ECLI:NL:RBAMS:2026:1326

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
13-276762-25 (A), 13-226407-25 (B) en 13-256628-23 (tul)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 36d SrArt. 38m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor diefstal en lokaalvredebreuk

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig verklaard aan diefstal van bierkratten uit een supermarkt en aan lokaalvredebreuk door wederrechtelijk binnendringen in een supermarkt waar hem de toegang was ontzegd.

De rechtbank baseert haar oordeel op de bekennende verklaring van verdachte en proces-verbalen van aangifte. Verdachte heeft een patroon van recidive, mede veroorzaakt door een hardnekkige verslaving aan crack en heroïne, en vertoont weinig zelfinzicht.

De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel omdat eerdere ambulante interventies en klinische behandelingen niet tot gedragsverandering hebben geleid. De rechtbank volgt dit advies en legt een ISD-maatregel van twee jaar op zonder aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de lokaalvredebreuk wordt geen straf opgelegd. Daarnaast wordt een geprepareerde bierfust in beslag genomen en onttrokken aan het verkeer. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf wordt afgewezen vanwege de ISD-maatregel.

Uitkomst: Verdachte krijgt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar opgelegd voor diefstal en wordt schuldig verklaard voor lokaalvredebreuk zonder strafoplegging.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummers: 13/276762-25 (A), 13/226407-25 (B, ter terechtzitting gevoegd) en 13/256628-23 (tul)
Datum uitspraak: 6 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in het [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 januari 2026.
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. G.A. Jansen-de Wolf, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank op de terechtzitting de deskundige mevrouw [persoon 1] , reclasseringswerker, gehoord.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - kort samengevat - tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Zaak A
diefstal van een of meerdere bierkratten toebehorende aan winkelbedrijf [supermarkt 1] op 18 oktober 2025 in Amsterdam.
Zaak B
lokaalvredebreuk bij [supermarkt 2] op 22 augustus 2025 in Amsterdam.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is opgenomen in
de bijlageen geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gestelde dat de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen (bewijs)verweren gevoerd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting, kunnen de ten laste gelegde feiten worden bewezen. Gelet op het standpunt van de verdediging behoeft dit oordeel geen nadere motivering.
Ten aanzien van het handelen van verdachte in zaak A overweegt de rechtbank (ten overvloede) het volgende. Verdachte heeft twee keer op dezelfde dag (18 oktober 2025) uit de emballageruimte van [supermarkt 1] , die alleen toegankelijk is voor het personeel, bierkatten weggenomen. Hiermee is reeds sprake van een voltooide diefstal. Verdachte heeft zich , op het moment dat hij de bierkratten uit het magazijn pakte en ze mee de winkel in nam, als heer en meester over de kratten gedragen en ze aan de beschikkingsmacht van het winkelbedrijf onttrokken. Het feit dat hij alleen de eerste keer met de verkregen emballagebon daarna goederen heeft afgerekend, doet hieraan dan ook niet af.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de hierna in rubriek 5. opgesomde bewijsmiddelen, waarin de redengevende feiten en omstandigheden zijn vervat, bewezen dat verdachte:
Zaak A
op 18 oktober 2025 te Amsterdam bierkratten, die toebehoorden aan winkelbedrijf [supermarkt 1] (filiaal gelegen aan het [adres 1] ), heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Zaak B
op 22 augustus 2025 te Amsterdam in het besloten lokaal [adres 2] in gebruik bij [supermarkt 2] , wederrechtelijk is binnengedrongen, terwijl hem, verdachte, met ingang van 2 augustus 2025 schriftelijk de toegang tot die winkel was ontzegd voor de duur van 24 maanden.

5.Het bewijs

De rechtbank stelt vast dat sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering. De verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Daarom wordt volstaan met een opgave van de gebruikte bewijsmiddelen, namelijk:
Zaak A
de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2026;
een proces-verbaal van aangifte met nummer 251018-1784-566 van 18 oktober 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , pagina’s 6 t/m 8.
Zaak B
de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2026;
een proces-verbaal van aangifte met fotoblad 1 en 2 , met nummer 250822-2159-158 van 22 augustus 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , pagina’s 5 t/m 6 en 28 t/m 34.

