ECLI:NL:RBAMS:2026:1387

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
13-006944-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28/1 Wet voorlopige hechtenisArt. 6:162 BWArt. 6, eerste lid, OLWArt. 11 OLWArt. 14 Verdrag Nederland-VAE
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over verzoek tot verderlevering aan België en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 februari 2026 een verzoek tot in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Federaal Parket in België. De opgeëiste persoon, met de Nederlandse nationaliteit, is gedetineerd in Nederland na uitlevering vanuit de Verenigde Arabische Emiraten (VAE). De rechtbank stelde vast dat het EAB voldoet aan de vereisten van effectieve rechterlijke bescherming, mede omdat het onderliggende Nationale Aanhoudingsbevel (NAB) door een Belgische zittingsrechter is uitgevaardigd in het kader van de aanwezigheid van de opgeëiste persoon op de zitting.

De rechtbank oordeelde dat de toestemming van de VAE voor de verderlevering aan België rechtsgeldig is, ondanks bezwaren over de vertaling en de vermelding van de naam. De strafbare feiten waarvoor overlevering wordt verzocht, zijn lijstfeiten volgens de Nederlandse Opiumwet, waardoor een onderzoek naar dubbele strafbaarheid achterwege blijft.

Gezien het algemeen gevaar van onmenselijke behandeling in Belgische gevangenissen, met name de overbevolking in de gevangenis van Mechelen, heeft de rechtbank behoefte aan nadere informatie over de detentieomstandigheden en de naleving van garanties. Daarom is het onderzoek heropend en geschorst om de officier van justitie in staat te stellen vragen te stellen aan de Belgische autoriteiten. De zaak wordt uiterlijk veertien dagen voor 19 maart 2026 opnieuw behandeld.

Uitkomst: Het onderzoek wordt heropend en geschorst om nadere vragen te stellen over de detentieomstandigheden in de gevangenis van Mechelen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-006944-26
Datum uitspraak: 10 februari 2026
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 16 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 7 januari 2026 door het Federaal Parket in Brussel, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1986 in [geboorteplaats] (België),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon heeft afstand gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigd raadsman, mr. J.C. Reisinger, advocaat in Utrecht.
Voor sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Uitvaardigende justitiële autoriteit

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt geteld dat het EAB is uitgevaardigd door een officier van justitie, terwijl de beslissing niet vatbaar is voor een rechterlijke toetsing voorafgaand aan de feitelijke overlevering. Het onderliggende Nationale Aanhoudingsbevel (NAB) is uitgevaardigd door een rechter zonder dat daarbij de evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB is getoetst. Deze zaak verschilt daarom niet van de Griekse zaak waarin deze rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld. [2] Verder is het EAB niet uitgevaardigd op verzoek van de opgeëiste persoon.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze zaak verschilt van voornoemde Griekse zaak en dat het antwoord op de gestelde prejudiciële vragen daarom niet relevant is voor deze zaak. Allereerst is het EAB het gevolg van het verzoek van de opgeëiste persoon om aanwezig te zijn bij de behandeling van de strafzaak in België. De Belgische rechtbank heeft vervolgens op zitting een bevel aanhouding afgegeven met als doel de aanwezigheid van opgeëiste persoon op de zitting in België, wetende dat de opgeëiste persoon in Nederland gedetineerd zit en dat een EAB nodig is om hem op de zitting aanwezig te laten zijn. Ter onderbouwing hiervan heeft de officier van justitie het proces-verbaal van de zitting van
2 december 2025 bij de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, in België overgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Het gaat in deze zaak om een vervolgings-EAB dat is uitgevaardigd door het Belgische Openbaar Ministerie en dat berust op een door een Belgische rechtbank uitgevaardigd NAB.
In voormelde Griekse zaak, waarin de rechtbank prejudiciële vragen heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, staat de vraag centraal of naar Grieks recht voorafgaand aan de feitelijke overlevering een rechtelijke toetsing van de voorwaarden voor uitvaardiging van een vervolgings-EAB en de evenredigheid daarvan mogelijk is. Hoewel deze vraag ook in deze zaak rijst, is de situatie hier anders dan in de Griekse zaak. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Naar Belgisch recht mag het Openbaar Ministerie slechts in twee uitzonderingsgevallen een vervolgings-EAB uitvaardigen. Eén van die twee uitzonderingen is de situatie dat het NAB niet door een onderzoeksrechter, maar door de zittingsrechter is uitgevaardigd, iets wat hier het geval is. De Belgische zittingsrechter mag namelijk een NAB uitvaardigen als de opgeëiste persoon niet in persoon op de zitting kan verschijnen vanwege een detentie in het buitenland - waar hier sprake van is - en de opgeëiste persoon zelf heeft verzocht om persoonlijk aanwezig te zijn op de zitting.
Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat de zittingsrechter bij de uitvaardiging van het NAB wist dat dit NAB de basis zou vormen voor de uitvaardiging van het vervolgings-EAB door het Openbaar Ministerie. Dat is immers de reden dat het NAB is uitgevaardigd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de zittingsrechter met de uitvaardiging van het NAB – en dus vóór de overlevering – in elk geval impliciet een positief oordeel heeft gegeven over de voorwaarden voor en de evenredigheid van de uitvaardiging van het vervolgings-EAB. Daarnaast blijkt uit het door de officier van justitie overgelegde proces-verbaal van de zitting in België dat de opgeëiste persoon via zijn raadsman in België heeft verzocht om een bevel tot aanhouding conform artikel 28/1 van de Wet betreffende de voorlopige hechtenis uit te vaardigen, zodat hij persoonlijk aanwezig kan zijn bij de behandeling van zijn strafzaak in België.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de uitvaardiging van het EAB voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4.Toestemming van de Verenigde Arabische Emiraten voor verderlevering

