ECLI:NL:RBAMS:2026:160

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
13-046304-25 (zaak A) en 13-212915-25 (zaak B)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een 22-jarige man voor afpersing, het voorhanden hebben van een vuurwerkbom en MDMA

Op 2 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een 22-jarige man, die werd beschuldigd van het medeplegen van afpersing, het voorhanden hebben van een vuurwerkbom en het bezit van MDMA. De zaak betreft twee afzonderlijke incidenten: zaak A, waarin de verdachte op 3 augustus 2024 samen met anderen een man onder bedreiging van geweld dwong om zijn autosleutels en telefoon af te geven, en zaak B, waarin de verdachte op 10 juli 2025 werd aangehouden met een vuurwerkbom in een huurauto en een hoeveelheid MDMA. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank oordeelde dat er voldoende bewijs was voor de afpersing, onder andere door getuigenverklaringen en DNA-bewijs. De verdachte werd echter vrijgesproken van de diefstal met geweld, omdat de autosleutels onder dwang waren afgegeven en er geen sprake was van een wegnemingshandeling. In zaak B werd de verdachte schuldig bevonden aan het voorhanden hebben van een vuurwerkbom en het bezit van MDMA, waarbij de rechtbank oordeelde dat de verdachte wetenschap had van de vuurwerkbom in de huurauto. De rechtbank hield rekening met de jeugdige leeftijd van de verdachte en de impact van zijn daden op de slachtoffers, en legde een deels voorwaardelijke straf op, gekoppeld aan bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en behandeling.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13-046304-25 (zaak A) en 13-212915-25 (zaak B)
Datum uitspraak: 2 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 2003,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
gedetineerd in: [detentieplaats] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 december 2025 en 2 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. de Krijger, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K.A. Kieft, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is - zakelijk weergegeven - ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig
gemaakt aan:
ten aanzien van zaak A:
feit 1: het medeplegen van afpersing op 3 augustus 2024 door [aangever] met geweld en/of bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van zijn autosleutels, zijn auto en zijn telefoon;
feit 2: het medeplegen van diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld van autosleutels, een auto en een telefoon toebehorende aan [aangever] op 3 augustus 2024;
ten aanzien van zaak B:
feit 1: het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwerkbom/cobra ter voorbereiding van het teweegbrengen van een ontploffing op 10 juli 2025;
feit 2: het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwerkbom/cobra op 10 juli 2025;
feit 3: het aanwezig hebben van een hoeveelheid van 25,84 gram MDMA op 10 juli 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage 1die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Ten aanzien van zaak A:
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat het onder feit 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daarbij verzoekt de officier van justitie om verdachte partieel vrij te spreken van het tonen en het richten van het vuurwapen op de aangever [aangever] , nu deze geweldshandeling volgens de officier van justitie niet kan worden bewezen. Voor het onder feit 2 ten laste gelegde is het standpunt van de officier van justitie dat verdachte voor dit feit moet worden vrijgesproken.
Ten aanzien van zaak B:
De officier van justitie heeft het standpunt ingenomen dat alle feiten op de dagvaarding wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.
3.2.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van zaak A:
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte zowel van het onder feit 1 ten laste gelegde als van het onder feit 2 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
De raadsvrouw trekt de betrouwbaarheid van de aangifte in twijfel. Aangever verklaart geen idee te hebben waarom zijn auto is gestolen en de betrokken mannen niet te kennen, terwijl de verklaring van getuige [getuige] en de camerabeelden doen vermoeden dat de mannen gericht op zoek waren naar een persoon met een grijze Volkswagen Polo. Verder merkt de raadsvrouw op dat het opmerkelijk is dat niemand in de directe omgeving iets heeft waargenomen, ondanks het feit dat de gewelddadige beroving op klaarlichte dag en onder bedreiging met een vuurwapen heeft plaatsgevonden. Daarnaast ontbreekt steun voor het verhaal dat aangever daar was om een vriend op te halen en werd de vermeende gestolen auto in de nabijheid van het incident aangetroffen, hetgeen de raadsvrouw als onlogisch beschouwt.