6.De strafbaarheid van de feiten en van verdachte

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar en verdachte is hiervoor strafbaar.

7.Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van zaak A de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair bepleit dat niet is voldaan aan de harde criteria voor ISD, omdat tegen verdachte in de afgelopen vijf jaren geen processen-verbaal zijn opgemaakt voor meer dan tien misdrijven. Ten aanzien van de veroordeling van 9 september 2025 met parketnummer 13/229836-25 (pleegdatum 30 augustus 2025) stelt de raadsvrouw dat deze twee feiten niet als afzonderlijke feiten moeten worden geteld. De politierechter heeft verdachte veroordeeld voor twee opeenvolgende diefstallen uit auto’s en heeft daarbij volgens haar geoordeeld dat sprake was van een voortgezette handeling. Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit dat niet is voldaan aan de zachte criteria. Verdachte is behandeld voor zijn verslaving in de [kliniek] . Hij is hierna één keer in de fout gegaan, waarna zijn begeleiding door de reclassering is gestopt en hij weer op straat stond. Onder deze omstandigheden lag het in de lijn der verwachting dat het opnieuw mis zou gegaan en dit is ook gebeurd. Er wordt nu opnieuw geadviseerd tot de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, terwijl er geen alternatieven zijn onderzocht. Verdachte is altijd gemotiveerd geweest om mee te werken aan behandeling en begeleiding, maar het gaat iedere keer fout in het na-traject. In dit geval is verdachte geplaatst bij een locatie van HVO Querido in [locatie] waar drugs werden gebruikt. Door de reclassering is niet in overleg met de [kliniek] en/of met HVO Querido gekeken naar andere behandel-/begeleidingsmogelijkheden, waar verdachte in het kader van een voorwaardelijke straf dan wel voorwaardelijke ISD-maatregel kan worden geplaatst. Om die reden dient er aanvullend gerapporteerd te worden door een instelling als bijvoorbeeld Forensisch Maatwerk.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen maatregel gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
7.3.1.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal door bierkratten te stelen uit het magazijn van een supermarkt. Vervolgens heeft hij deze bierkratten in het statiegeldautomaat gedaan en heeft hij met het bonnetje boodschappen afgerekend. Diefstal is een hinderlijk feit waardoor schade ontstaat en overlast wordt veroorzaakt bij de gedupeerde winkelbedrijven. Ook zorgt het voor veel overlast in de maatschappij. Verdachte heeft met zijn handelen getoond dat hij geen respect heeft voor andermans eigendom.
7.3.2.
Advies van de reclassering
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van Reclassering Leger des Heils van 7 januari 2026, opgemaakt door mevrouw [persoon 2] . Dit rapport houdt - zakelijk weergegeven - in dat verdachte veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat bij een bewezenverklaring kan worden gesproken van een delictpatroon. Verdachte voldoet aan de harde ISD-criteria. Criminogene factoren betreffen middelengebruik (verdachte was ten tijde van onderhavige tenlastelegging onder invloed van harddrugs), het ontbreken van voldoende financiële middelen en de instabiliteit binnen de overige leefgebieden. Verdachte is ruim twintig jaar geleden van [geboorteland] naar Nederland gekomen voor werk en verblijft hier rechtmatig. Hij is reeds jarenlang zonder vaste woon- of verblijfplaats en er is sprake van hardnekkige verslavingsproblematiek (met name crack en heroïne). Verdachte lijkt zich te begeven in een sociaal netwerk van gebruikers en het ontbreekt hem daarnaast aan een dagbesteding en een inkomen. Dit zijn risico-verhogende factoren die vragen om interventies ter gedragsverandering/recidivevermindering. Verdachte staat sinds 16 oktober 2023 onder toezicht bij Leger des Heils [locatie] (parketnummer 13/256628-23) en hier is later een schorsingstoezicht aan toegevoegd (parketnummer 13/091170-24). Het reclasseringstoezicht liep vanaf begin af aan moeizaam, omdat verdachte al snel opnieuw gedetineerd raakte. Verdachte heeft gedurende het toezicht voornamelijk in gesloten settingen verbleven en was ruim een jaar clean van middelen, daar hij aansluitend op detentie langdurig is opgenomen in een verslavingskliniek. Het klinische behandeltraject heeft hij positief afgerond. Verdachte is echter drie weken nadat hij uit de kliniek kwam en in [locatie] bij HVO Querido ging wonen, teruggevallen in gebruik. Verdachte is vervolgens uit beeld verdwenen van de betrokken partijen (reclassering, GGZ Inforsa en HVO Querido). Er lijkt sprake van een hoge mate van onmacht bij verdachte. Hij lijkt niet in te zien dat de zorg die hem geboden wordt noodzakelijk is om een stabiel leven op te bouwen. Er is sprake van wantrouwen naar hulpverleners toe en verdachte kan zich verbaal agressief uiten en/of dwingend opstellen als hij het niet eens is met de hulpverlening. Uit informatie van verdachte zijn toezichthouder blijkt dat verdachtes verslaving weer op de voorgrond is komen te staan waardoor hij de consequenties van zijn gedrag niet lijkt in te zien. Bovengenoemde factoren zorgen voor financiële onzekerheid en instandhouding van middelengebruik (wat tot nog meer financiële instabiliteit leidt), wat kan leiden tot vermogensdelicten. Het risico op recidive wordt dan ook ingeschat als in als hoog. Op 11 augustus 2025 is een advies negatief voortijdige beëindiging van het toezicht uitgebracht. Vastgesteld kan worden dat de ingezette zorg niet heeft geleid tot enige recidivevermindering/gedragsverandering. Gelet hierop is de reclassering van oordeel dat verdachte ook voldoet aan de zachte ISD-criteria. De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om verdachte binnen een forensisch ambulant kader te begeleiden. Verdachte kan zich onvoldoende conformeren aan de gemaakte afspraken met de betrokken zorginstellingen en heeft zich daardoor onttrokken aan de bijzondere voorwaarden. Het is daardoor niet mogelijk gebleken om met betrokkene te werken aan het stabiliseren van zijn leefgebieden, teneinde recidive te voorkomen. De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke ISD-maatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte heeft aangegeven dit keer niet te zullen meewerken aan een behandeling in een forensische verslavingskliniek. In dat geval heeft de ISD-maatregel de functie van het tijdelijk beveiligen van de samenleving.
Op de zitting van 23 januari 2025 heeft mevrouw [persoon 1] (waarnemend voor mevrouw [persoon 2] ) als deskundige het advies nader toegelicht en bevestigd. Verdachte staat al lang onder toezicht en zijn veel interventies geweest. Dit heeft helaas niet tot het gewenste effect geleid. Verdachte is kort na zijn behandeling in de [kliniek] teruggevallen in middelengebruik en uit contact getreden. Volgens verdachte is dit gebeurd omdat hij bij een verkeerde begeleid wonen instelling is geplaatst omdat daar werd gebruikt, maar ook in de maatschappij zal hij met drugsgebruik worden geconfronteerd en daar mee om moeten kunnen gaan. De reclassering is van mening dat er voldoende is gedaan en dat het juiste pad is bewandeld, maar dat het verdachte helaas niet is gelukt. Er worden geen mogelijkheden gezien voor het inzetten van interventies binnen een ambulant kader en daarom resteert de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
De rechtbank acht zich op basis van het reclasseringsadvies voldoende voorgelicht om te komen tot een passende afdoeningsmodaliteit. Zij zal overgaan tot oplegging van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel en overweegt hiertoe als volgt.
7.3.3.
Motivering oplegging ISD-maatregel
Voldaan aan ‘harde’ ISD-criteria
De voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel staan in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. Vereist is dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Omdat de rechtbank in dit vonnis ter zake van zaak A tot een bewezenverklaring is gekomen van diefstal, is aan deze voorwaarde voldaan. Ook moet verdachte gedurende vijf jaren voorafgaand aan de pleegdatum van 18 oktober 2025 ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk zijn veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf/maatregel of taakstraf, terwijl het in dit vonnis bewezenverklaarde feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen/maatregelen. Uit het strafblad van verdachte van 1 december 2025 volgt dat ook aan deze voorwaarde is voldaan. Blijkens het strafblad is ook voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het openbaar ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren
processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt wordenvoor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Hierbij is dus niet van belang of en op welke wijze de misdrijffeiten zijn afgedaan, tenzij er sprake was van vrijspraak. Wat betreft de veroordeling van 9 september 2025 geldt dat er proces-verbaal tegen verdachte is opgemaakt ten aanzien van twee misdrijffeiten. Daarom concludeert de rechtbank dat hij volledig voldoet aan de harde criteria.
