ECLI:NL:RBAMS:2026:1159

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
C/13/769719 / HA ZA 25-1092
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWArt. 6:163 BWArt. 6:119 BWArt. 7:542 lid 5 BWBrussel I bis-Verordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bank Bunq niet aansprakelijk voor verlies door factuurfraude ondanks zorgplichtvordering

De zaak betreft een Belgische eiser die bijna €49.000 verloor door factuurfraude waarbij hij geld overmaakte naar een rekening van een derde in plaats van de verkoper van een auto. Eiser vordert van Bunq vergoeding wegens schending van de zorgplicht bij het openen van de rekening en het monitoren van transacties.

De rechtbank stelt vast dat Bunq de identiteit van de rekeninghouder volgens wettelijke vereisten heeft geverifieerd en dat de monitoringssystemen adequaat en tijdig hebben gefunctioneerd. De rekening werd direct geblokkeerd na verdachte transacties en een onderzoek gestart.

De rechtbank oordeelt dat Bunq geen bijzondere zorgplicht tegenover de eiser heeft geschonden, mede vanwege het relativiteitsvereiste en het feit dat de algemene voorwaarden slechts tussen Bunq en de rekeninghouder gelden. De vorderingen worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769719 / HA ZA 25-1092
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.R.F. van der Mark,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
BUNQ B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
hierna te noemen: Bunq,
advocaat: mr. L. Stortelder.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 14 mei 2025, met producties,
- de conclusie van antwoord, met producties,
- het tussenvonnis van 10 september 2025, waarin de mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 december 2025 en de daarin genoemde stukken,
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 9 december 2025, die zich in het dossier bevinden.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag een vonnis wordt uitgesproken.

2.De feiten

2.1.
Op 24 november 2023 heeft [naam 1] (hierna: [naam 1] ) een bankrekening geopend bij Bunq. Daarbij heeft [naam 1] een woonadres in [woonplaats] opgegeven. Drie dagen daarna – op 27 november 2023 – heeft [naam 1] een zogenoemde ‘lokale IBAN’ aangemaakt, waardoor hij ook beschikking kreeg over een Bunq-rekening met een Duits IBAN-nummer (hierna: de rekening van [naam 1] ).
2.2.
Op de bankrelatie tussen Bunq en [naam 1] zijn de algemene voorwaarden van Bunq van toepassing. De algemene voorwaarden vermelden voor zover relevant het volgende:

9. Toelatingseisen en rekeningvereisten
(…)
Om een rekening te openen, moeten we je leren kennen. Tijdens de aanmeldprocedure vragen we je om persoonlijke gegeven en documenten. (…)

