ECLI:NL:RBAMS:2026:1235

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
81/221434-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank wijst procesafspraken af en schorst strafzaak wegens onduidelijkheid over bewijs en straf

Op 29 januari 2026 vond een terechtzitting plaats bij de rechtbank Amsterdam in een strafzaak tegen verdachte geboren in 1983. De rechtbank nam kennis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarin een strafvoorstel van twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf was opgenomen. Verdachte maakte gebruik van zijn zwijgrecht en bevestigde begrip van de afspraken.

De zaak betreft onder meer het niet tijdig indienen van omzetbelastingaangiften over 2020, met een benadelingsbedrag van circa €603.000,-. De verdediging verzocht om de opgelegde gevangenisstraf om te zetten in elektronisch toezicht, hetgeen volgens de rechtbank niet mogelijk is volgens het huidige Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank constateerde dat de voorgestelde bewezenverklaring en strafmaat niet recht doen aan de overgelegde bewijsmiddelen en dat er geen volledige overeenstemming is tussen OM en verdediging over de bewezenverklaring, kwalificatie en strafmaat. Daarom schorst de rechtbank het onderzoek en verwijst de zaak naar een andere zittingscombinatie voor inhoudelijke behandeling, waarbij OM en verdediging vrijstaan om de procesafspraken aan te vullen of te wijzigen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de procesafspraken af en schorst de zaak voor inhoudelijke behandeling door een andere zittingscombinatie.

