ECLI:NL:CRVB:2006:AY0194
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking toeslag Toeslagenwet voor in buitenland verblijvenden
In deze zaak staat de afbouw en intrekking van toeslagen ingevolge de Toeslagenwet (TW) aan in het buitenland verblijvende gerechtigden centraal. Het UWV had in 2000 besloten de toeslag gefaseerd af te bouwen, wat door betrokkenen niet in rechte was aangevochten. De rechtbank Amsterdam vernietigde deze besluiten omdat het UWV de toeslagen onjuist had ingetrokken en het gelijkheidsbeginsel had geschonden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV ten onrechte de toeslagen niet eerder dan per 12 september 2003 heeft toegekend. Voor aanvragen die betrekking hebben op de periode vóór 1 januari 2003 geldt artikel 4:6 Awb Pro, waarbij geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd. Voor aanvragen na deze datum geldt dat toeslagen met maximaal één jaar terugwerkende kracht moeten worden toegekend.
De Raad oordeelt dat het UWV in redelijkheid heeft gehandeld door de toeslagen niet per 1 januari 2001 te hergeven aan betrokkenen die geen rechtsmiddelen hebben aangewend. Het gelijkheidsbeginsel is niet geschonden omdat de situatie van deze groep niet vergelijkbaar is met andere groepen die wel bezwaar maakten. De Raad stelt tevens vast dat de proceskostenvergoeding in hoger beroep verhoogd wordt tot €100 per betrokkene, gelet op de omvang en samenhang van de zaken.
Uitkomst: De Raad vernietigt de besluiten van het UWV en bepaalt dat toeslagen met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2003 toegekend moeten worden.