Vast staat dat de opgeëiste persoon door de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) aan Nederland is uitgeleverd vanwege een in Nederland aanhangige verdenking in een strafzaak en dat de opgeëiste persoon in verband daarmee per 1 september 2025 in Nederland is gedetineerd. Nu de feiten waarop het EAB berust zouden zijn begaan vóór die uitlevering, is op grond van artikel 14 van Pro het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten van 29 augustus 2021 (hierna: het Verdrag) voor de zogenoemde ‘verderlevering’ van de opgeëiste persoon aan België door Nederland toestemming vereist van de VAE.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het specialiteitsbeginsel zich verzet tegen de verderlevering van de opgeëiste persoon aan België. Onduidelijk is namelijk of de verstrekte toestemming van de VAE is gegeven door een daartoe bevoegde autoriteit. Daarbij komt dat de brief van 19 januari 2026 niet is vertaald door een beëdigd vertaler. Bovendien staat in die brief de naam van opgeëiste persoon onjuist vermeld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de verleende toestemming niet voldoet aan de vereisten die het Verdrag daaraan stelt. Gelet op de benodigde spoed is de vertaling gedaan door een Nederlandse ambassademedewerker. Verder wordt de naam van de opgeëiste persoon meermalen genoemd in de toestemming. Dat één van de voornamen van de opgeëiste persoon één keer is opgenomen in plaats van de achternaam, is uitlegbaar gelet op het verschillend weergeven van voor- en achternamen in buitenlandse talen, zeker in de Arabische taal.
Het oordeel van de rechtbank
Artikel 5 van Pro het Verdrag luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
De centrale autoriteiten van de partijen behandelen verzoeken tot uitlevering overeenkomstig dit Verdrag.
De centrale autoriteit van de Verenigde Arabische Emiraten is het ministerie van Justitie.
De centrale autoriteit van het Koninkrijk der Nederlanden is:
– voor Nederland: het ministerie van Justitie en Veiligheid van Nederland; (…)
(…).
Artikel 14 van Pro het Verdrag ziet op de verdere uitlevering aan een derde partij. Hierin is onder meer het volgende bepaald:
Uitgezonderd in de gevallen voorzien in artikel 13, eerste lid, onderdelen a en b, van dit Verdrag kan de verzoekende Partij niet zonder de instemming van de aangezochte Partij de persoon die aan haar is uitgeleverd en die door een derde partij wordt gezocht wegens strafbare feiten gepleegd vóór deze uitlevering, niet [rechtbank:
sic] aan een derde partij uitleveren. (…).
Bij brief van 19 januari 2026 heeft de centrale autoriteit van de VAE, vertegenwoordigd door het Ministerie van Justitie, toestemming gegeven tot verderlevering van de opgeëiste persoon aan België. Overeenkomstig artikel 5 van Pro het Verdrag is deze toestemming tot verderlevering daarmee gegeven door de bevoegde autoriteit. Het feit dat de brief is ondertekend door de assistent-staatsecretaris voor Internationale Samenwerking en Justitiële Zaken doet daar niet aan af. De raadsman heeft weliswaar gesteld dat nergens uit blijkt dat deze functionaris bevoegd is tot het nemen van de bewuste beslissing, maar deze enkele stelling biedt – zonder enige concrete onderbouwing – onvoldoende aanknopingspunten om daaraan te twijfelen. Ook het feit dat geen sprake is van een door een beëdigde vertaler opgestelde vertaling is geen reden om aan de inhoud of de juistheid van de brief te twijfelen. De raadsman heeft namelijk niet onderbouwd dat sprake is van een onjuiste vertaling. Het enkele feit dat de naam van de opgeëiste persoon in de vertaalde brief één keer onvolledig is weergegeven, is daartoe onvoldoende. Bovendien wordt de volledige naam van de opgeëiste persoon meerdere keren wel juist genoemd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

