Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:1303

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
6 februari 2026
Zaaknummer
AMS 25/6064
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:276 BWArt. 475 RvArt. 475b RvArt. 6 AOWArt. 7 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executoriaal derdenbeslag op AOW-pensioen en vergoeding reiskosten in bezwaar

Eiser ontvangt sinds 2018 AOW-pensioen en verzocht in januari 2024 om stopzetting van de uitbetaling, die vanaf maart 2024 werd gestaakt. In mei 2024 werd executoriaal derdenbeslag gelegd op het pensioen. Na verzoek tot hervatting van betaling in januari 2025, hield verweerder maandelijks een bedrag in vanwege het beslag en betaalde dit aan de deurwaarder.

Eiser maakte bezwaar tegen de inhouding en de hoogte van de uitbetaling, met name tegen het niet vergoeden van reis- en verblijfskosten in bezwaar. De rechtbank oordeelt dat het beslag terecht is toegepast en dat verweerder binnen het kader van het beslag is gebleven. Wel is geoordeeld dat de reiskostenvergoeding ten onrechte is afgewezen, terwijl het verzoek om verblijfskosten terecht werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de reiskosten betreft, en verweerder wordt verplicht deze kosten van € 785,68 te vergoeden. Daarnaast moet verweerder het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

Uitkomst: Beroep gegrond voor vergoeding reiskosten, overige besluiten in stand, proceskosten en griffierecht vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/6064

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Polen, eiser

(gemachtigde: mr. F. Jagersma),
en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G. Starreveld).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de uitbetaling van het AOW [1] -pensioen van eiser, naar aanleiding van een executoriaal derdenbeslag. Eiser is het niet eens met de hoogte van de uitbetaling. Ook vindt eiser dat verweerder ten onrechte geen reis- en verblijfskosten aan hem heeft toegekend in bezwaar en verzoekt hij om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit van 20 oktober 2025.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder terecht de uitbetaling van het AOW-pensioen van eiser heeft verlaagd naar aanleiding van het gelegde beslag. Wel vindt de rechtbank dat verweerder eisers reiskosten in bezwaar had moeten vergoeden. Eiser krijgt dus gedeeltelijk gelijk en het beroep is daarom gegrond. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek om verblijfskosten wel op goede gronden heeft afgewezen. Ook wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiser ontvangt vanaf juli 2018 een AOW-pensioen. In januari 2024 heeft eiser verweerder verzocht het AOW-pensioen te beëindigen. Verweerder heeft daarom de betaling van het AOW-pensioen vanaf 1 maart 2024 stopgezet.
4. Op 21 mei 2024 is er executoriaal derdenbeslag onder de Sociale Verzekeringsbank (Svb) gelegd. [2] Verweerder heeft de deurwaarder bericht dat hij het beslag niet kan uitvoeren, omdat de betalingen aan eiser stopgezet zijn. Op 4 januari 2025 heeft eiser verweerder gevraagd de uitbetaling van zijn AOW-pensioen te hervatten. Verweerder heeft vervolgens op 17 maart 2025 besloten om van eisers AOW-pensioen maandelijks een bedrag in te houden in verband met het beslag, zodat eiser nog € 913,- per maand ontvangt, waarbij rekening is gehouden met de beslagvrije voet. Bij dit besluit is ook aangegeven dat sprake is van een nabetaling over juni 2024 tot en met februari 2025. Op 24 maart 2025 heeft verweerder een bedrag van € 8.866,54 aan de deurwaarder betaald.
5. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 maart 2025. Verweerder heeft het bezwaar op 20 oktober 2025 gegrond verklaard omdat de afdracht aan de deurwaarder te hoog was. Verweerder heeft aan eiser daarom nog een bedrag van € 1.855,32 toegekend. Verweerder heeft in bezwaar de kosten van de door de gemachtigde van eiser beroepsmatig verleende rechtsbijstand vergoed, maar niet de reis- en verblijfskosten van eiser.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit van 20 oktober 2025. De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Eiser was niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het executoriaal derdenbeslag
7. Volgens eiser heeft het beslag geen doel getroffen en had verweerder dus geen bedragen aan de deurwaarder mogen afdragen, omdat het gaat om betalingen die pas hebben plaatsgevonden nadat het beslag al was gelegd. Op toekomstige vorderingen kan geen beslag worden gelegd. [3] Volgens eiser was er geen onmiddellijke en rechtstreekse rechtsverhouding tussen eiser en verweerder. [4] Bovendien had verweerder de deurwaarder niet op eigen initiatief mogen informeren over het hervatten van de betalingen aan eiser, omdat het beslag geen doel heeft getroffen. Het beslag is volgens eiser onrechtmatig en verweerder heeft onrechtmatig gehandeld door betalingen aan de deurwaarder te doen.
8. Volgens verweerder kan het recht op een AOW-uitkering niet worden stopgezet, maar is het enkel mogelijk om de betalingen te staken. Volgens verweerder bestond er daarom weldegelijk een rechtsverhouding tussen de Svb en eiser op het moment dat het beslag werd gelegd. Het beslag lag er nog op het moment dat eiser verzocht de betalingen te hervatten. Volgens verweerder moeten nabetalingen worden toegerekend aan de maand waarin de betaling eigenlijk had moeten plaatsvinden. [5] Volgens verweerder heeft zij dan ook terecht op de nabetaling van het AOW-pensioen een bedrag ingehouden en betaald aan de deurwaarder.
9. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. Daarbij merkt de rechtbank allereerst op dat het volgens vaste rechtspraak niet op de weg van verweerder of de rechtbank ligt om de geldigheid van een door de deurwaarder gelegd beslag te beoordelen. Dat is voorbehouden aan de burgerlijke rechter. Verweerder en de rechtbank moeten het gelegde beslag als een gegeven beschouwen. Maar hoewel eiser spreekt van een ‘onrechtmatig beslag’, heeft de grond van eiser betrekking op de vraag of de nabetalingen wel of niet onder het beslag vallen en daarmee de vraag of verweerder bij het nemen van het bestreden besluit binnen het kader van het gelegde beslag is gebleven. De bestuursrechter is bevoegd daarover een oordeel te geven. [6]
10. Volgens de rechtbank heeft verweerder het kader van het gelegde beslag niet overschreden door de nabetaling van het AOW-pensioen onder het beslag te laten vallen en dit ten dele aan de deurwaarder te betalen. Zoals verweerder terecht heeft aangevoerd bestond er tussen eiser en verweerder wel degelijk een rechtsverhouding. [7] Eiser is namelijk verzekerd op grond van de AOW en heeft daarmee recht op een AOW-pensioen. [8] Dat de betaling van het AOW-pensioen tijdelijk was stopgezet maakt dat niet anders. De aanspraak op het AOW-pensioen bestond immers nog steeds. Niet ingevorderde termijnen van het AOW-pensioen kunnen op grond van de wet tot twee jaar later worden uitbetaald. [9] Uit vaste rechtspraak volgt dat nabetalingen worden toegerekend aan de maand waarin de betaling eigenlijk had moeten plaatsvinden. [10] De nabetalingen van het AOW-pensioen zien in dit geval op maanden waarin er een beslag lag. Van toekomstige vorderingen die niet onder het beslag zouden vallen is dus geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat verweerder wel degelijk gehouden was het executoriaal derdenbeslag uit te voeren en als gevolg daarvan terecht de nabetaling van het AOW-pensioen daaronder heeft laten vallen.
Reis- en verblijfskosten in bezwaar
11. Verweerder heeft het bezwaar van eiser gegrond verklaard en daarbij de kosten voor de door de gemachtigde van eiser verleende rechtsbijstand vergoed. Volgens eiser had verweerder ook de kosten voor reis- en verblijfkosten die hij heeft gemaakt in verband met het bijwonen van de hoorzitting moeten toewijzen. [11] De reiskostenvergoeding had volgens eiser € 785,68 moeten bedragen, omdat een reis met het openbaar vervoer niet mogelijk was en de afstand van zijn woning in Polen naar de locatie van de hoorzitting 1.404 kilometer bedroeg. De vergoeding is daarom volgens eiser 2 [12] x 1.404 x € 0,28 [13] = € 785,68. De vergoeding voor het verblijf had volgens eiser € 151,40 moeten bedragen, omdat het verblijf inclusief heen- en terugreis vier dagen heeft geduurd. [14]
12. Verweerder heeft gesteld dat eiser de reis- en verblijfskosten niet redelijkerwijs heeft moeten maken en het verzoek om vergoeding daarvan daarom afgewezen. Verweerder heeft erop gewezen dat de gemachtigde van eiser het woord heeft gevoerd bij de hoorzitting en eiser de hoorzitting ook telefonisch kon bijwonen. Verweerder heeft niet verlangd dat eiser vanuit Polen naar Nederland zou reizen. [15] Volgens verweerder heeft eiser niet objectief onderbouwd dat hij speciaal voor de hoorzitting naar Nederland is gereden. Bovendien snijdt de stelling van eiser over het executoriaal derdenbeslag volgens verweerder geen hout en is ook dat voor verweerder een reden geweest om zich op het standpunt te stellen dat eiser de reis- en verblijfskosten niet redelijkerwijs heeft moeten maken.
13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek om vergoeding van de reiskosten ten onrechte heeft afgewezen. Het verzoek om vergoeding van de verblijfskosten mocht verweerder wel afwijzen. De rechtbank licht dat hierna toe.
14. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in Polen woont. Verweerder heeft eiser uitgenodigd voor een hoorzitting in Nederland. Eiser heeft onderbouwd dat een reis met het openbaar vervoer niet goed mogelijk was en dat de afstand van zijn huis naar de locatie van de hoorzitting 1.404 kilometer bedroeg. Verweerder heeft dit ook niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat eiser voor de behandeling van zijn bezwaar redelijkerwijs reiskosten heeft moeten maken. [16] Of verweerder van mening is dat de vooraf ingediende bezwaargronden wel of geen hout snijden, is daarbij niet van belang. De hoorzitting is er namelijk juist voor bedoeld om een bezwaarde in de gelegenheid te stellen zijn bezwaren toe te lichten. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat eiser al om een andere reden in Nederland was. Of eiser zijn bezoek aan Nederland met andere bezigheden in Nederland heeft gecombineerd is ook niet van belang, nu op grond van de feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat eiser voor de hoorzitting naar Nederland is gekomen. Eiser had daarom in bezwaar recht op een reiskostenvergoeding van € 785,68. [17]
15. Voor wat betreft de verblijfskosten geldt het volgende. Uit artikel 11, eerste lid en onder d, van het Bts blijkt dat de vergoeding voor verblijfskosten ‘ten hoogste’ € 37,85 per dag bedraagt. Dat betekent niet dat iedereen die uit het buitenland komt recht heeft op een vergoeding van € 37,85 per dag. Het moet dan wel aannemelijk zijn dat er kosten zijn gemaakt en hoe hoog die kosten zijn. De gemachtigde van eiser heeft tijdens de zitting desgevraagd toegelicht dat eiser in Nederland gratis bij hem heeft overnacht en op de heen- en terugweg in Duitsland heeft overnacht. Dat er daadwerkelijk kosten zijn gemaakt en hoe hoog die kosten dan zijn, is door eiser niet onderbouwd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het verzoek om een vergoeding voor verblijfskosten daarom terecht heeft afgewezen.
Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn
16. Eiser heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding indien de redelijke termijn voor de behandeling van dit beroep wordt overschreden. Eiser heeft dit verzoek niet onderbouwd.
17. Omdat de redelijke termijn niet is overschreden, wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af.

Conclusie en gevolgen

18. Het beroep is gegrond omdat verweerder in het bestreden besluit van oktober 2025 ten onrechte niet de reiskosten van eiser heeft vergoed. Dit betekent dat eiser voor een deel gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarbij het verzoek om de reiskostenvergoeding in bezwaar is afgewezen.
19. De rechtbank neemt nu zelf een beslissing [18] en bepaalt dat aan eiser een reiskostenvergoeding van € 785,68 wordt toegekend.
20. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten in beroep. Verweerder moet deze vergoeding betalen.
21. De procesvergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 20 oktober 2025 voor zover daarin is beslist dat de reiskosten van eiser niet worden vergoed;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser een bedrag van € 785,68 aan reiskosten moet vergoeden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 20 oktober 2025;
  • bepaalt dat het bestreden besluit van 20 oktober 2025 voor het overige in stand blijft;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. de Vos, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Adriaanse, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene ouderdomswet.
2.Dit beslag is, zo blijkt uit het exploot, gelegd op alle vorderingen, gelden en geldswaarden die de Svb op eiser mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zou verkrijgen, en op hem toebehorende roerende zaken die onder de Svb mochten berusten en geen registergoederen zijn.
3.Met verwijzing naar artikel 3:276 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.Met verwijzing naar artikel 475, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
5.Verweerder heeft daarbij verwezen naar de artikelen 475 en 475b van Rv en de uitspraak van de Hoge Raad (HR) van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068.
6.Zie daarover bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:DB9586.
7.Zoals bedoeld in artikel 475 Rv Pro.
8.Zie met name artikel 6 en Pro 7 van de AOW.
9.Zie artikel 23 van Pro de AOW.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de HR van 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3068 of van de CRvB van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2167.
11.Eiser heeft daarbij verwezen naar artikel 7:15, tweede en vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 1 aanhef Pro en onder b van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en artikel 11, eerste lid en onder 1 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 (Bts).
12.Heen- en terugreis.
13.Kilometervergoeding conform artikel 11, eerste lid van het Bts.
14.4 x € 37,85, conform artikel 11, eerste lid en onder 3 van het Bts.
15.Verweerder heeft daarbij verwezen naar beleidsregel SB3223 (te vinden via svb.nl/beleidsregels) en de uitspraken van de CRvB van 30 juni 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY0194 en van 13 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT7364.
16.Zie ook artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.
17.Conform artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, artikel 1 onder Pro d en artikel 2, eerste lid, en onder d van het Bpb, artikel 11, eerste lid onder d Bts.
18.Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.