ECLI:NL:RBAMS:2026:1330

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
1329177125
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 246 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks bezwaren over procedure en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde het verzoek tot overlevering van een persoon aan Italië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Italiaanse autoriteiten. De procedure kende twee zittingen, waarbij de beslistermijn werd verlengd met terugwerkende kracht vanwege de zittingsagenda. De verdediging voerde aan dat de opgeëiste persoon onmiddellijk vrijgelaten moest worden en dat de beslistermijn niet met terugwerkende kracht verlengd kon worden, maar dit werd door de rechtbank verworpen.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en de inhoud van het EAB, waarbij werd vastgesteld dat de straf van twee jaar en tien maanden onderdeel is van een samenvoeging tot een reststraf van vijf jaar, een maand en negen dagen. De verdediging stelde dat nadere informatie over het strafrestant nodig was, maar de rechtbank concludeerde dat de straf nog niet was uitgezeten.

Een belangrijke discussie betrof de weigeringsgrond van artikel 12 Overleveringswet Pro (OLW), omdat de opgeëiste persoon niet persoonlijk aanwezig was bij het hoger beroep in Italië. De rechtbank oordeelde echter dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure en zijn verplichtingen omtrent adreswijzigingen, en dat hij kennelijk onzorgvuldig was geweest. Daarom zag de rechtbank af van weigering op deze grond.

Verder werd het bezwaar tegen overlevering op grond van detentieomstandigheden in Italië behandeld. Hoewel het rapport van de verdediging zorgwekkende situaties beschreef, vond de rechtbank deze onvoldoende om een algemeen reëel gevaar van onmenselijke behandeling aan te nemen. De rechtbank concludeerde dat geen nadere vragen nodig waren en wees het verweer af.

Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering aan Italië kan worden toegestaan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Italië toe ondanks bezwaren over procedure en detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-291771-25 (EAB 1)
Datum uitspraak: 29 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 13 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 22 juli 2025 door de
Procura Generale della Repubblica di Firenze (the General Prosecution Office of Florence), Italië (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 2000,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 8 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 8 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat in Amersfoort. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak aangehouden tot de zitting van 22 januari 2026, omdat er geen tolk in de Italiaanse taal fysiek aanwezig was.
Zitting van 22 januari 2026
De behandeling van het EAB is op deze zitting opnieuw aangevangen, in aanwezigheid van mr. N. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, en door een tolk in de Italiaanse taal.
Beslistermijn
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon onmiddellijk in vrijheid moet worden gesteld. De beslistermijn van 60 dagen is inmiddels verstreken sinds de aanhouding van de opgeëiste persoon en de beslistermijn kan niet met terugwerkende kracht worden verlengd.
De rechtbank heeft dit verweer op de zitting verworpen. Ingevolge vaste rechtspraak van deze rechtbank heeft het niet voor het verstrijken van de 60 dagentermijn verlengen van de beslistermijn met 30 dagen geen gevolgen voor de overleveringsdetentie, omdat het bevel inverzekeringstelling of inbewaringstelling waarop de opgeëiste persoon gedetineerd is, loopt tot het moment waarop de rechtbank over de gevangenhouding beslist. [2] Pas op de zitting van 22 januari 2026 is het EAB voor de eerste keer inhoudelijk meervoudig behandeld, zodat dit het eerste moment is dat over de gevangenhouding kan worden beslist. De rechtbank heeft op deze zitting verder overwogen dat voor verlenging van de beslistermijn op grond van artikel 22, derde lid, van de Overleveringswet (OLW) geen uitzonderlijke omstandigheden vereist zijn. Wel is vereist dat de rechtbank motiveert waarom de verlenging noodzakelijk is. In dit geval is verlenging van de beslistermijn noodzakelijk, omdat de zittingsagenda van deze rechtbank het niet toelaat om binnen 60 dagen te beslissen op het overleveringsverzoek. De mogelijkheid om de termijn van 60 dagen met terugwerkende kracht te verlengen, sluit dus aan bij het systeem van de wet.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [3]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
judgement rendered on 8th January 2025 by the Appellate Court of Florence - Juvenile Crime Chamber, which became final on 25th April 2025, met referentie R.G.N.R. 374/2015 - R.G.CAP. MINORI 40/2024 - Reg. Sent. Minorenni 2/2025.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en tien maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [4]
De officier van justitie bij de rechtbank van Florence (Italië) heeft op 5 juni 2025 een zogenaamde cumulatiebeslissing genomen (referentienummer: 226/2025 SIEP). Van die cumulatiebeslissing maakt deel uit de hiervoor vermelde vrijheidsstraf van twee jaar en tien maanden. Overwogen wordt dat ter nakoming van het beginsel van samenvallende straffen één straf moet worden vastgesteld die
in concretodoor de veroordeelde moet worden uitgezeten. De cumulatiebeslissing bepaalt dat de totale resterende vrijheidsstraf vijf jaar, een maand en negen dagen bedraagt en ten uitvoer moet worden gelegd.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat nadere informatie moet worden opgevraagd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit met betrekking tot het strafrestant omdat de opgeëiste persoon de straf van twee jaar en tien maanden al heeft ondergaan en uit het EAB niet blijkt wat de reststraf is. Hierdoor ontstaat het risico dat er een straf geëxecuteerd wordt die al geheel of deels is uitgezeten in voorarrest.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er een gevangenisstraf van meer dan vier maanden is opgelegd en dat de vraag naar het strafrestant een executieaangelegenheid is. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon niet met stukken onderbouwd dat hij een al uitgezeten straf door dit EAB opnieuw zal moeten ondergaan.
De rechtbank overweegt dat de straf van twee jaar en tien maanden met andere straffen is samengevoegd tot een straf van vijf jaar, een maand en negen dagen. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in de aanvullende informatie van 12 december 2025 vermeld dat de nog uit te zitten (samengevoegde) straf vijf jaar, een maand en negen dagen bedraagt. Hieruit volgt dat, anders dan de raadsvrouw betoogt, de straf van twee jaar en tien maanden nog niet ten uitvoer is gelegd.
3.1
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
Inleiding
Op 12 december 2025 heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende aanvullende informatie verstrekt:
“- (…) The judgment of the Florence Court of Appeal of 08/01/2025 is no longer subject to ordinary appeal, and consequently, it definitively decides the case on the merits in the meaning of the Case C-397/22 of the European Court of Justice of 21.12.2023 (ECLI:EU:C:2023:1030)- [de opgeëiste persoon] did not give a mandate to the public-defender lawyer, Avv. Alessandro Lenzi, to defend him, but this lawyer was appointed by the Court in the first-instance proceedings. Avv. Lenzi also wrote and filed the appeal brief and participated in the appeal proceedings.- During the criminal proceedings, [de opgeëiste persoon] provided the Italian authorities with his address by signing a "declaration of domicile" in which he indicated the place where he wished to receive all summons related to the proceedings. The place he indicated is “Via dei Tranquilli no. 10 int. 1, Livorno”. The summons for the proceedings before the Court of Appeal was sent to this address.- The "declaration of domicile" signed by the defendant always indicates the obligation to inform the Italian authorities of any changes of address and clearly states the consequences of falling to comply with this obligation.”
Op 2 januari 2026 is hier de volgende informatie aan toegevoegd:
“ [de opgeëiste persoon] was informed of his obligation to notify the judicial authorities of any change of address for the entire duration of the proceedings (and therefore also for the appeal stage)
I would add that, at the time [de opgeëiste persoon] appeal was filed, a regulation was in force (Article 581, paragraph 1-ter of the Code of Criminal Procedure) which required the filing of the declaration of domicile along with the notice of appeal.”
Standpunt van de raadsvrouw
Volgens de raadsvrouw moeten nadere vragen aan de Italiaanse autoriteiten gesteld worden over de procedure in hoger beroep. Uit de stukken blijkt niet dat de opgeëiste persoon op de hoogte is geweest van de zitting in hoger beroep. Ook is niet vermeld dat de adres-instructie zou gelden voor een eventuele procedure in hoger beroep.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden afgezien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro, omdat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de procedure die tegen hem liep. De opgeëiste persoon heeft een adres-instructie ondertekend waarin hij is gewezen op de gevolgen van het niet doorgeven van adreswijzigingen.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van het samenvoegingsbesluit no. 226/2025 SIEP vanthe General Prosecution Office of Florencevan 5 juni 2025.
De rechtbank is van oordeel dat het samenvoegingsbesluit niet aan artikel 12 OLW Pro getoetst dient te worden, omdat hierin sprake van een optelling van de opgelegde straffen zonder dat sprake was van een beoordelingsmarge. Dit besluit valt hierom niet onder de reikwijdte van artikel 12 OLW Pro. [5]
Ten aanzien van het arrest vanthe Florence Court of Appealvan 8 januari 2025
Als het proces in twee opeenvolgende instanties heeft plaatsgevonden, namelijk een eerste aanleg gevolgd door een procedure in hoger beroep, dan is de laatste van die beslissingen relevant voor de beoordeling of is voldaan aan de vereisten van artikel 4 bis Pro, eerste lid, Kaderbesluit 2002/584/JBZ en artikel 12 OLW Pro, voor zover daartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat en daarom de zaak ten gronde definitief is afgedaan. [6]
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering op deze grond te weigeren. Uit de aanvullende informatie van 12 december 2025 volgt dat de opgeëiste persoon gedurende het vooronderzoek een adresinstructie heeft ontvangen en deze heeft ondertekend. Hij was dus op de hoogte van het feit dat post van de justitiële autoriteiten naar het door hem opgegeven adres zou worden gezonden en van de op hem rustende verplichting om een adreswijziging door te geven. De oproep is ook naar het door hem opgegeven adres verzonden. Daarnaast blijkt uit de aanvullende informatie van 2 januari 2026 dat deze adresinstructie zag op “
the entire duration of the proceedings (and therefore also for the appeal stage)”, zodat voor de opgeëiste persoon duidelijk was dat deze instructie ook zou gelden in geval van een eventueel hoger beroep en hij dus met een dergelijk beroep rekening moest houden
.Uit die aanvullende informatie blijkt voorts dat het op grond van de Italiaanse wet verplicht was om met het indienen van het hoger beroep een domicilieadres op te geven. Op grond van deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat, voor zover de opgeëiste persoon al niet impliciet afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht, hij minstens met betrekking tot de uitoefening van zijn verdedigingsrechten kennelijk onzorgvuldig is geweest door geen nieuw adres door te geven toen hij niet langer op het door hem opgegeven adres bereikbaar was.

