ECLI:NL:RBAMS:2026:1416

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
96-296063-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 164 Wegenverkeerswet 1994Art. 62 Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggave rijbewijs na overschrijding snelheid en vertraagde invordering

De klager werd op 2 november 2025 betrapt op een snelheidsovertreding van meer dan 50 km/u boven de limiet en werd door de politie gevorderd zijn rijbewijs af te geven. Omdat hij het rijbewijs niet bij zich had, kon hij dit niet direct overhandigen. Op 7 november 2025 leverde hij het rijbewijs alsnog in bij de politie, wat door het Openbaar Ministerie niet werd betwist.

De officier van justitie besloot op 30 december 2025 het rijbewijs voor drie maanden in te houden, maar deed dit niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van tien dagen na invordering. De klager diende daarop een beklag in bij de rechtbank, stellende dat hij door de vertraging ernstig werd benadeeld, mede omdat hij als zzp-pakketbezorger afhankelijk is van zijn rijbewijs voor zijn inkomen.

Het Openbaar Ministerie verzette zich aanvankelijk tegen teruggave vanwege de ernst van de overtreding en het feit dat de klager onder invloed was van alcohol en drugs. Tijdens de zitting trok de officier van justitie dit verzet echter in, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de klager.

De rechtbank oordeelde dat de invordering pas op 7 november 2025 had plaatsgevonden en dat de officier van justitie de beslissing tot inhouding niet binnen tien dagen na die datum had genomen. Daarom moest het rijbewijs volgens de Wegenverkeerswet 1994 worden teruggegeven. De rechtbank wees erop dat dit niet uitsluit dat in de strafzaak een langere ontzegging kan worden opgelegd.

De rechtbank verklaarde het beklag gegrond en beval onmiddellijke teruggave van het rijbewijs aan de klager.

Uitkomst: De rechtbank beveelt onmiddellijke teruggave van het rijbewijs vanwege niet-tijdige inhoudingsbeslissing.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Strafrecht
parketnummer : 96-296063-25
raadkamernummer : 26-000600
datum : 27 januari 2026
Beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het beklag op grond van artikel 164, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 van:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 2003 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven op het adres [adres 1] ,
woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman mr. P. Koops,
[adres 2] ,
hierna te noemen: de klager.

1.Feiten en procesverloop

1.1.
Tegen de klager is proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 62 van Pro het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, gepleegd op 2 november 2025 in Amsterdam.
1.2.
Het proces-verbaal houdt onder meer in dat de klager de maximumsnelheid –na wettelijke correctie– met meer dan vijftig kilometer per uur heeft overschreden.
1.3.
Op 2 november 2025 heeft de politie op grond van die verdenking de overgifte van het rijbewijs van de klager gevorderd.
1.4.
De klager heeft niet aan de vordering voldaan omdat hij zijn rijbewijs niet bij zich had.
1.5.
De klager stelt dat hij op 7 november 2025 zijn rijbewijs bij de politie heeft ingeleverd.
1.6.
Op 30 december 2025 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs tot uiterlijk 30 maart 2026 wordt ingehouden.
1.7.
Op 8 januari 2026 is het klaagschrift op de griffie van de rechtbank ontvangen.
1.8.
Op 9 januari 2026 heeft het Openbaar Ministerie schriftelijk laten weten zich te verzetten tegen teruggave van het rijbewijs (zie 3.1).
1.9.
De rechtbank heeft op 27 januari 2026 het beklag in openbare raadkamer behandeld.
1.10.
De rechtbank heeft de raadsman van de klager en de officier van justitie mr. C. Nij Bijvank in raadkamer gehoord. De klager, hoewel goed opgeroepen, is niet in raadkamer verschenen.