Uitspraak

proces-verbaal

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/221434-24
Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, op 29 januari 2026.
Tegenwoordig zijn:
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. C.M. Berkhout en M. Wiewel, rechters en mr. J.C. Roodenburg, griffier.
Het Openbaar Ministerie wordt vertegenwoordigd door mr. J.P. Hopman, officier van justitie.
De voorzitter doet de zaak tegen na te noemen verdachte uitroepen.
De voorzitter belast de oudste rechter met de leiding van het onderzoek.
De verdachte antwoordt op de vragen van de oudste rechter, gesteld ten behoeve van het vaststellen van de identiteit van de verdachte, te zijn:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
wonende op het adres [adres] ,
hierna: verdachte.
Als raadsman van verdachte is verschenen mr. R.G.E. de Vries, advocaat te Amsterdam.
Voor zover ter terechtzitting verklaringen zijn afgelegd, zijn deze zakelijk weergegeven.
De oudste rechter vermaant verdachte oplettend te zijn op wat hij zal horen en deelt hem mee dat hij niet tot antwoorden is verplicht.
De officier van justitie draagt de zaak voor.
De oudste rechter deelt mede dat de rechtbank heeft kennisgenomen van een tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gesloten overeenkomst, waarin door hen gemaakte procesafspraken zijn neergelegd. Deze procesafspraken zijn in het dossier gevoegd en worden op de zitting van heden aan de rechtbank voorgelegd.
Ook maakt de oudste rechter melding van e-mails die door de verdediging (via het Openbaar Ministerie) op 27 januari 2026 aan de rechtbank zijn verstrekt. Tot slot heeft de rechtbank op 28 januari 2026 een e-mail ontvangen van de officier van justitie met als bijlagen zijn requisitoir voor deze zitting en een bewijsmiddelen-overzicht.
Noot griffier: deze e-mails worden aan dit proces-verbaal gehecht en gelden als hier ingevoegd.
Verdachte verklaart:
Ik beroep mij op mijn zwijgrecht, zoals ook in de procesafspraken staat beschreven. Ik sta volledig achter de procesafspraken. U vraagt mij naar een aantal zaken met betrekking tot het dossier, waaronder de benadeling van de schuldeisers. Ik wil daar niets over zeggen. Alles wat ik wel wil zeggen, staat in de verklaring die ik straks voor zal dragen.
De officier van justitie voert het woord:
U houdt het dossier voor en vraagt mij naar DOC-006. Daarin staat beschreven dat de aangiften omzetbelasting over het eerste en vierde kwartaal van 2020 zijn ingediend via internet en de aangiften omzetbelasting over het tweede en derde kwartaal van 2020 zijn ingediend via e-herkenning. Omdat de aangiften over het eerste, tweede en vierde kwartaal zijn ingediend na ambtshalve aanslag, worden deze door de Belastingdienst niet meer aangemerkt als een aangifte, maar als een bezwaarschrift tegen de ambtshalve aanslag. Voor die aangiften geldt dan ook dat deze formeel niet zijn ingediend. Met betrekking tot de aangiften omzetbelasting over het eerste, tweede en vierde kwartaal geldt dat deze te laat zijn ingediend. Dat is te lezen op pagina 28 van het dossier. U merkt op dat op die pagina inderdaad een overzicht te zien is, maar vraagt mij of ook de onderliggende documenten in het dossier zijn te vinden. Ik kom daar straks nog op terug.
De raadsman voert het woord:
U vraagt mij hoe de verdediging ertoe gekomen is om procesafspraken te maken. Het Openbaar Ministerie heeft hierin het initiatief genomen. Cliënt wilde dat wel en zodoende zijn wij in onderhandeling getreden. Cliënt en ik hebben diverse besprekingen gehad met het Openbaar Ministerie.
Verdachte verklaart:
Het klopt dat het proces steeds met mij besproken is. Ik begreep ook wat de procesafspraken in zouden houden en wat de gevolgen daarvan zouden zijn.
U houdt mij voor dat in de afspraken wordt gesproken over een benadelingsbedrag van ruim € 600.000,-, maar dat in totaal ongeveer € 1.200.000,- uit de ondernemingen zou zijn onttrokken. U houdt mij voor dat het oriëntatiepunt van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht voor fraude met een benadelingsbedrag van ruim € 600.000,- een gevangenisstraf van 18 tot 20 maanden is. U houdt mij voor dat in de procesafspraken voorts staat vermeld dat ik eerder betrokken zou zijn geweest bij het plegen van fraude door onttrekkingen uit ondernemingen, waardoor deze failliet gingen. Ik wil daar niets over zeggen.
De oudste rechter bespreekt de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder een uittreksel uit de Justitiële documentatie (het strafblad) van verdachte van 14 december 2025.
Verdachte verklaart:
Het klopt dat ik in loondienst werk, ik werk bij [bedrijf] . Het klopt ook dat ik onder bewind sta. Ik heb een betalingsregeling om mijn schulden af te betalen, dat loopt via mijn schuldhulpverlener. Ik krijg leefgeld van mijn bewindvoerder. U vraagt mij of de belastingschuld van de ondernemingen in onderhavige zaak daarin is meegenomen. Dat weet ik niet. Ik heb geen bezittingen waar verhaal op mogelijk is.
De raadsman verklaart:
