ECLI:NL:RBAMS:2026:1073

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
96-278523-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggave rijbewijs wegens niet tijdige beslissing invordering volgens Wegenverkeerswet

De klager werd verdacht van het weigeren van medewerking aan een ademanalyse op 26 augustus 2025. Naar aanleiding hiervan vorderde de politie op 27 augustus 2025 de overgifte van zijn rijbewijs. De klager kon hier aanvankelijk niet aan voldoen omdat hij het rijbewijs kwijt was, maar leverde het uiteindelijk op 26 november 2025 in bij de politie.

De officier van justitie besloot op 17 december 2025 het rijbewijs tot uiterlijk 25 mei 2026 in te houden. De klager diende daarop een klaagschrift in op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, stellende dat de beslissing tot invordering niet tijdig was genomen.

De rechtbank oordeelde dat van invordering pas sprake is wanneer het rijbewijs daadwerkelijk is ontvangen door politie of OM. Omdat de officier van justitie niet binnen tien dagen na ontvangst van het rijbewijs een beslissing tot inhouding had genomen, moest het rijbewijs worden teruggegeven. De rechtbank wees erop dat dit niet verhindert dat in de strafzaak alsnog een ontzegging van rijbevoegdheid kan worden opgelegd.

De beslissing werd in openbare raadkamer genomen op 13 januari 2026, waarbij de rechter en griffier aanwezig waren. Tegen deze beslissing staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad.

Uitkomst: De rechtbank beveelt teruggave van het rijbewijs omdat de officier van justitie niet tijdig een beslissing tot inhouding heeft genomen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 96-278523-25
raadkamernummer : 25-033278
datum : 13 januari 2026
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 2000 in [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsvrouw mr. R.S.E. Bruinen,
[adres] ,
hierna te noemen: de klager.

1.Feiten en procesverloop

1.1.
Tegen de klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 163 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (weigeren medewerking ademanalyse) gepleegd op 26 augustus 2025 in Amsterdam.
1.2.
Op 27 augustus 2025 heeft de politie op grond van die verdenking de overgifte van het rijbewijs van de klager gevorderd.
1.3.
De klager heeft niet aan de vordering voldaan omdat hij zijn rijbewijs kwijt was.
1.4.
Op 22 oktober 2025 heeft het Openbaar Ministerie een brief aan klager gestuurd met de mededeling dat in geval van diefstal of vermissing van het rijbewijs dit doorgegeven moet worden aan de RDW of bij de gemeente en dit dan aan het Openbaar Ministerie moet worden gemeld.
1.5.
Op 26 november 2025 heeft de klager zijn rijbewijs bij de politie ingeleverd.
1.6.
Op 15 december 2025 heeft de advocaat van de klager verzocht het rijbewijs aan de klager terug te geven.
1.7.
Op 15 december 2025 heeft het Openbaar Ministerie het rijbewijs van klager ‘fictief ingevorderd’ voor een termijn van zeven maanden vanwege de verdenking weigeren medewerking ademanalyse.
1.8.
Op 17 december 2025 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs tot uiterlijk 25 mei 2026 wordt ingehouden.
1.9.
Op 23 december 2025 is het klaagschrift op de griffie van deze rechtbank ontvangen.
1.10.
Op 24 december 2025 heeft het Openbaar Ministerie schriftelijk het volgende standpunt ingenomen: ‘Klager verzoekt om (vervroegde) teruggave van zijn rijbewijs omdat de tiendagentermijn ex artikel 164 lid Pro WVW geschonden zou zijn. Het OM heeft op 22 oktober 2025 en op 17 december 2025 een brief aan klager gestuurd met de mededeling dat in geval van diefstal of vermissing van het rijbewijs dit doorgegeven dient te worden aan de RDW of bij de gemeente en dit dan aan het OM dient te worden gemeld. Dit is pas op 15 december 2025 bij het OM gemeld. Vervolgens heeft het OM op 17 december 2025 een invorderingsbeslissing genomen en klager hiervan in kennis gesteld, derhalve tijdig. Het OM stelt zich op het standpunt dat de invordering rechtsgeldig is geschied en verzet zich tegen teruggave.’
1.11.
De rechtbank heeft op 13 januari 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
1.12.
De rechtbank heeft de klager, de raadsvrouw van de klager en de officier van justitie mr. D. Jironet-Loewe in raadkamer gehoord.

2.Beklag

Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van de klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.

3.Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in raadkamer meegedeeld zich niet te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs omdat de klager heeft aangetoond dat hij zijn rijbewijs op 26 november 2025 heeft ingeleverd bij de politie en het Openbaar Ministerie niet binnen tien dagen nadien gebruikgemaakt heeft van de bevoegdheid het rijbewijs in te houden.

4.Beoordeling

4.1.
De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en beveelt dat het rijbewijs aan de klager moet worden teruggegeven. Zij overweegt daartoe het volgende
4.2.
Uit de stukken blijkt dat de politie op 27 augustus 2025 de overgifte van het rijbewijs van de klager heeft gevorderd. De klager heeft op 26 november 2025 zijn rijbewijs bij de politie ingeleverd.
4.3.
Van ‘invordering’ als bedoeld in artikel 164, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994 is sprake wanneer het rijbewijs naar aanleiding van een vordering tot overgifte conform artikel 164, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 door de in die bepaling genoemde personen (onder anderen ambtenaren van politie) of het Openbaar Ministerie daadwerkelijk is ontvangen. [1]
4.4.
Aangezien de officier van justitie niet binnen tien dagen na de dag van de invordering heeft beslist het rijbewijs onder zich te houden, moet het rijbewijs volgens het bepaalde in artikel 164, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, aan de klager worden teruggegeven.
4.5.
De rechtbank merkt op dat dit overigens onverlet laat dat de officier van justitie, dan wel de rechter te zijner tijd in de strafzaak aan de klager een ontzegging van de rijbevoegdheid kan opleggen voor een langere duur dan de periode die het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.
4.6.
De rechtbank merkt ten slotte uitdrukkelijk op dat de klager pas een motorvoertuig mag besturen wanneer hij het rijbewijs daadwerkelijk weer in zijn bezit heeft.

5.Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beklag gegrond en
  • beveelt de teruggave van het rijbewijs met het nummer [rijbewijsnummer] aan de klager.
Deze beslissing is gegeven door
mr. R.A. Overbosch, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026.
Tegen deze beslissing staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open,
in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na de dagtekening van deze beslissing.

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1792,