ECLI:NL:RBAMS:2026:1412

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
89-000035-58
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:8 SvArt. 6:6:9 SvArt. 6:2:11 SvArt. 6:2:13a SvArt. 82 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gegrondverklaring bezwaar tegen herroeping voorwaardelijke invrijheidsstelling na buitenlandse veroordeling

De veroordeelde kreeg in 2022 een gevangenisstraf van 42 maanden opgelegd en werd in mei 2023 voorwaardelijk in vrijheid gesteld onder voorwaarden. Tijdens de proeftijd pleegde hij in België een ernstig strafbaar feit, waarvoor hij in november 2024 werd veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf. Dit leidde tot herroeping van zijn voorwaardelijke invrijheidsstelling door het Openbaar Ministerie in december 2025.

De veroordeelde maakte bezwaar tegen deze herroeping, stellende dat het OM onvoldoende rekening had gehouden met reclasseringsadviezen en zijn persoonlijke situatie, waaronder zijn motivatie en zorg voor zijn jonge zoon. De rechtbank onderzocht of het OM in redelijkheid tot de herroeping had kunnen besluiten en beoordeelde de belangenafweging.

Hoewel de rechtbank erkent dat de herroeping gerechtvaardigd is vanwege het gepleegde strafbare feit tijdens de proeftijd, oordeelt zij dat een volledige herroeping van 420 dagen niet proportioneel is. Gezien de positieve reclasseringsrapporten, de motivatie van de veroordeelde en zijn stabiele woonsituatie, acht de rechtbank een gedeeltelijke herroeping van 90 dagen passend. Hiermee krijgt de veroordeelde een nieuwe kans op begeleiding en re-integratie.

De rechtbank bepaalt dat de veroordeelde na 90 dagen weer voorwaardelijk in vrijheid kan worden gesteld, afhankelijk van de beslissing in de Belgische zaak. Het bezwaar wordt voor het overige ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling wordt gedeeltelijk gegrond verklaard en de herroeping beperkt tot 90 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 13-214273-20 en 23-001188-21
v.i.-nummer : 89-000035-58
raadkamernummer : 25-032825
datum : 10 februari 2026
Beslissing van de raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 6:6:8 van Pro het Wetboek van Strafvordering tegen de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van:
[de veroordeelde] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
woonplaats kiezend op het kantoor van zijn raadsman mr. A.S. Sewgobind,
[adres] ,
gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen: de veroordeelde.