10.Verantwoordelijkheden en aansprakelijkheid van de gebruiker

10.1
Zorgplicht
We willen dat je onze producten en diensten met zorg en respect gebruikt, voor je eigen veiligheid en die van anderen. Misbruik omvat alle illegale activiteiten of handelingen die bunq, onze gebruikers of andere mensen schaden.
(…)
Als bank moeten we in de gaten houden hoe je rekening wordt gebruikt. Als we merken dat je rekening wordt gebruikt op een manier die niet in overeenstemming is met het beoogde doel en we dit te riskant vinden, moeten we je rekening mogelijk sluiten zonder dat we hier op welke wijze dan ook verantwoordelijk voor kunnen worden gesteld.
10.2
Financieel misbruik
(…)
Onze rekeningen zijn bedoeld voor dagelijks bankieren, zoals betalingen doen en geld sparen. Ze zijn niet bedoeld voor zakelijke activiteiten of het ontvangen van
liefdadigheidsdonaties; hiervoor bieden wij zakelijke rekeningen aan. Om het risico op misbruik te minimaliseren, vragen we je om je account niet voornamelijk voor deze risicovolle activiteiten te gebruiken:
(…)
 grote hoeveelheden contant geld storten of opnemen; (…)”
2.3.
[eiser] woont in [woonplaats] en houdt een bankrekening aan bij de Belgische Belfius Bank (hierna: Belfius).
2.4.
Omstreeks 2 januari 2024 heeft [eiser] een Porsche Cayman gekocht voor € 52.000 van de Duitse autohandelaar [naam 5] (hierna: [naam 5] ).
2.5.
Op 3 januari 2024 heeft [eiser] vanaf zijn Belfius-rekening een bedrag van € 2.000 overgemaakt op de rekening van [naam 1] , met vermelding van ‘ [naam 5] Automobile’ als begunstigde en de beschrijving ‘Porsche CAYMAN 261264’.
2.6.
De volgende dag – 4 januari 2024 – heeft [eiser] een bedrag van € 50.000 op dezelfde rekening van [naam 1] overgemaakt, waarbij hij ook [naam 5] als begunstigde heeft vermeld samen met de beschrijving ‘Cayman 261264’. Dit bedrag is om 10:43 uur ontvangen op de rekening van [naam 1] .
2.7.
Dezelfde dag zijn kort na elkaar de volgende overboekingen gedaan vanaf de rekening van [naam 1] :
  • om 11:33 uur € 29.000 aan [naam 2] op een Hongaars rekeningnummer;
  • om 11:39 uur € 9.900 aan [naam 1] op een Italiaans rekeningnummer;
  • om 11:41 uur € 9.900 aan [naam 3] op een Spaans rekeningnummer, maar dit bedrag is meteen weer teruggeboekt onder de vermelding ‘payment was reverted for technical reasons’;
  • om 11:47 uur € 9.980 aan [naam 4] op een Spaans rekeningnummer.
2.8.
Bunq heeft dezelfde dag om 11:56 uur de rekening van [naam 1] geblokkeerd voor uitgaande transacties.
2.9.
Op enig moment daarna bleek dat [naam 5] het totaalbedrag van € 52.000 niet had ontvangen. Daarop heeft [eiser] aangifte gedaan bij de politie in België, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Daarin wordt het vermoeden uitgesproken dat een hacker het e-mailverkeer tussen [naam 5] en [eiser] heeft onderschept en het daadwerkelijke rekeningnummer van [naam 5] heeft veranderd naar het rekeningnummer van [naam 1] .
2.10.
Bunq is na de blokkade van de rekening van [naam 1] een onderzoek gestart naar de overboekingen. Op 12 februari 2024 heeft Bunq aan [naam 1] medegedeeld dat zij de klantrelatie met hem beëindigt en zijn rekeningen zal sluiten. Na de blokkade stond nog een bedrag van € 3.104,02 op de rekening van [naam 1] , dat Bunq onder zich heeft gehouden.
2.11.
Dezelfde dag heeft Bunq een bericht naar Belfius gestuurd waarin staat dat zij vermoedt dat de transacties van 3 en 4 januari 2024 vanaf de rekening van [eiser] frauduleus zijn. In dat bericht heeft Bunq ook aan Belfius gevraagd te bevestigen of dat klopt.
2.12.
Belfius heeft op dat bericht bevestigend gereageerd en verschillende stukken aan Bunq verstrekt. Daarna heeft Bunq op 4 maart 2024 voornoemd bedrag van € 3.104,02 overgemaakt aan [eiser] .
2.13.
Momenteel loopt in Duitsland een strafrechtelijk onderzoek naar [naam 1] . Tot op heden heeft dat onderzoek niets opgeleverd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, Bunq veroordeelt tot betaling van:
  • € 48.895,98, te vermeerderen met de wettelijke rente;
  • € 2.444,80 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  • de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat Bunq is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [eiser] .
3.3.
