Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 november 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een beschikking van de rechtbank Gelderland over een klaagschrift tot teruggave van een ingevorderd rijbewijs. De kern van het geschil is de uitleg van het begrip 'invordering' in artikel 164 lid 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank had geoordeeld dat onder 'invordering' moet worden verstaan de vordering tot overgifte van het rijbewijs door de opsporingsambtenaar, ongeacht of het rijbewijs feitelijk is overhandigd. De Hoge Raad stelt echter dat invordering pas plaatsvindt wanneer het rijbewijs daadwerkelijk is ontvangen door politie of openbaar ministerie, conform artikel 164 lid 1 WVW Pro 1994.
De Hoge Raad baseert zich op de wetsgeschiedenis en memorie van toelichting, waarin is aangegeven dat de termijn van tien dagen voor de officier van justitie om te beslissen over inhouding van het rijbewijs ingaat op de dag na feitelijke invordering. Dit voorkomt onzekerheid over het aanvangsmoment van de termijn en bevordert rechtszekerheid voor de bestuurder.
De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling. De beslissing benadrukt dat de termijn voor de officier van justitie pas begint na ontvangst van het rijbewijs, ongeacht de datum van de vordering tot overgifte.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het vonnis en bepaalt dat de termijn voor beslissing over inhouding van het rijbewijs pas begint na feitelijke ontvangst door politie of OM.