1.Feiten en procesverloop

1.1.
Het gerechtshof Amsterdam heeft de veroordeelde bij arrest van 10 februari 2022 (parketnummer hof: 23-001188-21) een gevangenisstraf van 42 maanden opgelegd. [1]
1.2.
Het Openbaar Ministerie (Centrale Voorziening voorwaardelijke invrijheidstelling) heeft de veroordeelde in de zaak met parketnummer 23-001188-21 bij beslissing van 18 maart 2023, met v.i.-nummer 89-000035-58 voorwaardelijke invrijheidsstelling (hierna ook: v.i.) verleend.
1.3.
De v.i. geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. In het geval van de veroordeelde zijn aan de v.i. tevens bijzondere voorwaarden verbonden.
1.5.
De veroordeelde is vervolgens op 3 mei 2023 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De proeftijd zou in beginsel –420 dagen of 14 maanden later– op 26 juni 2024 eindigen.
1.6.
De veroordeelde is op 8 maart 2024 aangehouden op basis van een Europees aanhoudingsbevel uit België.
1.7.
De rechtbank Amsterdam heeft op 14 mei 2024 de overlevering van de veroordeelde aan de Onderzoeksrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen, België toegestaan. [2]
1.8.
De rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen heeft de veroordeelde bij (onherroepelijk) vonnis van 4 november 2024 wegens ‘opzettelijke vernieling van bouwwerken of vervoermiddelen met vermoeden menselijke aanwezigheid door het veroorzaken van een ontploffing bij nacht’ (het teweegbrengen van een ontploffing aan een woning) op 25 juli 2023 en ‘deelneming aan een criminele organisatie’ tot een gevangenisstraf van 4 jaar (1460 dagen) veroordeeld.
1.9.
Op 10 maart 2025 is een verzoek tot overdracht van het Belgisch vonnis aan de Nederlandse autoriteiten gedaan.
1.10.
Op 15 mei 2025 heeft [naam] , reclasseringswerker, in de Belgische strafzaak, op verzoek van de veroordeelde een rapport over hem opgesteld in verband met zijn aanvraag vervroegd vrij te komen (zie 5.4.9). De veroordeelde had de reclassering verzocht of zij kenbaar wilde maken welke nazorg en begeleiding er in Nederland zou plaatsvinden op het moment dat hij in vrijheid zou worden gesteld en wat de verwachting was op de leefgebieden.
1.11.
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 juli 2025 geoordeeld dat er geen redenen zijn om het Belgisch vonnis niet over te nemen.
1.12.
De veroordeelde is op 15 oktober 2025 naar het [detentieadres] overgebracht.
1.13.
De eerstvolgende mogelijke v.i.-datum in de “Belgische zaak” (parketnummer 15-263751-25) is 11 januari 2027. De duur van de v.i. is dan 487 dagen.
1.14.
De reclassering heeft in de Belgische zaak op 27 november 2025 een Detentie & Re-integratieplan opgesteld en positief geadviseerd ten aanzien van een detentie- en re-integratietraject met plaatsing in een Beperkt Beveiligde Afdeling (streefdatum 12 mei 2026) als de veroordeelde aan bepaalde voorwaarden voldoet (zie 5.4.10).
1.15.
Het Openbaar Ministerie heeft bij beslissing van 5 december 2025 in de zaak met parketnummer 23-001188-21 de v.i. van de veroordeelde in haar geheel, voor de duur van 420 dagen (14 maanden), herroepen (zie onder 2). De beslissing is dezelfde dag aan de veroordeelde betekend.
1.16.
Het bezwaarschrift tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie is op 18 december 2025 op de griffie van de rechtbank ontvangen (zie onder 3).
1.17.
Het Openbaar Ministerie heeft voorafgaand aan de behandeling van het bezwaarschrift in raadkamer schriftelijk zijn standpunt kenbaar gemaakt (zie onder 4.1 en 4.2.).
1.18.
De rechtbank heeft op 27 januari 2026 het bezwaar in openbare raadkamer behandeld. De rechtbank heeft de veroordeelde, zijn raadsman mr. A.S. Sewgobind, en de officier van justitie mr. C. Nij Bijvank gehoord. Zij heeft ook [naam] , reclasseringswerker, als deskundige gehoord.

2.Beslissing herroeping v.i.

Het Openbaar Ministerie heeft zijn beslissing van 5 december 2025 de v.i. van de veroordeelde in de zaak met parketnummer 23-001188-21 voor de duur van 420 dagen te herroepen en de verdere tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te bevelen voor zover relevant als volgt aan de veroordeelde uitgelegd:
‘(…)
Uit een van de Belgische autoriteiten ontvangen vonnis blijkt dat u op 4 november 2024 bent veroordeeld tot 4 jaar (1460 dagen) gevangenisstraf. Deze veroordeling is op 5 december 2024 onherroepelijk geworden. Het delict waarvoor u veroordeeld bent, is gepleegd op 25 juli 2023, dus voor het einde van uw v.i.-proeftijd. Die startte immers op 3 mei 2023 en zou eindigen op 26 juni 2024. Doordat u kort voor het einde van die proeftijd, op 14 mei 2024, bent aangehouden voor het door u in België gepleegde delict werd de proeftijd overigens opgeschort. Met voornoemde onherroepelijke veroordeling staat vast dat u de algemene voorwaarde, het niet plegen van een strafbaar feit voor het einde van de proeftijd, niet heeft nageleefd. Inmiddels is de tenuitvoerlegging van voornoemde straf overgedragen aan Nederland en geregistreerd onder parketnummer 15-263751-25, waardoor u uw detentie in Nederland ondergaat. Alles afwegende is het OM van oordeel dat het geven van een waarschuwing of het wijzigen van de voorwaarden in deze situatie niet voldoende is en ziet het aanleiding om uw v.i. geheel te herroepen. Het OM acht een gehele herroeping op zijn plaats, omdat u opnieuw onherroepelijk bent veroordeeld voor een ernstig (gewelds)misdrijf, dat ook nog soortgelijk is als het delict in de v.i. zaak. Naast de aard en ernst van het nieuwe strafbare feit, wordt ook meegewogen dat u dit nieuwe misdrijf relatief kort na uw voorwaardelijke invrijheidstelling al heeft gepleegd. U heeft daarmee aangetoond geen afstand te nemen van crimineel gedrag, uw voorwaarden niet serieus te nemen en niets te hebben geleerd van uw eerdere veroordeling.’

