Op 29 januari 2026 vond een terechtzitting plaats bij de rechtbank Amsterdam in een strafzaak tegen verdachte geboren in 1983. De rechtbank nam kennis van procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarin een strafvoorstel van twee maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf was opgenomen. Verdachte maakte gebruik van zijn zwijgrecht en bevestigde begrip van de afspraken.
De zaak betreft onder meer het niet tijdig indienen van omzetbelastingaangiften over 2020, met een benadelingsbedrag van circa €603.000,-. De verdediging verzocht om de opgelegde gevangenisstraf om te zetten in elektronisch toezicht, hetgeen volgens de rechtbank niet mogelijk is volgens het huidige Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank constateerde dat de voorgestelde bewezenverklaring en strafmaat niet recht doen aan de overgelegde bewijsmiddelen en dat er geen volledige overeenstemming is tussen OM en verdediging over de bewezenverklaring, kwalificatie en strafmaat. Daarom schorst de rechtbank het onderzoek en verwijst de zaak naar een andere zittingscombinatie voor inhoudelijke behandeling, waarbij OM en verdediging vrijstaan om de procesafspraken aan te vullen of te wijzigen.