4.Strafbaarheid

4.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het eerste strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
racketeering en afpersing.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aanvullende informatie moet worden opgevraagd over de op te leggen maximumstraf. Het feit is aangekruist als een lijstfeit, maar onder rubriek c is niet aangegeven wat de maximumstraf is die in Italië op dit feit staat, zodat niet getoetst kan worden of aan de eis van strafbedreiging met een vrijheidsstraf van ten minste drie jaar voldaan is.
De officier van justitie heeft hierover geen standpunt ingenomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat geen aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit nodig is met betrekking tot de op te leggen maximumstraf. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in onderdeel c) van het EAB terecht niet vermeld wat de maximaal op leggen straf is, omdat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een straf. In onderdeel e) van het EAB is vermeld dat op het strafbare feit een gevangenisstraf van ten minste drie jaar is gesteld. Daarmee is aan de eisen van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, 1°, OLW voldaan. Het verweer slaagt daarom niet.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.
4.2
Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het tweede strafbare feit aangeduid als het zogenoemde lijstfeit
sexual assault.De rechtbank stelt vast dat dit geen lijstfeit is als bedoeld in het Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het tweede strafbare feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet plaatsvinden. Overlevering kan worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

5.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om terug te komen van haar eerdere beslissing om niet langer een algemeen gevaar aan te nemen vanwege de Italiaanse detentieomstandigheden. Volgens de raadsvrouw blijkt uit het door haar overgelegde rapport
“Analysis of the Analytical Report "Respect for the Dignity of Persons Deprived of Personal Liberty" of the Adult Penitentiary Observatory (GNPL)”dat de detentieomstandigheden in Italië nog altijd niet zijn verbeterd. Het rapport is bijgewerkt tot 31 juli 2025 en geeft blijk van onder andere overbevolking, agressie, te weinig persoonlijke celruimte en een groot aantal zelfmoordpogingen en gevallen van zelfbeschadiging. De raadsvrouw heeft daarnaast ter illustratie een brief van 21 november 2025 overgelegd van een cliënt van haar die momenteel gedetineerd zit in de gevangenis van Milaan waarin de zorgelijke detentieomstandigheden worden bevestigd. De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat om bovengenoemde redenen geen gevolg moet worden gegeven aan het EAB. Subsidiair heeft zij aangevoerd dat een detentiegarantie moet worden opgevraagd voor de opgeëiste persoon.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is om terug te komen van de eerdere beslissing van de rechtbank dat geen sprake meer is van een algemeen gevaar dat personen die in Italië zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld in verband met detentieomstandigheden in Italiaanse detentiecentra. Het rapport waar de raadsvrouw naar verwijst is een analyse van cijfers en berust niet op daadwerkelijke waarnemingen in detentie-instellingen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het door de raadsvrouw overgelegde rapport wijst op meerdere problemen in Italiaanse detentiecentra. Dit rapport is echter onvoldoende voor de vaststelling dat er een algemeen reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling van gedetineerden in Italië. Het rapport vermeldt onder meer dat er vijf gedetineerden waren die een persoonlijke celruimte van minder dan drie vierkante meter tot hun beschikking hadden. Hoewel dit een zorgelijke situatie is, is naar het oordeel van de rechtbank uit het rapport niet gebleken dat deze situatie structureel van aard is, nu het blijkens het rapport gaat om vijf gedetineerden op een totaal van 62.000. Daarnaast bevestigt het rapport ten aanzien van onder meer het aantal suïcide(s)(pogingen) en zelfbeschadigingen in detentie, omstandigheden waar deze rechtbank al mee bekend is. De rechtbank verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 27 mei 2025. [7] De overgelegde brief van 21 november 2025 betreft geen objectieve informatie zodat de rechtbank deze brief niet betrekt bij haar beoordeling.
De rechtbank concludeert dat zij niet beschikt over objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens op basis waarvan zij tot het oordeel zou kunnen komen dat er ten aanzien van detentie-instellingen in Italië een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden worden blootgesteld aan het risico op mensonterende of vernederende omstandigheden. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen. Het verweer slaagt niet.

6.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

7.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 en 246 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Procura Generale della Repubblica di Firenze(
the General Prosecution Office of Florence), Italië, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.J. Gauneau, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 29 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Rb Amsterdam, 20 september 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:8113 en rb Amsterdam, 12 september 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5738
3.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.Zie ook rb Amsterdam, 28 maart 2024, ELIC:NL:RBAMS:2024:1874, r.o. 3.1.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 21 december 2023, C-397/22, LM, (
7.Rechtbank Amsterdam, 27 mei 2025 (ECLI:NL:RBAMS:2025:3475).