2.Beklag

2.1.
Het beklag strekt tot teruggave van het rijbewijs van de klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.
2.2.
Het klaagschrift houdt (samengevat) het volgende in. Op 2 november 2025 is de overgifte van het rijbewijs gevorderd. De klager had het rijbewijs niet bij zich, maar heeft alsnog op 7 november 2025 aan de vordering voldaan toen de klager in het centrum van [plaats] uitging en door een groep van vijf agenten werd aangesproken en met een van hen over zijn identificatie sprak. De klager kreeg te horen: ‘Wij krijgen nog iets van jou’ en heeft toen zijn rijbewijs gegeven. De ontvangst van het rijbewijs is door het CVOM bevestigd per 30 december 2025, waarna de beslissing inhouding voor de duur van drie maanden is genomen, te rekenen vanaf 30 december 2025. De klager wordt door deze inhouding in ernstige mate benadeeld. Hij verzoekt dan ook om zijn persoonlijk belang bij behoud van het rijbewijs zwaarder te laten wegen dan het belang van de verkeersveiligheid en aldus te bepalen dat het rijbewijs aan hem wordt teruggeven. De klager wordt door de vertraging in de interne post van politie/justitie c.q de ontvangst per 30 december 2025 van zijn rijbewijs verder benadeeld, dan volgens de geldende richtlijn normaliter het geval zou zijn. De klager mag immers sinds 2 november 2025 al niet meer deelnemen aan het verkeer en zou normaliter aldus per 2 februari 2026 – na ommekomst van drie maanden – weer in het bezit van zijn rijbewijs worden gesteld. Echter, als gevolg van de vertraagde ontvangst van het rijbewijs – waarvan klager geen verwijt kan worden gemaakt – zal hij zijn rijbewijs blijkens de kennisgeving invordering pas op 30 maart 2026 terugkrijgen. De klager verzoekt om dit procesverloop bij de afweging van belangen in voor hem voordelige zin mee te wegen. De klager heeft zijn rijbewijs nodig voor zijn werk. Hij is als zzp’er werkzaam als pakketbezorger. Zijn onderneming is ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Het spreekt voor zich dat de klager zijn werkzaamheden zonder rijbewijs niet kan uitvoeren. De klager is nu per direct verstoken van inkomsten en het beetje spaargeld dat hij had is inmiddels op. Hij komt nu dan ook acuut in de financiële problemen. De klager realiseert zich dat hij door eigen toedoen in de onderhavige situatie zit. Hij heeft –vooral richting het einde van het jaar– veel te veel hooi op de vork gehad. De verloren tijd heeft hij willen inhalen in het verkeer. Dit is voor klager in de toekomst beslist uitgesloten. Niet alleen heeft dit de tijdsdruk alleen maar verergerd, hij had bovendien andere verkeersdeelnemers in gevaar kunnen brengen. De afgelopen periode heeft de klager aan het denken gezet. Hij gaat afspraken ruimer plannen en zich simpelweg aan de regels houden (door daartoe ook meer gebruik te maken van cruise control). Kortom, het is voor klager letterlijk erop of eronder. Hij vraagt en hoopt dan ook op een kans om te laten zien dat hij voortaan de verkeersregels nauwgezet zal naleven. Hij heeft bijzonder veel spijt van zijn actie en zal beslist niet in herhaling vallen. De klager moet vanwege het feit dat hij 61 km/h te hard heeft gereden de zogeheten Educatieve Maatregel Gedrag en Verkeer (EMG) volgen

3.Standpunt van het Openbaar Ministerie

3.1.
Het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie houdt het volgende in. Op 30 december 2025 is het rijbewijs van klager ingevorderd voor een termijn van drie maanden vanwege een snelheidsovertreding op 2 november 2025. De klager zou na correctie 131 kilometer per uur hebben gereden, waar 70 kilometer per uur was toegestaan. Het belang van klager is aannemelijk. Hij heeft evenwel fors te hard gereden en was hij ook nog eens onder invloed (0,37 milligram alcohol en 190 microgram MDMA); een levensgevaarlijke combinatie. De richtlijn voor het rijden onder invloed van drugs en alcohol is negen maanden rijontzegging. De klager wordt dus niet onevenredig benadeeld doordat het rijbewijs twee maanden gevorderd is geweest. Het belang van de verkeersveiligheid weegt zwaarder dan het belang van de klager. Het Openbaar Ministerie verzet zich tegen teruggave.
3.2.
De officier van justitie heeft in raadkamer meegedeeld zich gelet op de persoonlijke omstandigheden van de klager zoals nader door de raadsman toegelicht niet langer tegen de teruggave van het rijbewijs te verzetten.

4.Beoordeling

4.1.
De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en beveelt dat het rijbewijs onmiddellijk aan de klager moet worden teruggegeven. Zij overweegt daartoe het volgende
4.2.
Uit de stukken blijkt dat de politie op 2 november 2025 de overgifte van het rijbewijs van de klager heeft gevorderd.
4.3.
De klager stelt op 7 november 2025 zijn rijbewijs bij de politie te hebben ingeleverd hetgeen de officier van justitie niet heeft weersproken.
4.4.
Van ‘invordering’ als bedoeld in artikel 164, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994 is sprake wanneer het rijbewijs naar aanleiding van een vordering tot overgifte conform artikel 164, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 door de in die bepaling genoemde personen (onder anderen ambtenaren van politie) of het Openbaar Ministerie daadwerkelijk is ontvangen. [1]
4.5.
De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de mededeling dat de klager zijn rijbewijs op 7 november 2025 bij de politie heeft ingeleverd. De officier van justitie heeft op 30 december 2025 beslist het rijbewijs in te houden en aldus niet binnen tien dagen na de dag van de invordering. Het rijbewijs moet daarom volgens het bepaalde in artikel 164, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, aan de klager worden teruggegeven.
4.6.
De rechtbank merkt op dat dit overigens onverlet laat dat de officier van justitie, dan wel de rechter te zijner tijd in de strafzaak aan de klager een ontzegging van de rijbevoegdheid kan opleggen voor een langere duur dan de periode die het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

5.Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beklag gegrond en
  • beveelt de teruggave van het rijbewijs met het nummer [nummer] aan de klager.
Deze beslissing is gegeven door
mr. M.A.E. Somsen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1792,