies van 13 maart 2025;
  • de beslissing tot wijziging van de bijzondere voorwaarden bij v.i. van 19 maart 2025;
  • het reclasseringsadvies van 3 december 2025;
  • de vordering van het Openbaar Ministerie ontvangen op de griffie op 16 december 2025.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D. Jironet-Loewe, en van wat de veroordeelde en zijn raadsman mr. L.M.A. Schwartz naar voren hebben gebracht.
De rechtbank heeft verder als deskundige [naam] , reclasseringswerker, gehoord.

Procesgang

Op 30 november 2022 is bij onherroepelijk geworden vonnis van het Baja District Court in Hongarije aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 2 jaar (730 dagen) opgelegd met aftrek van 591 dagen.
De tenuitvoerlegging van de straf is overgenomen door Nederland. De zaak is onder parketnummer 13/209321-24 geregistreerd.
Het Openbaar Ministerie heeft bij beslissing van 20 januari 2025 aan de veroordeelde v.i. verleend. De v.i. is ingaan op 28 januari 2025. Op dat moment is de proeftijd van 365 dagen gaan lopen. Het strafrestant is 211 dagen.
Naar aanleiding van het advies van de reclassering van 13 maart 2025 heeft het Openbaar Ministerie de aan de v.i. verbonden bijzondere voorwaarden bij beslissing van 19 maart 2025 gewijzigd. Deze beslissing is op 5 april 2025 aan de veroordeelde betekend. Sindsdien gelden de volgende bijzondere voorwaarden:
Meldplicht:
De veroordeelde meldt zich bij Reclassering Nederland, [adres] in Amsterdam en blijft zich melden bij de reclassering, zolang en zo vaak als de reclassering dat nodig vindt.
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Als de reclassering het geïndiceerd vindt, moet de veroordeelde meewerken aan plaatsing en verblijf in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, althans in een soortgelijke instelling.
Andere voorwaarden het gedrag betreffende
De veroordeelde werkt mee aan of spant zich actief in voor (een traject gericht op) het verkrijgen van het behouden van een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding. De veroordeelde werkt mee aan ambulante begeleiding door Stichting Mee of soortgelijke instelling. Hij houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen die hij in het kader van die begeleiding door of namens de begeleiding gegeven worden. De veroordeelde toont een open, gemotiveerde en meewerkende houding met betrekking tot het toezicht en de bijzondere voorwaarden. Ook als dit inhoudt het meewerken aan een IQ-onderzoek.
De proeftijd zal – volgens de huidige berekening – op 28 januari 2026 aflopen.
De rechtbank heeft op 16 december 2025 een schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie ontvangen die ertoe strekt dat de proeftijd van de v.i. wordt verlengd.

De vordering

De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank de proeftijd van de v.i. met honderdtachtig dagen (zes maanden) verlengt.
De vordering is als volgt onderbouwd. Een van de bijzondere voorwaarden bij de v.i. is het meewerken aan ambulante begeleiding. Deze begeleiding is vanwege de wachtlijsten nog niet gestart. De reclassering acht het noodzakelijk dat deze ambulante begeleiding wordt gestart om het recidiverisico te verlagen en om de veroordeelde handvatten te geven om zelfstandig het recidiverisico laag te houden. De veroordeelde woont bij zijn ouders, die hem ondersteunen, maar het ontbreekt aan zelfredzaamheid om zelfstandig de juiste keuzes te blijven maken. Het verlengen van de proeftijd met zes maanden is noodzakelijk om de veroordeelde te ondersteunen in het vergroten van zijn zelfredzaamheid en om hem te begeleiden in het omgaan met zijn licht verstandelijke beperking. Middels de ambulante begeleiding zal de veroordeelde ondersteuning krijgen in het accepteren van zijn beperkingen en het ontwikkelen van vaardigheden die zijn dagelijks leven zullen verbeteren. Daarnaast zal met de veroordeelde worden gewerkt aan het vergroten van zijn planningsvaardigheden en het behouden van zijn baan. Deze zelfredzaamheid is er momenteel nog onvoldoende, maar is wel noodzakelijk om de veroordeelde na het afronden van zijn v.i. uit het delictgedrag te houden.