Bunq voert verweer. Bunq concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] slachtoffer is geworden van factuurfraude. [eiser] was in de veronderstelling dat hij € 52.000,- had overgemaakt op de rekening van [naam 5] voor de aanschaf van een auto, maar in werkelijkheid heeft hij dit bedrag overgemaakt op de rekening van [naam 1] . Daarna is de rekening grotendeels leeggehaald, waardoor [eiser] bijna € 49 duizend is verloren. [eiser] wil dat Bunq dit bedrag aan hem vergoedt. Volgens hem heeft Bunq haar zorgplicht tegenover hem geschonden, omdat zij 1) bij het openen van de rekening de identiteit en gegevens van [naam 1] onvoldoende heeft gecontroleerd en 2) de ingaande en uitgaande transacties op de rekening van [naam 1] onvoldoende heeft gemonitord.
4.2.
De rechtbank oordeelt dat Bunq haar zorgplicht niet heeft geschonden. Dit oordeel wordt hierna uitgelegd. De rechtbank zal eerst haar internationale bevoegdheid en het toepasselijk recht beoordelen en daarna ingaan op de door [eiser] gestelde schendingen van de zorgplicht van Bunq.
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.3.
Dit is een internationale zaak, omdat [eiser] in België woont en Bunq in Nederland is gevestigd. De rechtbank moet daarom eerst ambtshalve haar internationale bevoegdheid vaststellen. De rechtsmacht moet worden beoordeeld aan de hand van de Brussel I bis-Verordening. [1] De Nederlandse rechter is op grond van artikel 4 lid 1 in Pro samenhang met artikel 63 lid 1 van Pro de Brussel I-bis Verordening internationaal bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van [eiser] , omdat Bunq als gedaagde partij in Nederland is gevestigd.
4.4.
Vervolgens moet het toepasselijk recht worden vastgesteld. De vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op onrechtmatige daad (schending van de zorgplicht). Het toepasselijke recht moet daarom worden bepaald aan de hand van de Rome II-Verordening. [2] Op grond van artikel 14 lid 1 van Pro de Rome II-Verordening, komt de rechtbank ten aanzien van die onrechtmatige daad uit op de toepasselijkheid van Nederlands recht. Partijen hebben hun stellingen daarover namelijk gebaseerd op Nederlands recht, zodat sprake is van een rechtskeuze voor Nederlands recht die voldoende duidelijk blijkt uit de omstandigheden van het geval.
Toetsingskader schending zorgplicht
4.5.
[eiser] legt – kort gezegd – aan zijn vorderingen ten grondslag dat Bunq haar (bijzondere) zorgplicht tegenover hem heeft geschonden en daarom aansprakelijk is voor de geleden schade. Omdat [eiser] ten opzichte van Bunq een derde is, wordt eerst het toetsingskader geschetst voor de zorgplicht van banken tegenover derden.
4.6.
Op banken rust een bijzondere zorgplicht vanwege hun maatschappelijke functie en omdat zij bij uitstek beschikken over deskundigheid die anderen missen. Ook ten opzichte van derden bestaat een bijzondere zorgplicht die voortvloeit uit hetgeen een bank volgens het ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (artikel 6:162 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)). De reikwijdte van de zorgplicht van de bank tegenover derden hangt af van alle omstandigheden van het concrete geval. [3]
4.7.
In dit geval gaat het om de rol van Bunq als betaaldienstverlener, waarbij zij erop toeziet dat er op de bij haar aangehouden bankrekeningen geen activiteiten plaatsvinden die een financieel gevaar vormen voor rekeninghouders of derden. Van een bank kan worden gevergd dat zij actie onderneemt als zij op de hoogte raakt van onregelmatigheden. Het gaat daarbij om daadwerkelijke kennis ofwel ‘subjectieve wetenschap’ van de onregelmatigheden. [4]
1) geen schending zorgplicht bij openen rekening [naam 1]
4.8.
[eiser] stelt dat Bunq bij het openen van de rekening van [naam 1] onzorgvuldig heeft gehandeld, omdat zij de identiteit en gegevens van [naam 1] onvoldoende heeft gecontroleerd. Bunq heeft [naam 1] slechts digitaal naar foto’s van zijn identiteitsbewijs gevraagd, terwijl die nagemaakt kunnen worden. Ook is de verificatiefoto van [naam 1] in de auto genomen, zodat Bunq zijn IP-adres niet heeft kunnen controleren. Bunq heeft ook niet geverifieerd of [naam 1] op het opgegeven adres woonde, bijvoorbeeld door te vragen naar poststuk met hetzelfde adres of het sturen van een verificatiecode per brief. Het door [naam 1] opgegeven adres – een klein dorp in Italië – had aanleiding moeten zijn voor Bunq om meer onderzoek te doen om misbruik te voorkomen, aldus steeds [eiser] .
4.9.