3.Bezwaar

3.1.
De veroordeelde maakt bezwaar tegen de beslissing van het Openbaar Ministerie om zijn v.i. in de zaak met parketnummer 23-001188-21 te herroepen. De veroordeelde stelt dat het Openbaar Ministerie niet in redelijkheid tot zijn beslissing tot herroeping van de v.i. heeft kunnen komen.
3.2.
Het bezwaarschrift houdt (kort samengevat) in dat het Openbaar Ministerie onvoldoende rekening gehouden heeft met de adviezen van de reclassering en de persoonlijke belangen van de veroordeelde.
3.3.
De raadsman van de veroordeelde heeft in raadkamer verzocht het bezwaarschrift gegrond te verklaren en de vordering tot herroeping van de v.i. af te wijzen (de rechtbank begrijpt: de beslissing tot herroeping van de v.i. ongedaan te maken) en subsidiair de periode van de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling tot een minimum te beperken.
3.4.
De raadsman heeft naast een aantal formele verweren die hierna (5.1. tot en met 5.3.) aan de orde komen (samengevat) het volgende aangevoerd. Het herroepen van de v.i. betreft een ‘kan’-bepaling waardoor er dus ruimte is voor een belangenafweging. Enerzijds is het van belang dat er consequenties verbonden worden aan het overtreden van de (algemene) voorwaarden, anderzijds is het van belang dat het risico op recidive verminderd wordt. Uit het reclasseringsrapport van 27 november 2025 blijkt dat het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Uit het rapport van [naam] blijkt dat het toezicht na vrijlating direct zal worden hervat. [naam] ziet kennelijk geen noodzaak tot herroeping van de v.i. Zeker gelet op het benoemen van de motivatie van de veroordeelde, het werken aan zijn doelen en het verder vorm geven van de begeleiding. Het puur sanctioneren van de overtreding van de algemene voorwaarde lijkt dan ook geen doel te hebben. Juist niet nu de detentieduur van de veroordeelde reeds met 487 dagen is verlengd door het overnemen van de straf uit België. Het verlengen van de proeftijd daarentegen heeft wel een doel. De veroordeelde kan op die manier alsnog bewijzen dat hij wel degelijk een delictvrij bestaan kan opbouwen waarbij hij onder toezicht en begeleiding van de reclassering staat. De v.i.-periode van de “Belgische straf” lijkt daarvoor op voorhand sowieso te kort te zijn. De veroordeelde heeft behoefte aan begeleiding van De Waag; hij wil zijn mentale gesteldheid op orde brengen waarbij hij veel te verwerken heeft van hetgeen hij in Belgische detentie heeft meegemaakt. Daarnaast heeft de veroordeelde een zoontje van 3 jaar oud. Medio november 2025 heeft zijn ex-partner aangegeven dat zij de zorg over hun kind niet meer aankan. Het zoontje van de veroordeelde verblijft nu bij de moeder van de veroordeelde, die de verzorging en opvoeding voor haar rekening neemt. Als de veroordeelde medio 2028 voorwaardelijk in vrijheid gesteld zal worden, betekent dit dat hij pas medio 2027 in aanmerking komt voor detentiefasering. Tot die tijd kan de veroordeelde praktisch niets betekenen voor de opvoeding en verzorging van zijn zoontje en dat zal leiden tot (zeer) grote schade bij zijn zoontje. Als de herroeping van de v.i. achterwege blijft, kan de veroordeelde over niet al te lange tijd starten met zijn detentiefasering waarbij hij kan werken aan zijn re-integratiedoelen.