5.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een bevel tot aanhouding conform artikel 28/1 Wet voorlopige hechtenis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren van 2 december 2025.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

6.Strafbaarheid

6.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
  • deelneming aan een criminele organisatie;
  • illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

7.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW Pro. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie.

8.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat op dit moment een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling, gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [4]
De rechtbank stelt vast dat bij brief van 27 januari 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden te Brussel de volgende algemene detentiegarantie is gegeven:
1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Mechelen indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
- De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
- De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.
o De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm
o Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
- De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
- Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

De rechtbank heeft voorafgaand aan de zitting aan de raadsman en de officier van justitie een beeldopname verstrekt waarin een interview met de gevangenisdirecteur van de gevangenis in Mechelen van 16 december 2025 is te zien, [5] De rechtbank is met dit beeldmateriaal in een andere zaak bekend geworden en heeft partijen verzocht om daarover op zitting een standpunt in te nemen.
Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de signalen, die uit het interview met de gevangenisdirecteur van 16 december 2025 alsmede een nieuwsbericht van het Belgische VRT nieuws [6] met actuele cijfers over de overbevolking, naar voren komen dusdanig ernstig zijn dat de opgeëiste persoon in Mechelen niet op een behandeling kan rekenen die voldoet aan de ondergrens van ‘menswaardigheid’, met name nu nota bene de Belgische minister van Justitie de detentieomstandigheden in België betitelde als “een schande”. Er zijn daarom gegronde redenen om te twijfelen of de verstrekte garantie nog wel kan worden nagekomen, zodat hierover vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgaan van de geboden garantie, die het algemeen gevaar dat door de rechtbank is aangenomen voor de opgeëiste persoon wegneemt. Bovendien dateert het interview met de gevangenisdirecteur van 16 december 2025 en heeft de rechtbank sindsdien nog een overlevering naar de gevangenis van Mechelen toegestaan. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Het oordeel van de rechtbank
Uit de individuele detentiegarantie volgt dat de opgeëiste persoon na overlevering in de gevangenis van Mechelen zal worden gedetineerd.
Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd, is de rechtbank verplicht om na te gaan of er gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering aan België in detentie een reëel gevaar zal lopen van schending van zijn grondrechten, gezien het algemeen gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling dat de rechtbank ten aanzien van de Belgische detentieomstandigheden heeft aangenomen.
De rechtbank moet - wanneer een garantie is verstrekt die niet is goedgekeurd door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit - uitgaan van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [7] De rechtbank beschikt in deze zaak over voornoemde individuele garantie die ten behoeve van de opgeëiste persoon is verstrekt, alsmede over het interview met de gevangenisdirecteur van 16 december 2025 en het nieuwsbericht van 16 januari 2026 dat door de raadsman is verstrekt.
