De rechtbank Amsterdam heeft op 13 januari 2026 de vordering van het Openbaar Ministerie toegewezen tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) van de veroordeelde met 180 dagen. De veroordeelde was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar in Hongarije, waarvan een deel in Nederland wordt uitgevoerd. De v.i. ging in op 28 januari 2025 met een proeftijd van 365 dagen.
De verlenging is aangevraagd omdat de ambulante begeleiding, een bijzondere voorwaarde van de v.i., vanwege wachtlijsten nog niet was gestart. De reclassering adviseerde de verlenging om de veroordeelde te ondersteunen bij het vergroten van zijn zelfredzaamheid en het omgaan met zijn licht verstandelijke beperking. De begeleiding richt zich onder meer op planningsvaardigheden en het behouden van werk.
De rechtbank weegt mee dat de veroordeelde bij zijn ouders woont die hem ondersteunen, maar dat hij nog onvoldoende zelfredzaam is om zelfstandig juiste keuzes te maken. De verlenging van de proeftijd met wekelijkse afspraken en begeleiding wordt noodzakelijk en proportioneel geacht om het recidiverisico te beperken en de stabiliteit in het dagelijks leven te bevorderen.
De raadsman van de veroordeelde betoogde dat verlenging niet nodig is omdat de veroordeelde goed functioneert en geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd, maar de rechtbank volgt het reclasseringsadvies. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer en openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.