Eiser ontvangt sinds 2018 AOW-pensioen en verzocht in januari 2024 om stopzetting van de uitbetaling, die vanaf maart 2024 werd gestaakt. In mei 2024 werd executoriaal derdenbeslag gelegd op het pensioen. Na verzoek tot hervatting van betaling in januari 2025, hield verweerder maandelijks een bedrag in vanwege het beslag en betaalde dit aan de deurwaarder.
Eiser maakte bezwaar tegen de inhouding en de hoogte van de uitbetaling, met name tegen het niet vergoeden van reis- en verblijfskosten in bezwaar. De rechtbank oordeelt dat het beslag terecht is toegepast en dat verweerder binnen het kader van het beslag is gebleven. Wel is geoordeeld dat de reiskostenvergoeding ten onrechte is afgewezen, terwijl het verzoek om verblijfskosten terecht werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit wordt vernietigd voor zover het de reiskosten betreft, en verweerder wordt verplicht deze kosten van € 785,68 te vergoeden. Daarnaast moet verweerder het griffierecht en proceskosten aan eiser vergoeden. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.