Het vastgestelde algemene gevaar voor de detentie-instellingen in België ziet (onder meer) op de problematiek rondom overbevolking en het niet afgescheiden zijn van het sanitair van de slaapplekken. Voornoemde berichten bevestigen dat deze problematiek nog steeds actueel is.
Hoewel de rechtbank van oordeel is dat nieuwsberichten op zichzelf niet als objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens kunnen worden aangemerkt, zoals bedoeld in het arrest
Aranyosi en Căldăraruvan het Hof van Justitie van de Europese unie, [8] is de rechtbank geconfronteerd met een interview waarin de gevangenisdirecteur en de directeur generale gevangeniswezen zelf uitlatingen doen over de detentieomstandigheden in Mechelen. In het interview wordt de mate van overbevolking in de instelling geconcretiseerd. Per 16 december 2025 worden in Mechelen 151 gedetineerden gehuisvest, terwijl slechts ruimte is voor 84 gedetineerden. De directeur gevangeniswezen stelt dat er doden zullen vallen, als er niets gebeurt. Ook in het door de raadsman overgelegde nieuwsbericht gaat het over de overbevolking in Belgische gevangenissen. In dit nieuwsbericht is een figuur opgenomen met cijfers over de overbevolking per gevangenis, afkomstig van de Belgische Federale Overheidsdienst Justitie. Uit die cijfers blijkt dat per 5 januari 2026 voornoemd aantal van 151 gedetineerden in de gevangenis van Mechelen is opgelopen naar 156 gedetineerden waardoor de bezettingsgraad daar per die datum 185,7% is.
Gelet op het voorgaande kan een globale beoordeling van de in deze zaak verstrekte detentiegarantie van 27 januari 2026 niet zonder meer tot de conclusie leiden dat het eerder vastgestelde algemeen gevaar van onmenselijke en vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon in de gevangenis van Mechelen wordt weggenomen. De op dit moment beschikbare informatie over de detentieomstandigheden in Mechelen leidt ertoe dat de rechtbank behoefte heeft aan nadere informatie op de volgende punten:
In hoeverre heeft de in het interview van 16 december 2025 verstrekte informatie over de overbevolking en het niet afgescheiden sanitair gevolgen voor de verstrekte garantie? Welke gevolgen zijn dat?
Voor zover (nog steeds) wordt gegarandeerd dat de opgeëiste persoon na overlevering ten minste 3 m2 persoonlijke ruimte in een meerpersoonscel (exclusief sanitaire voorzieningen) en met afgescheiden sanitair tot zijn beschikking zal hebben, hoe wordt dat feitelijk gerealiseerd gelet op de overbevolkingscijfers in de instelling?
Mocht dit aanleiding geven om de opgeëiste persoon in een andere detentie-instelling te plaatsen na zijn overlevering, kunt u aangeven welke dat zal zijn en welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in die detentie-instelling?
In het kader van de verdere beoordeling zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit voornoemde vragen te laten beantwoorden, indachtig de omstandigheden op grond waarvan het algemeen gevaar voor gedetineerden in België is aangenomen.

9.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de door de rechtbank onder 8 geformuleerde vragen aan de Belgische uitvaardigende justitiële autoriteit te stellen;
BEPAALTdat de zaak uiterlijk veertien dagen vóór 19 maart 2026 (einde van de beslistermijn) weer op zitting wordt gepland;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadsman.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10377.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
5.HLN 16 december 2025, ‘KIJK. Mechelse gevangenisdirecteur zwaar aangeslagen door overbevolking: “Situatie is onhoudbaar”’ (
6.Nieuwsbericht van 16 januari 2026 van VRT NWS ‘IN KAART: Zo overbevolkt zijn onze Belgische gevangenissen’ (
7.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198, punt 89.