4.Standpunt van het Openbaar Ministerie

4.1.
Het Openbaar Ministerie heeft zich voorafgaand aan de behandeling van het bezwaar op het standpunt gesteld dat het bezwaar van de veroordeelde ongegrond is en dat als volgt onderbouwd.
4.2.
De rechtbank dient op grond van artikel 6:6:9, eerste lid, Sv te onderzoeken of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot de bestreden beslissing heeft kunnen komen. Het betreft derhalve een marginale ex tunc-toetsing. Ten aanzien van de stelling dat de veroordeelde wél bijzonder geschikt zou zijn voor een terugkeer in de maatschappij, en de aangehaalde punten ter onderbouwing daarvan, geldt dat dit de strekking van de beslissing tot herroeping miskent. Tot herroeping is immers beslist omdat sprake is van overtreding van de algemene voorwaarde. Het beoordelingskader hierbij is de vraag of sprake is van ernstige redenen om aan te nemen dat de veroordeelde de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Niet of sprake is van een bijzondere geschiktheid voor terugkeer in de samenleving. Die vraag is onderdeel van het beoordelingskader bij de mogelijkheid op een nieuwe v.i. De veroordeelde kan op basis van zijn aan Nederland overgedragen gevangenisstraf (15-263751-25) weer voor v.i. in aanmerking komen. Daar is nog niets over besloten, waardoor de veroordeelde de kans kan grijpen om voornoemde bijzondere geschiktheid aan te tonen. De stelling dat als de aan veroordeelde in België opgelegde gevangenisstraf in België ten uitvoer gelegd was, er geen sprake geweest was van een herroeping van de v.i. is onjuist en doet bovendien niet ter zake. Voorts is het hypothetische geval, dat de veroordeelde eerder door de SURB (strafuitvoeringsrechtbank) in België in vrijheid zou worden gesteld dan in Nederland het geval zou zijn, niet relevant voor de beoordeling of sprake is van overtreding van de algemene voorwaarde. Dat de veroordeelde enige tijd in de v.i.-proeftijd onder toezicht van de reclassering heeft gestaan in onderhavige zaak, na het plegen van het nieuwe strafbare feit tijdens deze proeftijd, betekent geenszins dat er een ‘korting’ zou moeten volgen op de herroeping. Daarbij wordt opgemerkt dat het nieuwe misdrijf juist relatief kort na de v.i. is gepleegd. Dat veroordeelde er daarna enige tijd mee is weggekomen, dient niet beloond te worden. Dat de reclassering een herroeping in dit kader niet noodzakelijk acht, blijkt niet uit de stukken. Een dergelijk oordeel over de herroeping wegens overtreding van de algemene voorwaarden is ook niet aan de reclassering. Dat de reclassering verwacht dat de veroordeelde zich aan afspraken kan houden bij een eventueel nieuw toezicht, is hoopgevend voor een eventueel nieuw v.i.-traject, volgend uit de nieuwe voornoemde Belgische veroordeling. Hopelijk lukt het veroordeelde ook om dan niet wederom een nieuw strafbaar feit te plegen.
4.3.
De officier van justitie heeft zich in raadkamer op het standpunt gesteld dat in redelijkheid had kunnen volstaan met een herroeping van de v.i. van 90 dagen (3 maanden). De veroordeelde heeft relatief kort na zijn invrijheidsstelling opnieuw een strafbaar feit gepleegd. De veroordeelde, die begrijpt dat om deze reden de v.i. is herroepen, heeft tijdens de behandeling van het bezwaarschrift duidelijk gemaakt zich bewust te zijn van de fouten die hij heeft gemaakt en dat hij verantwoordelijkheid neemt en toont. Hierbij weegt mee dat de verdachte vanwege wachtlijsten bij De Waag niet tijdig is behandeld terwijl een behandeling bij De Waag een verschil had kunnen maken.