U merkt op dat u de schuld bij de belasting die voort zou vloeien uit deze zaak, niet op het schuldenoverzicht ziet staan. Het is wel de bedoeling dat die schuld op dat overzicht staat.
Verdachte leest een schriftelijke verklaring voor en legt deze over aan de rechtbank.
Noot griffier: deze verklaring wordt aan dit proces-verbaal gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Verdachte verklaart:
U vraagt mij of mijn werkgever op de hoogte is van deze zaak. Nee. Als ik inderdaad twee maanden gevangenisstraf zou moeten uitzitten, zou ik daarvoor vrije dagen op kunnen nemen.
De officier van justitie merkt op dat hij de naheffingsaanslagen niet in het dossier ziet. De rechtbank onderbreekt de zitting zodat de officier van justitie hierover kan bellen met de FIOD.
De officier van justitie voert het woord volgens het schriftelijk requisitoir dat op voorhand aan de rechtbank is overlegd en dat aan dit proces-verbaal wordt gehecht.
Aanvullend daarop voert de officier van justitie het woord:
Ik heb de naheffingsaanslagen niet kunnen vinden en ook nog niet ontvangen van de FIOD. Op basis van het dossier kan echter wel bewezen worden dat de belastingaangiften niet tijdig zijn gedaan, namelijk in ieder geval pas na de termijn die ervoor staat. In DOC-006 zijn na het overzicht van de aangiften alle documenten met technische informatie over de indiening van de aangiften vermeld, waaronder op welke datum uiteindelijk de aangiften zijn gedaan.
Ik houd rekening met een benadelingsbedrag van ongeveer € 603.000,-. Weliswaar is er € 1.200.000,- onttrokken aan de ondernemingen, maar omdat de ondernemingen ook een tijd goed liepen en winst maakten, zijn niet alle onttrekkingen ook aan te merken als nadeel.
De raadsman voert het woord conform zijn pleitnota, die aan dit proces-verbaal wordt gehecht en die geldt als hier ingevoegd.
De raadsman voert aanvullend daarop het woord:
Het klopt dat wij in de procesafspraken twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn overeengekomen. Het klopt dat mijn cliënt in zijn verklaring en ik in mijn pleitnota vragen of de rechtbank wil bepalen dat deze gevangenisstraf wordt omgezet in elektronisch toezicht door middel van een enkelband. U merkt op dat dit deze mogelijkheid in het huidige Wetboek van Strafrecht niet bestaat. Ik dacht dat dit wel mogelijk was.
De officier van justitie voert het woord:
U merkt op dat uit de procesafspraken blijkt dat het Openbaar Ministerie en de verdediging akkoord zijn met het voorstel voor een straf, maar dat de verdediging nu aan de rechtbank vraagt of het anders kan. Ik begrijp het zo dat de verdediging akkoord gaat met het afdoeningsvoorstel, maar dat zij de rechtbank verzoekt om te bepalen dat deze straf in de executiefase anders ten uitvoer kan worden gelegd. Ik heb gezegd dat het hen vrijstaat om dit te vragen.
U vraagt mij wat mijn eis zou zijn, wanneer wij niet tot procesafspraken zouden zijn gekomen. Dat vind ik op dit moment lastig te zeggen. U merkt op dat het uw veronderstelling is dat het beleid van het Openbaar Ministerie is dat het overeengekomen strafvoorstel niet te veel af mag wijken van de originele eis. Ik denk dat ik, wanneer geen sprake zou zijn van procesafspraken, een groter deel van de gevangenisstraf onvoorwaardelijk zou eisen. Ik denk dan aan ongeveer 6 maanden.
Verdachte krijgt de gelegenheid om als laatste het woord te voeren, maar maakt hier geen gebruik van.
Na onderbreking in raadkamer deelt de oudste rechter het volgende mede.
De rechtbank is van oordeel dat de voorgestelde bewezenverklaring in het afdoeningsvoorstel, zoals dat schriftelijk aan de rechtbank is overgelegd en ter terechtzitting nader is toegelicht, op voorhand geen recht lijkt te doen aan de overgelegde bewijsmiddelen in deze zaak. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de voorgestelde strafmaat in dit voorstel op voorhand niet passend lijkt bij deze voorgestelde bewezenverklaring. Verder is van belang dat er geen volledige overeenstemming lijkt te zijn tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging over de bewezenverklaring, kwalificatie en strafmaat.
De rechtbank zal de zaak daarom aanhouden en verwijzen naar een andere zittingscombinatie, om de zaak alsnog inhoudelijk te behandelen. Dit laat echter onverlet dat het Openbaar Ministerie en de verdediging vrijstaat om opnieuw in overleg te treden en de procesafspraken, en het daaraan ten grondslag liggende procesdossier, aan te vullen of te wijzigen, en dit tijdig aan een volgende zittingscombinatie voor te leggen.
De rechtbank:

schorst het onderzoek ter terechtzittingvoor
onbepaalde tijd;
 bepaalt dat de zaak op een volgende zitting door een
andere zittingscombinatiein deze rechtbank zal worden behandeld;
 beveelt de
oproeping van verdachtetegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman;
 bepaalt dat voor de behandeling van de zaak op de volgende zitting tenminste
180 minutenwordt gereserveerd.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.