Bunq voert aan dat zij de identiteit van [naam 1] heeft vastgesteld en geverifieerd conform de wettelijke vereisten. [naam 1] heeft digitaal gegevens aangeleverd over zijn identiteit, die Bunq heeft geverifieerd met het identiteitsbewijs van [naam 1] . Daarbij heeft Bunq gebruik gemaakt van de identificatie-/verificatiedienst van ‘Incode’. Uit de verificatierapportage van Incode blijkt dat de opgegeven gegevens overeenkomen met het ingestuurde identiteitsbewijs, en dat het identiteitsbewijs echt is. Ook heeft [naam 1] een verificatiefoto moeten nemen, die Incode op gezichtsbiometrie heeft vergeleken met de foto op het identiteitsbewijs. Uit het rapport van Incode blijkt dat die foto’s overeenkomen. Tot slot brengt het feit dat een klant in Italië woont op zichzelf niet mee dat Bunq meer onderzoek naar die klant had moeten doen. Bunq is een internationaal georiënteerde bank die cliënten uit landen in heel Europa bedient, een klant uit Italië is dus niet ongebruikelijk. Ook is Italië geen hoog-risicoland, maar juist een EU-land, waar dezelfde anti-witwasregelgeving geldt als in Nederland, aldus steeds Bunq.
4.10.
De rechtbank stelt voorop dat op Bunq een wettelijke plicht rust om de identiteit van haar klanten vast te stellen en te verifiëren. De vereisten daarvoor volgen onder meer uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) en de daarmee samenhangende lagere regelgeving en leidraden. [5] [eiser] heeft niet geconcretiseerd welke wettelijke vereisten Bunq zou hebben overtreden, maar stelt in algemene zin dat de door Bunq gebruikte identificatiemethode bij het openen van de rekening van [naam 1] onvoldoende is geweest.
4.11.
Voor zover [eiser] zich baseert op bepalingen uit de Wwft, volgt uit vaste rechtspraak dat ook als een bank een Wwft-verplichting heeft geschonden – bijvoorbeeld door geen passend cliëntenonderzoek te verrichten – dit niet betekent dat zij ook een op haar rustende (bijzondere) zorgplicht tegenover derden heeft geschonden. [6] Het relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW Pro staat daaraan in de weg. De Wwft beoogt namelijk het misbruik van het financiële stelsel door witwassen en het financieren van terrorisme te voorkomen. De uit de Wwft voortvloeiende verplichtingen voor banken dienen dan ook ter bescherming van dit algemene maatschappelijk belang, en niet ter bescherming van derden tegen vermogensschade. Een (eventueel) door Bunq geschonden Wwft-verplichting strekt dus niet tot bescherming van de door [eiser] geleden schade.
4.12.
Verder heeft Bunq uitgebreid uiteengezet en onderbouwd op welke wijze zij de identiteitscontrole van [naam 1] heeft verricht. Daartegenover heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat de gebruikte identiteitscontrole niet voldoet aan de daarvoor geldende eisen of met te weinig waarborgen is omkleed. De omstandigheden dat [naam 1] als woonplaats een klein dorp in Italië heeft opgegeven en zijn verificatiefoto in de auto heeft gemaakt, zijn daarvoor onvoldoende. De enkele verklaring ter zitting van [eiser] dat hij zelf in vijf minuten een bankrekening bij Bunq kon openen met een verkeerd woonadres, leidt niet tot een ander oordeel.
2) geen schending zorgplicht bij monitoring in- en uitgaande betalingen
4.13.
[eiser] stelt dat Bunq tekortgeschoten is bij de monitoring van ingaande en uitgaande transacties op de rekening van [naam 1] . Bunq moet op grond van de Wwft beschikken over een toereikend transactiemonitoringsysteem. Dat systeem had bij de betaling van € 50.000 op de rekening van [naam 1] al een melding moeten geven van een ongebruikelijke transactie. De naam van de begunstigde komt namelijk niet overeen met de rekeninghouder en de tenaamstelling ‘ [naam 5] Automobile’ doet vermoeden dat het om een rechtspersoon gaan, terwijl de rekening op grond van de algemene voorwaarden niet voor zakelijke doeleinden gebruikt mag worden. Verder staat in de algemene voorwaarden dat de rekening van [naam 1] bedoeld is voor ‘dagelijks bankieren’ en staat ‘grote hoeveelheden geld storten of opnemen’ als voorbeeld van misbruik genoemd. Een betaling van € 50.000 is geen gangbare overboeking op een persoonlijke betaalrekening en valt – net als de daarop volgende grote afboekingen – niet onder dagelijks bankieren. Vóór 3 januari 2023 was er daarnaast nauwelijks beweging op de rekening van [naam 1] . Tot slot werd de betaling verricht vanuit een ander land dan waar [naam 1] zijn rekening aanhield en is het gebruik van een lokale IBAN risico-verhogend, aldus steeds [eiser] .
4.14.