Ten aanzien van het aangetroffen DNA-spoor voert de raadsvrouw aan dat de plek waar aangever verklaart te zijn vastgepakt en de plaats van het aantreffen van het DNA-spoor niet overeenkomen. Het is onvoldoende duidelijk waar aangever precies is vastgepakt en waar op het T-shirt het monster is genomen. Volgens de raadsvrouw is het daarmee onzeker of het DNA-spoor daadwerkelijk een daderspoor betreft.
Ten aanzien van zaak B:
De raadsvrouw stelt dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten het voorhanden hebben van een vuurwerkbom, wegens het ontbreken van de wetenschap van de vuurwerkbom. De vuurwerkbom lag in een door iemand anders gehuurde auto van [bedrijf] die verdachte pas kort gebruikte en die door meerdere personen wordt gebruikt. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte vanuit de positie waarin hij zat, te weten op de bestuurdersstoel kijkend naar de weg, zicht had op de cobra’s.
Subsidiair voert de raadsvrouw aan dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde, te weten het voorbereiden van een ontploffing, wegens het ontbreken van een intentie om de vuurwerkbom tot ontploffing te brengen. Het enkele feit dat hij de cobra’s voorhanden zou hebben gehad is daartoe onvoldoende.
Meer subsidiair stelt de raadsvrouw dat geen sprake is van medeplegen ten aanzien van het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde, omdat het dossier onvoldoende bewijs bevat van een bewuste en nauwe samenwerking.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van zaak A:
Ten aanzien van feit 1
Aangever [aangever] heeft verklaard dat hij op 3 augustus 2024 op de Toutenburgstraat te Amsterdam werd aangesproken door een voor hem onbekende man (persoon 1), die hem sommeerde zijn autosleutels af te geven, waarbij de man een vuurwapen trok en deze richtte op de buik van aangever. Kort daarop voegden zich twee andere mannen (persoon 2 en persoon 3) bij persoon 1. Aangever heeft verklaard dat persoon 1 en persoon 2 hem bij zijn bovenarmen vastpakten en meerdere malen duwden. Persoon 1 sommeerde hem wederom zijn autosleutels af te geven en dreigde hem neer te schieten indien hij daaraan geen gehoor zou geven. Aangever heeft vervolgens de autosleutels aan persoon 1 overhandigd, waarna hij opnieuw door persoon 1 en persoon 2 werd geduwd. Daarna liepen alle drie de mannen richting de auto van aangever, een grijze Volkswagen Polo. Toen aangever zijn telefoon pakte, liep persoon 1 terug naar hem, terwijl persoon 2 en persoon 3 voorin de auto gingen zitten. Persoon 1 eiste toen ook de telefoon van aangever en dreigde hem wederom neer te schieten indien hij daaraan geen gehoor zou geven. Aangever heeft hierop zijn telefoon afgegeven. Persoon 1 stapte daarna achterin de auto, waarna de drie mannen met de auto wegreden.
De verklaring van aangever wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige] . De getuige heeft verklaard dat hij kort vóór het incident op de Toutenburgstraat drie jongens hoorde praten over een ‘grijze Polo’. Even later werd de getuige aangesproken door een man die zichtbaar gestrest was en vroeg of hij met zijn telefoon mocht bellen. Deze man gaf aan dat hij zojuist was overvallen en dat zowel zijn auto als zijn telefoon waren weggenomen door drie getinte jongens. De getuige realiseerde zich daarop dat dit dezelfde jongens waren als degenen die hij eerder had gezien. Het signalement dat aangever aan de getuige heeft doorgegeven van de mannen, komt dus overeen met de waarnemingen van de getuige zelf.
Op de beelden van een Ring-deurbel van een woning in de omgeving is te zien dat de getuige [getuige] door drie mannen wordt aangesproken, die vervolgens ergens naar wijzen en weglopen. Deze beelden zijn aan aangever getoond. Aangever verklaarde dat de jongen rechts op de beelden, met een zwarte pet op, degene is die hem aansprak en het vuurwapen op hem richtte. Het signalement van deze persoon komt overeen met het eerder door aangever opgegeven signalement, dat bovendien overeenkomt met het signalement van verdachte. Het signalement van de andere betrokkenen op de beelden komt ook overeen met het signalement dat de aangever eerder heeft opgegeven.
Naar aanleiding van de verklaring van aangever dat hij bij zijn schouders zou zijn vastgepakt, is het T-shirt van aangever bemonsterd voor DNA-onderzoek. Ter hoogte van de linkerschouder wordt een DNA-hoofdprofiel aangetroffen, waarvan de rechtbank op basis van het forensisch onderzoek concludeert dat dit aangetroffen DNA-materiaal afkomstig is van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangever niet kent en niet weet hoe zijn DNA op het kledingstuk terecht is gekomen. Nu verdachte op geen enkele wijze geconcretiseerd heeft hoe zijn DNA anderszins hier terecht is gekomen, stelt de rechtbank vast dat verdachte geen aannemelijk alternatief scenario heeft geschetst dat zou kunnen leiden tot het oordeel dat het aangetroffen DNA geen verband houdt met het ten laste gelegde feit. Het enkele verweer dat het DNA “op allerlei manieren” op de kleding terecht gekomen kan zijn, is daartoe onvoldoende, temeer nu het DNA is aangetroffen op een van de plekken waar aangever heeft verklaard te zijn vastgepakt. Dat aangever spreekt over vastpakken bij de bovenarmen en het DNA is aangetroffen op de schouders, doet hieraan niet af. Deze locaties sluiten elkaar immers niet uit. De rechtbank beschouwt het DNA-spoor als een daderspoor en concludeert, bij gebreke van een aannemelijke verklaring, dat verdachte aangever heeft vastgepakt en daarmee betrokken is geweest bij het ten laste gelegde feit.
Bovenstaande DNA-match, de verklaring van de getuige [getuige] en de beelden van de Ring-deurbel ondersteunen de verklaring van aangever op meerdere punten. De rechtbank heeft dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aangifte. De argumenten van de raadsvrouw doen hieraan niets af.
Nu het door aangever en de getuige opgegeven signalement van de dader overeenkomt met dat van verdachte, dit signalement steun vindt in de beelden van de Ring-deurbel en er bovendien een DNA-profiel van verdachte op de kleding van aangever is aangetroffen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het voorgaande worden geconcludeerd dat verdachte ‘persoon 1’ is geweest, die aangever [aangever] onder bedreiging van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft gedwongen tot afgifte van zijn sleutels, waarna de twee andere mannen zich bij hem hebben gevoegd. Eén van deze mannen heeft de aangever samen met verdachte vastgepakt en geduwd tijdens de afpersing. Terwijl verdachte aangever dwong tot afgifte van diens telefoon, zijn de andere twee mannen in het voertuig van aangever gaan zitten, waarmee zij vervolgens zijn weggereden. Gelet op de materiële bijdrage van verdachte van voldoende gewicht, in combinatie met de gezamenlijke uitvoering van het feit, is de rechtbank van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Daarmee acht de rechtbank ook het medeplegen bewezen.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten het medeplegen van diefstal met geweld en/of bedreiging met geweld. Om tot een bewezenverklaring van diefstal te komen, is het noodzakelijk dat er een wegnemingshandeling heeft plaatsgevonden. Aangever [aangever] heeft echter verklaard dat hij zijn autosleutels onder bedreiging van een vuurwapen heeft afgestaan en aan verdachte heeft gegeven. Dat betekent dat van een wegnemingshandeling geen sprake is geweest. Gelet daarop is diefstal niet aan de orde. Om die reden zal de rechtbank verdachte van de ten laste gelegde diefstal met geweld vrijspreken.
