De zaak betreft een beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om twee parkeerplaatsen aan te wijzen voor het opladen van elektrische voertuigen. Eiser betwist de motivering van het besluit en voert onder meer aan dat de gehanteerde rekenmethode onjuist is en dat er sprake is van rechtsongelijkheid.
De rechtbank stelt vast dat verweerder het belang van het verkeersbesluit en de keuzes voor het realiseren van laadpunten voldoende en inzichtelijk heeft gemotiveerd. De bezettingsgraad van bestaande laadpalen is een indicator voor de locaties en het milieubelang weegt zwaarder dan het verlies aan parkeerplaatsen. De rechtbank oordeelt dat er geen sprake is van rechtsongelijkheid tussen elektrische en niet-elektrische rijders.
Verder wijst de rechtbank erop dat een beroepsgrond over het verkeersbord pas op de zitting is aangevoerd en niet tijdig is ingebracht, waardoor deze grond buiten beschouwing wordt gelaten wegens strijd met de goede procesorde. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen vergoeding van het griffierecht.