ECLI:NL:RBAMS:2026:1392

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
13-314454-25 (EAB I)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en verlenging beslistermijn wegens Poolse detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 februari 2026 een tussenuitspraak in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit Polen. De opgeëiste persoon wordt verdacht van diefstal en er is een vrijheidsstraf van één jaar en vier maanden opgelegd, waarvan nog ruim een jaar resteert. De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding niet persoonlijk aan de opgeëiste persoon is betekend, maar dat hij wel een advocaat heeft gemachtigd die zijn verdediging voerde, waardoor de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro niet van toepassing is.

De rechtbank constateert dat er structurele gebreken zijn in de Poolse rechtsorde die het recht op een eerlijk proces kunnen schenden, maar dat er geen concreet individueel gevaar is aangetoond voor de opgeëiste persoon. Tegelijkertijd loopt een tweede EAB-zaak (EAB II) waarin de detentieomstandigheden in Polen centraal staan. Om te voorkomen dat de opgeëiste persoon wordt overgeleverd voordat over EAB II is beslist, heeft de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropend en geschorst.

De beslistermijn is verlengd met 60 dagen tot uiterlijk 27 maart 2026, zodat beide zaken gelijktijdig kunnen worden behandeld. De rechtbank beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon en zijn raadsman met een Poolse tolk voor een zitting in de periode van 11 tot 20 maart 2026. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank schorst de zaak en verlengt de beslistermijn om gelijktijdig uitspraak te doen met een gerelateerde zaak over detentieomstandigheden in Polen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-314454-25 (EAB I)
Datum uitspraak: 10 februari 2026
TUSSEN
UITSPRAAK
op de vordering van 28 november 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 oktober 2025 door
the 2nd Criminal Division of the Regional Court in Ostrołęka, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1997,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in de [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 27 januari 2026, in aanwezigheid van mr. J.J.M. Asbroek, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. T.F. Ormel, die waarneemt voor mr. F.D.W. Siccama, beiden advocaat in Amsterdam-Duivendrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court in Ostrołękavan 9 maart 2023, met referentie II K 206/22.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vier maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog één jaar, drie maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 12 OLW Pro moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon betwist namelijk dat de dagvaarding hem in persoon is betekend en dat hij een advocaat zou hebben gemachtigd zoals in onderdeel d) van het EAB staat vermeld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 12 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. In het EAB is namelijk vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is gedagvaard en dat hij op de zitting is verdedigd door een gemachtigd advocaat. Hierdoor is sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a en b, OLW.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de opgeëiste persoon niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid.
Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van de situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a, OLW. Allereerst heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit punt 1.a van onderdeel d) van het EAB niet aangekruist. Daarnaast staat in onderdeel d) onder punt 2 van het EAB als toelichting vermeld dat de dagvaarding ‘
was properly delivered and deemed to have been duly notified and served on him’.Hiermee staat voor de rechtbank niet vast dat de opgeëiste persoon de dagvaarding in zijn handen heeft ontvangen.
De rechtbank is van oordeel dat wel sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, sub b, OLW. In het EAB is vermeld dat opgeëiste persoon op de hoogte was van het voorgenomen proces, dat hij een advocaat heeft gemachtigd om zijn verdediging te voeren, en dat deze advocaat tijdens het proces zijn verdediging ook daadwerkelijk heeft gevoerd. Gelet op het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van die informatie. Er zijn geen objectieve stukken overgelegd waaruit zou blijken dat deze informatie in het EAB onjuist is. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is daartoe niet voldoende. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro is daarom niet van toepassing.

5.Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW zijn neergelegd.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
- diefstal door twee of meer verenigde personen;
- diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermaals gepleegd.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [4]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]

7.Heropening en verlenging beslistermijn

Tegelijkertijd met deze zaak heeft de rechtbank EAB II (parketnummer 13-153123-24) ter zitting behandeld. In die zaak heeft de rechtbank, kort gezegd, bij tussenuitspraak het onderzoek heropend in verband met de detentieomstandigheden in het Poolse
remand regimeen een redelijke termijn van 30 dagen gesteld, als bedoeld in artikel 11, vierde lid, OLW. Vervolgens zal de rechtbank in die zaak nagaan of binnen die redelijke termijn een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. De voortzetting van de behandeling van EAB II zal uiterlijk op de eerste zittingsdag na het verstrijken van de redelijke termijn (11 maart 2026) of uiterlijk tien dagen daarna worden ingepland.
De beslistermijn van 90 dagen in deze zaak verstrijkt op 25 februari 2026. De rechtbank ziet echter aanleiding de beslistermijn te verlengen met 60 dagen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW, omdat sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in die bepaling. De rechtbank zal namelijk op beide EAB’s gelijktijdig moeten beslissen. Want als de rechtbank nu al een definitieve beslissing inzake EAB I zou nemen waarin de overlevering zou worden toegestaan, dan zou dat betekenen dat de opgeëiste persoon binnen tien dagen na die uitspraak feitelijk moet worden overgeleverd. Er is dan nog geen definitieve inhoudelijke beslissing genomen over EAB II, terwijl de opgeëiste persoon feitelijk niet meer in Nederland verblijft. De rechtbank acht dat een onwenselijke situatie. Daarnaast ziet de rechtbank in de zaak met betrekking tot EAB II geen mogelijkheid om een (zeer) korte redelijke termijn van maximaal tien dagen te stellen om in beide zaken gelijktijdig einduitspraak te doen. De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij een termijn van tien dagen bijzonder weinig tijd om informatie te verstrekken, mede gelet op de tijd die het kost om de uitvaardigende justitiële autoriteit daartoe in de gelegenheid te stellen. Daarbij komt dat na het verstrijken van een redelijke termijn van tien dagen de behandeling van EAB II op een nieuwe zitting voortgezet zal moeten worden om te beoordelen of sprake is van een wijziging van omstandigheden. Met andere woorden; het zal nog enige tijd duren voordat de rechtbank definitief kan beslissen over EAB II.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank het onderzoek in deze zaak heropent en voor onbepaalde tijd schorst, zodat beide zaken gelijktijdig kunnen worden afgedaan.

8.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd, om de zaak gelijktijdig af te doen met de andere zaak van de opgeëiste persoon met parketnummer 13-153123-24 (EAB II).
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met 60 dagen (eindigend op 27 maart 2026), onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak (samen met de zaak met parketnummer 13-153123-24 (EAB II)) opnieuw wordt ingepland op een zitting in de periode van 11 maart tot en met 20 maart 2026.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen voornoemde datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman en een tolk in de Poolse taal.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Baroud en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 10 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
5.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (