ECLI:NL:RBAMS:2026:1378

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
10705879 \ CV EXPL 23-12605
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Richtlijn 93/13 EGArt. 6 lid 1 Richtlijn 93/13 EGArt. 38 lid 1 Wet marktordening gezondheidszorgArt. 4 Regeling transparantie zorgaanbieders TH/NR-018Art. 5 Regeling transparantie zorgaanbieders TH/NR-018
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens oneerlijk prijsbeding bij spoedeisende medische behandeling

De Stichting Noordwest Ziekenhuisgroep vorderde betaling van medische kosten van een patiënt die in 2019 spoedeisende hulp ontving na een auto-ongeluk. De patiënt was niet vooraf geïnformeerd over de kosten vanwege de noodsituatie. De rechtbank stelde vast dat het ziekenhuis wettelijk verplicht is om patiënten tijdig en zorgvuldig te informeren over tarieven, tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is.

Hoewel het ziekenhuis aannemelijk maakte dat vooraf informeren niet mogelijk was, had het na de behandeling alsnog de patiënt moeten informeren, wat niet is gebeurd. De enkele verwijzing naar een informatiebalie na ontslag was onvoldoende. Hierdoor werd het prijsbeding als niet transparant en oneerlijk beoordeeld, omdat het de belangen van de patiënt aanzienlijk benadeelde.

De rechtbank concludeerde dat de patiënt niet gebonden is aan het oneerlijke prijsbeding en dat de overeenkomst niet kan voortbestaan. Omdat de patiënt geen belang had bij voortzetting van de overeenkomst en het ziekenhuis haar diensten had verleend, werd de vordering afgewezen. Het ziekenhuis werd veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden begroot.