5.Beoordeling

5.1.
Belgisch vonnis
5.1.1.
De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank in de eerste plaats dient te beoordelen of er voldaan is aan het bepaalde in artikel 6:2:13a Sv, dat de v.i. kan worden herroepen als er ernstige redenen bestaan voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd, op basis van het in artikel 82 van Pro het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unievervatte beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, waardoor een in de lidstaat van de Europese Unie gewezen vonnis dient te worden erkend in Nederland, aangezien de ervaring leert dat een herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in een Nederlandse strafzaak niet of nauwelijks plaatsvindt op basis van een buitenlandse veroordeling.
5.1.2.
Voor zover de raadsman heeft bedoeld te betogen dat het Openbaar Ministerie niet had mogen beslissen tot herroeping van de v.i. omdat een Belgisch vonnis in een strafzaak waaruit blijkt dat de veroordeelde in België een strafbaar feit heeft begaan niet gelijkgesteld kan worden met het bestaan van ernstige redenen voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit (artikel 6:2:11 Sv Pro) niet heeft nageleefd, overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 82, eerste lid, eerste alinea, van het
Verdrag betreffende de werking van de Europese Uniebepaalt dat de strafrechtelijke samenwerking uitgaat van het beginsel van wederzijdse erkenning. Op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning moeten EU-lidstaten zonder verdere formaliteiten de rechterlijke beslissingen en uitspraken van andere EU-lidstaten erkennen. [3] |Aan het bepaalde in artikel 6:2:13a Sv is dus voldaan.
5.2.
Onverwijld?
5.2.1.
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het Openbaar Ministerie de beslissing tot herroeping niet onverwijld heeft genomen en dat dit zou moeten leiden tot een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De rechtbank begrijpt dat de raadsman bedoelt dat het bezwaar om die reden gegrond zou moeten worden verklaard.
5.2.2.
De rechtbank gaat voorbij aan het verweer dat de beslissing tot herroeping niet onverwijld is genomen omdat het Openbaar Ministerie niet (langer) verplicht is de beslissing onverwijld te nemen. Het Openbaar Ministerie kan ook wachten tot de rechter in de strafzaak betreffende het nieuwe strafbare feit vonnis heeft gewezen. De rechtbank merkt op dat ook onder het oude recht (artikel 15i Sr) het niet ‘onverwijld’ indienen van de vordering tot herroeping van de v.i. niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in die vordering leidde aangezien de wet geen rechtsgevolg aan de niet-naleving van artikel 15i, tweede lid Sr verbond, terwijl niet-ontvankelijkverklaring niet uit de aard van het desbetreffende voorschrift voortvloeide. [4]
Beroepsmogelijkheid ontnomen?
5.3.1.
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat, doordat de veroordeelde in België is berecht, er geen gelijktijdige behandeling van zijn strafzaak en de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft kunnen plaatsvinden en dat dit betekent dat de veroordeelde een volledige beroepsmogelijkheid is ontnomen die hij in het geval van een gelijktijdige berechting van de nieuwe strafzaak en de vordering tot herroeping van de v.i. wel had gehad.
5.3.2.
De rechtbank overweegt dat onder de vorige v.i.-regeling, die tot 1 juli 2021 van kracht was, op vordering van de officier van justitie, een beslissing over de herroeping van de v.i. vanwege het niet naleven van de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een nieuw strafbaar feit, kon worden genomen bij de behandeling van de strafzaak voor dat nieuwe strafbare feit. In het geval de rechter het nieuwe strafbare feit bewezen verklaarde, kon tegelijkertijd –indien dat was gevorderd– de v.i. worden herroepen vanwege het niet naleven van de algemene voorwaarde. In de huidige regeling is niet (langer) vereist dat de rechter heeft vastgesteld dat de