Voldaan aan ‘zachte’ ISD-criteria
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel vereist, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Bij verdachte is sprake van een hardnekkige verslaving en hij is de afgelopen jaren, nadat aan hem eind 2020 een onvoorwaardelijke ISD-maatregel is opgelegd, veelvuldig veroordeeld voor vermogensdelicten waarvoor hij (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen heeft opgelegd gekregen. Reeds in juni 2024 voldeed verdachte opnieuw aan de harde criteria en heeft de reclassering hem een laatste kans geboden. Hij is toen in het kader van een voorwaardelijke veroordeling (opnieuw) klinisch opgenomen in de [kliniek] en er is gezocht naar een plek bij een begeleid wonen instelling. Kort na het ontslag van verdachte op 1 oktober 2025 is hij alweer teruggevallen in middelengebruik én het plegen van strafbare feiten. Daarbij heeft verdachte zich dwingend opgesteld in de richting van de hulpverlening en is hij ook uit contact getreden. Op de zitting is het de rechtbank opgevallen dat verdachte weinig tot geen zelfinzicht heeft en zijn problemen vooral externaliseert. Hij legt de schuld van zijn nieuwe terugval bij de reclassering, omdat er geen passende wooninstelling voor hem zou zijn geregeld.
De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht en ziet geen reden om aanvullend onderzoek te laten doen naar andere behandel-/begeleidingsmogelijkheden. De rechtbank is van oordeel dat de reclassering zich in de afgelopen jaren meer dan voldoende heeft ingespannen om verdachte te helpen en te begeleiden om daarmee het recidiverisico te verminderen., De reclassering ziet geen mogelijkheden meer om verdachte binnen een forensisch ambulant kader te begeleiden. Met de reclassering is de rechtbank dan ook van oordeel dat een dwangkader in de vorm van de oplegging van een ISD-maatregel voor de duur van twee jaar wenselijk en noodzakelijk is om het overlast veroorzakende delictgedrag van verdachte te doorbreken en de maatschappij daartegen te beveiligen. Indien verdachte hieraan mee wil werken, kan binnen de ISD-maatregel wederom worden toegewerkt naar een behandeling in een forensische verslavingskliniek. Als verdachte zich daar niet voor inzet, dan heeft de ISD-maatregel in ieder geval de functie van het tijdelijk beveiligen van de samenleving.
De rechtbank stelt daarmee vast dat aan alle voorwaarden voor oplegging van een ISD-maatregel is voldaan. De rechtbank ziet geen reden om deze maatregel in voorwaardelijke vorm op te leggen en zal daarom de officier van justitie op dit punt van de vordering volgen.
Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de ISD-maatregel.
Ten aanzien van zaak B overweegt de rechtbank dat dit geen feit is waarvoor de ISD-maatregel kan worden opgelegd. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van dit feit schuldig verklaren zonder oplegging van straf.

8.Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp inbeslaggenomen en niet teruggegeven:
1. 1 STK Fust (G6700858).
Onttrekking aan het verkeer
Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een geprepareerde (bier)fust, dat aan verdachte toebehoort, dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien dit voorwerp is aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het in zaak B door verdachte begane misdrijf, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan/de voorbereiding van soortgelijke misdrijven en het van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

9.Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf opgelegd in de zaak met parketnummer 13/256628-23 afwijzen, omdat de tenuitvoerlegging van die gevangenisstraf zich niet verdraagt met de oplegging van de ISD-maatregel.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen 9a, 36b, 36c, 36d, 38m, 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.4. is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van zaak A
diefstal;
ten aanzien van zaak B
in het besloten lokaal bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
ten aanzien van zaak A
Legt op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (twee) jaren.
ten aanzien van zaak B
Bepaalt dat
geen straf of maatregelwordt opgelegd.
Beslag
Onttrekt aan het verkeerhet volgende voorwerp:
1. 1 STK Fust (G6700858).
Vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 13/256628-23.
Dit vonnis is gewezen door
mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en D. Hein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.L. Köhler, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 februari 2026.
[…]