Uitkomst: De vordering van het ziekenhuis wordt afgewezen wegens een oneerlijk prijsbeding bij spoedeisende medische zorg.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10705879 \ CV EXPL 23-12605
Vonnis van 9 januari 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING NOORDWEST ZIEKENHUISGROEP,
gevestigd te [locatie] ,
eisende partij,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 7 november 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij voornoemd tussenvonnis is eisende partij in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de transparantie en (on)eerlijkheid van het prijsbeding en de algemene voorwaarden over te leggen.
2.2.
De algemene voorwaarden zijn overgelegd. Eisende partij heeft in het kader van het prijsbeding aangevoerd, kort gezegd, dat gedaagde partij op 2 februari 2019 door een ambulance is binnengebracht op de spoedeisende hulp na een auto-ongeluk. De medische situatie vereiste onmiddellijke interventie, zonder ruimte voor administratieve handelingen of prijsinformatie vooraf. Eisende partij benadrukt dat zij wettelijk verplicht is om spoedeisende zorg te verlenen aan iedereen, ongeacht de verzekeringsstatus.
2.3.
Wat eisende partij verder nog heeft aangevoerd komt, voor zover nodig, hierna aan de orde.
2.4.
Eisende partij stelt dat gedaagde partij voorafgaand aan de medische behandeling niet is geïnformeerd over de kosten daarvan, maar dat dit onder de gegeven omstandigheden niet mogelijk was. Zij wijst erop dat op grond van de wet op haar slechts een informatieverplichting rust voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is. Gedaagde partij stond bij binnenkomst geregistreerd met een Duits adres. Na ontslag is gedaagde verwezen naar de balie ‘Kosten en Vergoedingen’, waar een voorschot moet worden betaald en waar standaard informatie wordt verstrekt over de tarieven en betaling. De tarieven van eisende partij zijn terug te vinden op de passantenprijslijst. Kennelijk is gedaagde partij niet langs deze balie gegaan, omdat geen voorschot is betaald. Dat is de eigen verantwoordelijkheid van gedaagde partij, aldus eisende partij.
2.5.
Nu eisende partij stelt gedaagde partij niet te hebben geïnformeerd over de (bij benadering te verwachten) prijs van de medische behandeling, wordt het prijsbeding, ondanks dat de passantenprijzen kennelijk op de website staan, als niet transparant aangemerkt, zodat het moet worden getoetst op oneerlijkheid. Dat een prijsbeding niet transparant is, leidt niet direct tot het oordeel dat het beding ook oneerlijk is, maar het is wel een (belangrijk) element binnen die toets. Volgens artikel 3 lid 1 van Pro Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) wordt een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld, als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort of kan verstoren.
2.6.
Gelet op artikel 38 lid 1 van Pro de Wet marktordening gezondheidszorg was eisende partij verplicht om gedaagde partij tijdig en zorgvuldig te informeren over het voor de prestatie in rekening te brengen tarief. Dit artikel is door de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) nader uitgewerkt in artikel 4 en Pro 5 van de Regeling transparantie zorgaanbieders TH/NR-018, waaruit volgt dat eisende partij gedaagde partij had moeten informeren over datgene dat voor hem van belang was om een weloverwogen keuze te maken om zorg te vergelijken en te ontvangen, over tarieven die voor hem van belang waren, of de te leveren prestaties of diensten verzekerd waren en of gedaagde partij zelf een bedrag moest betalen.
2.7.
De omstandigheden waaronder de medische behandeling is aangevangen, wegen echter mee bij de beoordeling. Eisende partij heeft voldoende gemotiveerd toegelicht dat het niet mogelijk was om gedaagde partij voorafgaand aan de uitgevoerde medische behandeling te informeren over de kosten daarvan, vanwege de spoedeisende medische noodtoestand op dat moment. Dat neemt niet weg dat zodra informatieverstrekking na de behandeling wél mogelijk was, die op dat moment moet plaatsvinden. Gesteld noch gebleken is dat dit is gebeurd. De enkele verwijzing – kennelijk pas na ontslag – naar de informatiebalie is in dat opzicht onvoldoende, althans te laat. Anders dan waar eisende partij vanuit lijkt te gaan, is het niet de verantwoordelijkheid van de consument, maar van de zorgverlener om actief te voorzien in informatieverstrekking over de prijs voorafgaand aan de behandeling en voor zover dat op dat moment niet mogelijk is, direct op het moment dat dit redelijkerwijs wel mogelijk is.
2.8.
Nu eisende partij kennelijk niet deze verplichtingen heeft voldaan, wordt geconcludeerd dat het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen die voor partijen uit de overeenkomst voortvloeien, ten nadele van gedaagde partij aanzienlijk is verstoord. Het prijsbeding wordt dan ook oneerlijk bevonden. Daarbij wordt opgemerkt dat het op grond van artikel 4 van Pro de hiervoor aangehaalde regeling aan eisende partij is om voorafgaand aan de behandeling te controleren of een patiënt daarvoor is verzekerd.
2.9.
Nu het prijsbeding oneerlijk is, is gedaagde partij daaraan niet gebonden. Dat volgt uit artikel 6 lid 1 van Pro de richtlijn. Als gevolg daarvan kan de onderhavige overeenkomst niet blijven voortbestaan. De vraag is vervolgens of gedaagde partij hiervan uiterst nadelige gevolgen ondervindt en in zijn belangen wordt geschaad, omdat de kantonrechter in dat geval de overeenkomst moet aanvullen (zie onder andere ECLI:EU:C:2020:954).
2.10.
Nu eisende partij haar diensten heeft verricht, heeft gedaagde partij in die zin geen belang bij voortbestaan van de overeenkomst.
2.11.
Nu eisende partij zich al over de oneerlijkheid van het prijsbeding en (de gevolgen van) eventuele vernietiging van dat beding heeft uitgelaten, zal zij daartoe niet nogmaals in de gelegenheid worden gesteld.
2.12.
De vordering wordt op grond van het voorgaande afgewezen.
2.13.
Eisende partij wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van gedaagde partij, die tot op heden worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
wijst de vordering af,
3.2.
veroordeelt eisende partij in de proceskosten, aan de zijde van gedaagde partij begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026.
991