veroordeelde een (nieuw) strafbaar feit heeft gepleegd. Het Openbaar Ministerie kan beslissen tot herroeping van de v.i. als er een ernstige verdenking bestaat van het begaan van een (nieuw) strafbaar feit. De mate van verdenking die voldoende is om iemand als verdachte aan te merken is in dit verband niet genoeg; het moet gaan om een ernstige verdenking, vergelijkbaar met de ernstige bezwaren die de toepassing van voorlopige hechtenis rechtvaardigen. De nieuwe strafzaak is in België behandeld en het vonnis in die zaak is onherroepelijk geworden. De veroordeelde maakt nu bezwaar tegen de herroeping van de v.i. Hem is dus geen beroepsmogelijkheid ontnomen; hij had immers in de strafzaak in hoger beroep kunnen gaan bij het hof van beroep en krijgt nu de gelegenheid om bezwaar te maken tegen de beslissing tot herroeping van de v.i.
5.4.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.1.
Het Openbaar Ministerie kan op basis van artikel 6:2:13a, onderdeel a, Sv beslissen tot herroeping van de v.i. als er ernstige redenen zijn voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit niet heeft nageleefd. Bij deze afweging spelen beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit een rol.
5.4.2.
De rechtbank onderzoekt bij bezwaar tegen een beslissing inzake de (herroeping van de) v.i. op grond van artikel 6:6:9 Sv Pro of het Openbaar Ministerie bij afweging van de betrokken belangen die op dat moment aan de orde waren in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. Het is dus niet aan de rechtbank om tot een geheel nieuwe afweging van de betrokken belangen te komen, maar beoordeeld dient te worden of het Openbaar Ministerie in zijn afweging van de betrokken belangen tot een redelijke beslissing is gekomen, een zogeheten marginale toets. [5]
5.4.3.
Het Openbaar Ministerie heeft zijn beslissing tot herroeping van de v.i. gebaseerd op het veroordelend vonnis van de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen van 4 november 2024. Uit dit vonnis blijkt dat de veroordeelde op 25 juli 223 betrokken was bij het teweegbrengen van een ontploffing bij de voordeur van een woning. Deze veroordeling vormt op zichzelf een gegronde reden de v.i. te herroepen. Er zijn immers meer dan ernstige redenen voor het vermoeden dat de veroordeelde de algemene voorwaarde dat hij voor het einde van de proeftijd geen strafbaar feiten pleegt, niet heeft nageleefd.
5.4.4.
De vraag is of het Openbaar Ministerie in redelijkheid heeft kunnen komen tot de beslissig de v.i. geheel (420 dagen) dan wel gedeeltelijk (90 dagen) te herroepen zoals de officier van justitie in raadkamer heeft gezegd.
5.4.5.
Wat de herroeping van de v.i. precies voor veroordeelde zou betekenen is afhankelijk van de vraag of er in de “Belgische zaak” wel of geen v.i. wordt verleend.
5.4.6.
Herroeping van de v.i. met 420 dagen zou betekenen dat de veroordeelde op z’n vroegst op 6 maart 2028 (14 maanden na 11 januari 2027) in vrijheid wordt gesteld en als er in de Belgische zaak geen v.i. wordt verleend dan zal dat op 6 juli 2029 zijn
5.4.7.
Herroeping van de v.i. met 90 dagen, zoals de officier van justitie in raadkamer heeft voorgesteld, zou betekenen dat de veroordeelde op z’n vroegst op 11 april 2027 in vrijheid wordt gesteld en dan nog een proeftijd van 330 dagen heeft. Als er in de Belgische zaak geen v.i. wordt verleend dan zal de daadwerkelijke invrijheidstelling op 10 augustus 2028 plaatsvinden.
5.4.8.
Het Openbaar Ministerie achtte aanvankelijk een gehele herroeping op zijn plaats, omdat de veroordeelde opnieuw onherroepelijk is veroordeeld voor een ernstig (gewelds)misdrijf, dat ook nog soortgelijk is als het delict in de v.i.-zaak. Naast de aard en ernst van het nieuwe strafbare feit, heeft het Openbaar Ministerie ook meegewogen dat de veroordeelde dit nieuwe misdrijf relatief kort na zijn voorwaardelijke invrijheidstelling heeft gepleegd.
5.4.9.