Beoordeling

De v.i.-regeling
De v.i.-regeling heeft als uitgangspunt dat als is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:2:10 Sv Pro, een veroordeelde aan wie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd voorwaardelijk in vrijheid gesteld wordt na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. De v.i. geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Het Openbaar Ministerie kan bij de v.i. bijzondere voorwaarden betreffende het gedrag van de veroordeelde stellen. De proeftijd is gelijk aan de periode waarover de v.i. wordt verleend, maar bedraagt ten minste een jaar. Op vordering van het Openbaar Ministerie kan de rechtbank de proeftijd met ten hoogste twee jaar verlengen.
Verlengen van de proeftijd
De proeftijd van de v.i. kan alleen worden verlengd als en voor zolang dat met het oog op het beperken van het recidiverisico noodzakelijk en proportioneel is. Bij de beoordeling van een vordering tot verlenging van de v.i. moet de rechtbank alle relevante individuele feiten en omstandigheden betrekken, waaronder de belangen van de veroordeelde en het belang van de veiligheid van de samenleving.
Advies van de deskundige
De reclassering heeft in haar rapport van 3 december 2025, opgesteld door [naam] , geadviseerd de proeftijd met zes maanden te verlengen. Zij schrijft onder meer dat het verlengen van het toezicht met zes maanden cruciaal is om de veroordeelde verder te ondersteunen in zijn ontwikkeling. Dit biedt tijd en ruimte om zijn zelfredzaamheid te vergroten en hem meer handvatten te bieden om te leren omgaan met de tekortkomingen die gepaard gaan met zijn licht verstandelijke beperking. Met de aanstaande ambulante begeleiding kan hij gericht werken aan planningsvaardigheden en het behouden van zijn baan. Dit toezicht helpt ook om het risico op recidive te verlagen door stabiliteit te bieden in zijn dagelijkse leven. Bovendien zorgt de verlenging ervoor dat hij de juiste begeleiding en ondersteuning krijgt om zijn uitdagingen effectief aan te pakken. De ouders van veroordeelde hebben ook de noodzaak van deze begeleiding aangegeven. Zo worden zij ontlast. Tot slot is het essentieel om de resultaten van het IQ-onderzoek te bespreken, zodat deze inzichten worden geïntegreerd in zijn begeleidingstraject.
[naam] , die ter zitting als deskundige is gehoord, heeft – kort gezegd – het advies herhaald en nogmaals uitgelegd dat het nog altijd noodzakelijk is dat de veroordeelde begeleiding en ondersteuning krijgt. De veroordeelde zou nog een half jaar eens per week een afspraak met de reclassering moeten hebben om de hiervoor beschreven doelen te realiseren. De ouders van de veroordeelde zijn betrokken. Er is goed contact met de vader van de veroordeelde en die staat ook achter verlenging van de proeftijd. Het voordeel van het moeten naleven van (bijzondere) voorwaarden is dat het reclasseringscontact niet vrijblijvend is en de veroordeelde dus naar de afspraken zal moeten komen ook als hij het zelf niet nodig vindt, aldus de deskundige.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering tot verlenging van de proeftijd van de v.i. met honderdtachtig dagen gehandhaafd.
Standpunt van de veroordeelde
De raadsman van de veroordeelde heeft bepleit de vordering af te wijzen en het volgende aangevoerd. De veroordeelde is al een jaar goed bezig. Hij werkt zeven dagen per week. Het is dus niet nodig om de proeftijd te verlengen. De veroordeelde heeft ook geen nieuwe strafbare feiten gepleegd.
De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat als het gaat om één afspraak per week en het alleen gaat om de puntjes op de i te zetten, de veroordeelde wel zal meewerken met de reclassering als dat moet. Belangrijk is dat de bijzondere voorwaarde van begeleid wonen zal komen te vervallen.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is op grond van het advies van de reclassering en de daarop ter zitting gegeven toelichting van oordeel dat het noodzakelijk en proportioneel is de proeftijd met honderdtachtig dagen (zes maanden) te verlengen. De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde op de goede weg is, maar met het oog op de toekomst het komende half jaar nog de nodige hulp en steun kan gebruiken die de reclassering hem kan geven. Met een verlenging van de proeftijd voor zes maanden en de daarbij behorende wekelijkse afspraken, begeleiding, controle en ondersteuning kan het risico op recidive worden verminderd en kunnen de beschermende factoren worden vergroot.

Beslissing

De rechtbank:
  • wijst de vordering van het Openbaar Ministerie toe; en
  • beveelt dat de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling van Hamza Ali met
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, voorzitter,
mr. H.E. Hoogendijk en mr. D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.