Bunq voert aan dat zij de transactiemonitoring juist wel adequaat en tijdig heeft verricht. Nadat op 4 januari 2024 om 10:43 uur het bedrag van € 50.000 binnenkwam en 50 minuten later diverse grote bedragen van de rekening werden afgeboekt, heeft Bunq binnen enkele minuten de rekening geblokkeerd en vervolgens onderzoek uitgevoerd naar de transacties. Bunq heeft dan ook niet haar Wwft-verplichtingen geschonden en zelfs als daar sprake van is, stuiten de vorderingen van [eiser] af op het relativiteitsvereiste. Bunq had niet reeds naar aanleiding van de betaling van € 50.000 moeten ingrijpen. Op Bunq rust namelijk geen plicht om een naam-nummerverificatie uit te voeren en het ontvangen van een relatief groot bedrag – ook uit het buitenland – is op zichzelf geen omstandigheid die duidt op misbruik. Tot slot vloeit uit de zorgplicht van banken geen algemene monitoringsplicht voort, en is de monitoringsplicht onder de Wwft beperkt tot het detecteren van transacties die mogelijk verband houden met witwassen en financiering van terrorisme, aldus steeds Bunq.
4.15.
De rechtbank komt tot het oordeel dat Bunq niet tekort is geschoten in de monitoring van ingaande en uitgaande transacties op de rekening van [naam 1] . Voor zover de verwijten van [eiser] zijn gebaseerd op de monitoringsplicht uit de Wwft, stuiten die af op het relativiteitsvereiste. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hierover onder 4.11 heeft overwogen. Daarnaast kan [eiser] zich ook niet beroepen op (een schending van) de algemene voorwaarden, aangezien die enkel tussen Bunq en [naam 1] golden. Los daarvan citeert [eiser] in zijn stukken verkeerd naar artikel 10.2 van de algemene voorwaarden. Daarin zou ‘grote hoeveelheden geld storten of opnemen’ als voorbeeld van misbruik staan, maar in werkelijkheid spreekt dat artikel van ‘grote hoeveelheden
contantgeld storten of opnemen’. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het beroep van [eiser] op de algemene voorwaarden.
4.16.
Bunq heeft daarnaast voldoende toegelicht dat zij niet hoefde te acteren na de ontvangst van € 50.000 op de rekening van [naam 1] . De verkeerde tenaamstelling geeft daar in ieder geval geen reden toe, aangezien Bunq op grond van artikel 7:542 lid 5 BW Pro niet verplicht is tot naam-nummercontrole. Dat sinds oktober 2025 een dergelijke controle wel verplicht is voor banken in de eurozone kan [eiser] niet baten, omdat de transacties daarvóór hebben plaatsgevonden. Bovendien dient de naam-nummercontrole te worden uitgevoerd door de verzendende bank, in dit geval Belfius, en niet door Bunq als ontvangende bank. Bunq heeft verder terecht aangevoerd dat de transactie onder normaal betalingsverkeer valt en dat een betaling uit het buitenland op zichzelf geen serieuze aanwijzing is voor fraude of misbruik.
4.17.
Gezien de gemotiveerde betwisting van Bunq, heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd op welk vlak het monitoringssysteem tekort schiet. De nog ter zitting door [eiser] genoemde omstandigheid dat zijn eigen bank strenger is, maakt niet dat het systeem van Bunq niet voldoet aan de (wettelijke) eisen daarvoor. Bovendien blijkt uit de onder 2.7 tot en met 2.12 beschreven gang van zaken dat het systeem van Bunq wel degelijk snel een alert heeft gegeven, nadat in korte tijd grote bedragen van de rekening van [naam 1] werden afgeschreven. Binnen enkele minuten na de afschrijvingen heeft Bunq die rekening geblokkeerd en is zij een onderzoek gestart. Er valt niet in te zien op welke wijze Bunq onzorgvuldig heeft gehandeld, van haar kon niet meer gevergd worden dan zij heeft gedaan. Bij deze stand van zaken kan de rechtbank dan ook niet vaststellen dat Bunq is tekortgeschoten bij de monitoring van ingaande en uitgaande transacties op de rekening van [naam 1] .
Slotsom en proceskosten
4.18.
De slotsom is dat de rechtbank niet kan vaststellen dat Bunq een zorgplicht tegenover [eiser] heeft geschonden. Dit betekent dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.
4.19.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Bunq betalen. De proceskosten van Bunq worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × tarief: € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.764,00
Rente
4.20.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.21.
De proceskostenveroordeling wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat deze veroordeling ook moet worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart de proceskostenveroordeling onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.A.M. Groot, rechter, bijgestaan door mr. J.G.H. Tonnaer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking) (
2.Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (
3.Vgl. Hoge Raad 23 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3713 (
4.HR 27 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3399 (
5.Zie onder meer de Uitvoeringsregeling Wwft en de DNB Leidraad Wwft en Sw.
6.Zie bv. Rb. Amsterdam 12 mei 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:1805 (