Op het moment van beslissen hadden de rapporten van de reclassering van 15 mei 2025 en 27 november 2025 over de veroordeelde, die zijn opgemaakt in het kader van de overgedragen Belgische zaak met parketnummer 15/263751-25, bij het Openbaar Ministerie bekend kunnen zijn. Uit de beslissing tot herroeping v.i. van 5 december 2025 blijkt niet dat de inhoud van die rapporten bij de afweging van alle betrokken belangen is betrokken.
5.4.10.
Uit het rapport van 15 mei 2025 blijkt dat de veroordeelde bij terugkomst in Nederland zou terugkeren naar de woning van zijn moeder waar hij ook voor zijn aanhouding woonde. De verwachting was dat er na zijn detentie ook sprake zou zijn van een stabiele werksituatie en een vast inkomen zoals die er voorafgaand aan zijn aanhouding ook was. Als er zich onverhoopt toch veranderingen mochten voordoen, dan zou er vanuit de reclassering sprake zijn van begeleiding en controle op dit leefgebied. De reclassering zou ook met de veroordeelde werken aan het (opnieuw) maken van betalingsafspraken met schuldeisers en indien nodig het inzetten van schuldhulpverlening. Verder was de verwachting, gebaseerd op eerdere ervaringen van de reclassering binnen het toezicht en gesprekken met de veroordeelde, dat hij de draad waar hij gebleven zou oppakken en dat hij zich wederom zou inzetten om zijn leven, samen met zijn gezin, positief vorm te geven.
5.4.11.
In het rapport (Detentie & Re-integratieplan) van 27 november 2025 concludeert de reclassering onder meer dat de veroordeelde zijn leven in praktisch opzicht op orde heeft. Hij werkte voorafgaand aan zijn aanhouding bij een rioolreinigingsbedrijf waar ze dermate tevreden over hem waren dat ze hem een terugkeergarantie hebben gegeven. Er is geen sprake van ernstige financiële, psychische of verslavingsproblematiek. Er lijkt sprake van een steunend familiair netwerk, hetgeen beschermend kan werken als de veroordeelde hen betrekt in zijn beslissingen. De voornaamste beschermende factor vormt (de zorg voor) zijn momenteel driejarige zoon. De enige risicoverhogende factor die nog wordt gezien, is het sociaal netwerk waar de veroordeelde langere tijd onderdeel van heeft uitgemaakt. Ondanks dat hij zelf zegt afstand te hebben genomen, moet in de praktijk blijken in hoeverre hij hiertoe is staat blijkt te zijn. De reclassering ondersteunt de wens van de veroordeelde om na zijn detentie weer te worden aangemeld bij De Waag zodat hij zijn behandeltraject kan afronden. De veroordeelde heeft zich tijdens de gesprekken in het kader van de meldplicht bij de reclassering meewerkend en controleerbaar opgesteld. Hij was bereid in gesprek te gaan over de onderwerpen die de reclassering inbracht en daarnaast maakte hij ook uit zichzelf bespreekbaar waar hij tegenaan liep in het leven. De reclassering heeft de indruk dat de veroordeelde intrinsiek gemotiveerd is een delictvrij bestaan op te bouwen door de houding van de veroordeelde in de gesprekken met de reclassering en de pro-sociale keuzes die hij in het dagelijks leven maakt. Met name zijn enthousiasme over zijn werkgever, speelt een belangrijke rol in het voorkomen van nieuwe recidive.
5.4.12.
De deskundige van de reclassering heeft in raadkamer verklaard dat de veroordeelde inziet dat hij verkeerd heeft gehandeld, bereid is de consequenties te dragen en destijds ontvankelijk was voor een behandeling bij De Waag, maar dat die behandeling laat is gestart vanwege de grote wachtlijst bij De Waag. Doel van de behandeling was om te kijken naar gedragspatronen van de veroordeelde en wat hij doet in tijden van chaos en waarom hij in het verleden de verkeerde keuzes heeft gemaakt.
5.4.13.
De rechtbank herkent het beeld van de veroordeelde ter zitting als het beeld zoals dat uit beide rapporten naar voren komt en door de deskundige in raadkamer is geschetst. De veroordeelde komt intrinsiek gemotiveerd over een delictvrij bestaan op te bouwen, wil aan zichzelf werken en wil leren pro-sociale keuzes te maken. De rechtbank ziet ook dat de veroordeelde begrijpt dat hij nog moet boeten voor de verkeerde keuzes die hij in het verleden heeft gemaakt. Er is voor de veroordeelde na zijn detentie sprake van een stabiele woonsituatie en er is zicht op een stabiele werksituatie en een vast inkomen.
