De klager werd verdacht van het weigeren van medewerking aan een ademanalyse op 26 augustus 2025. Naar aanleiding hiervan vorderde de politie op 27 augustus 2025 de overgifte van zijn rijbewijs. De klager kon hier aanvankelijk niet aan voldoen omdat hij het rijbewijs kwijt was, maar leverde het uiteindelijk op 26 november 2025 in bij de politie.
De officier van justitie besloot op 17 december 2025 het rijbewijs tot uiterlijk 25 mei 2026 in te houden. De klager diende daarop een klaagschrift in op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, stellende dat de beslissing tot invordering niet tijdig was genomen.
De rechtbank oordeelde dat van invordering pas sprake is wanneer het rijbewijs daadwerkelijk is ontvangen door politie of OM. Omdat de officier van justitie niet binnen tien dagen na ontvangst van het rijbewijs een beslissing tot inhouding had genomen, moest het rijbewijs worden teruggegeven. De rechtbank wees erop dat dit niet verhindert dat in de strafzaak alsnog een ontzegging van rijbevoegdheid kan worden opgelegd.
De beslissing werd in openbare raadkamer genomen op 13 januari 2026, waarbij de rechter en griffier aanwezig waren. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.