5.4.14.
Een veroordeelde keert aan het eind van zijn of haar vrijheidsstraf in beginsel terug in de maatschappij. Een succesvolle re-integratie van een veroordeelde kan bijdragen aan het voorkomen van recidive en daarmee aan het veiliger maken van de samenleving. Het is daarom van maatschappelijk belang te investeren in de re-integratie van veroordeelden. Om de re-integratie succesvol te laten verlopen is het van belang dat de vijf basisvoorwaarden daarvoor (het hebben van onderdak, inkomen, identiteitsbewijs, zorg(verzekering) en inzicht in eventuele schulden) bij het einde van de detentie zo veel mogelijk op orde zijn. Het verblijf in de penitentiaire inrichting is daarom zo ingericht dat gedetineerden vanaf het begin van de detentie werken aan een delictvrije toekomst buiten de gevangenismuren. De voorwaardelijke invrijheidsstelling, zeker als daaraan bijzondere voorwaarden zijn verbonden zoals reclasseringstoezicht en ambulante behandeling, kan een veroordeelde helpen bij het realiseren van de vijf basisvoorwaarden en het opbouwen van een delictvrij bestaan.
5.4.15.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie weliswaar in redelijkheid heeft kunnen komen de v.i. te herroepen, maar bij afweging van de betrokken belangen die op dat moment aan de orde waren en bekend hadden kunnen zijn in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn beslissing de v.i. in haar geheel te herroepen, omdat een volledige herroeping onvoldoende recht doet aan de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde zoals die naar voren komen uit de informatie van de reclassering over de veroordeelde. De rechtbank laat hierbij meewegen dat de veroordeelde openstond (en staat) voor behandeling bij De Waag waar hij zou leren om pro-sociale keuzes te maken, maar dat door de lange wachtlijst die behandeling niet kon starten. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het bezwaarschrift gedeeltelijk gegrond te verklaren en te bepalen dat de veroordeelde wederom voorwaardelijk in vrijheid zal worden gesteld na 90 dagen, nadat hij zijn straf in de Belgische zaak heeft ondergaan.
5.4.16.
De rechtbank overweegt hierbij dat een gedeeltelijke herroeping ook de mogelijkheid biedt om de veroordeelde bij het restant van de v.i. met voorwaarden en begeleiding een nieuwe kans te geven om orde op zaken te stellen voorafgaand aan zijn terugkeer in de maatschappij. Er is vooralsnog sprake van een stabiele woonsituatie en zicht op werk. Het is van groot belang dat op die leefgebieden stabiliteit komt. De veroordeelde staat open voor verdere behandeling en begeleiding vanuit de reclassering en de reclassering ziet het ook in de veroordeelde zitten.
5.5.
Conclusie
De rechtbank oordeelt dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid heeft kunnen beslissen de v.i. te herroepen omdat de veroordeelde in 2023, kort na zijn v.i. zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Zij is echter ook van oordeel dat bij afweging van al de betrokken belangen die op dat moment aan de orde waren en bekend hadden kunnen zijn in redelijkheid had kunnen en volstaan met een gedeeltelijke herroeping van 90 dagen.

6.Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het bezwaar (gedeeltelijk) gegrond voor zover de v.i. voor meer dan 90 dagen wordt herroepen en bepaalt het tijdstip waarop de veroordeelde in de zaak met v.i.-nummer 89-000035-58 voorwaardelijk in vrijheid wordt gesteld op
  • verklaart het bezwaarschrift voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de raadkamer,
mr. M.A.E. Somsen, voorzitter,
mr. I. Timmermans en mr. C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.

Voetnoten

3.Vgl. Rechtbank Rotterdam 13 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6377.
4.Hoge Raad 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2647.