Ten aanzien van zaak B:
Ten aanzien van feit 2
Verdachte is op 10 juli 2025 staande gehouden terwijl hij in een huurauto reed met een snelheid van 100km/u op een weg waar een snelheid van 70 km/u is toegestaan. Bij controle van de huurauto namen de verbalisanten vanaf de buitenkant van het voertuig waar dat direct achter de bestuurdersstoel een PET-fles lag, gevuld met een vloeistof, waaraan met tape twee cobra’s waren bevestigd. Ambtshalve is bekend dat een dergelijke constructie kwalificeert als een vuurwerkbom. De verbalisanten hebben in het proces-verbaal vermeld dat de vuurwerkbom duidelijk zichtbaar in het voertuig lag en hebben geconcludeerd dat het niet anders kan dan dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de vuurwerkbom in het voertuig.
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van de vuurwerkbom in het voertuig. De rechtbank acht deze verklaring niet aannemelijk. Daarbij overweegt de rechtbank dat van een bestuurder in beginsel mag worden verwacht dat hij weet wat hij vervoert. De vuurwerkbom lag bovendien duidelijk zichtbaar direct achter de bestuurdersstoel en was voor de verbalisanten, kijkend door het raam van het voertuig, duidelijk zichtbaar. Voorts acht de rechtbank het aannemelijk dat de vuurwerkbom tijdens het rijden is verschoven, mede gelet op de snelheid waarmee verdachte reed, wat voor verdachte hoorbaar moet zijn geweest. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de vuurwerkbom. Hij kon ook over de vuurwerkbom beschikken, nu deze voor hem als bestuurder binnen handbereik lag.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 2 ten laste gelegde, te weten het voorhanden hebben van een vuurwerkbom. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het medeplegen. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs biedt voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en eventuele mededaders. De enkele waarneming van de verbalisanten dat twee mannen richting het voertuig liepen, is daartoe onvoldoende. Verdachte werd immers alleen in de auto aangetroffen.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit moet vaststaan dat de in de beschuldiging genoemde voorwerpen - voor zover deze bij de verdachte zijn aangetroffen - bestemd waren voor het plegen van het (beoogde) misdrijf, zoals in de beschuldiging omschreven. Bij die beoordeling zijn van belang (i) de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen, (ii) het gebruik dat van die voorwerpen wordt gemaakt en (iii) het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.
In de huurauto waarin verdachte reed is een PET-fles aangetroffen, gevuld met een smeermiddel op koolwaterstofbasis, waaraan met tape twee cobra’s waren bevestigd. De bij de verdachte aangetroffen voorwerpen zouden in samenhang bezien naar hun uiterlijke verschijningsvorm geschikt kunnen zijn om een ontploffing teweeg te brengen. Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat verdachte een misdadig doel voor ogen had en dus de intentie had om met deze voorwerpen een ontploffing en/of brandstichting teweeg te brengen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat bij verdachte een rol schilderstape en een plastic handschoen zijn aangetroffen, terwijl hij met hoge snelheid reed in een anonieme huurauto zonder in het bezit te zijn van een geldig rijbewijs. De door verdachte opgegeven route kwam bovendien niet overeen met de door de politie waargenomen route en verdachte maakte in gesprek met de verbalisanten een zenuwachtige indruk. Verder droeg hij meerdere jassen over elkaar, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat het een feit van algemene bekendheid is dat het dragen van meerdere lagen kleding in het criminele milieu wordt gebruikt om van uiterlijk te veranderen na het plegen van een strafbaar feit om de opsporing te bemoeilijken. Bij de politie is tot slot ambtshalve bekend dat de combinatie van PET-flessen met daarin vloeistof en cobra’s bij explosies wordt toegepast, hetgeen de rechtbank sterkt in haar overtuiging dat verdachte een misdadig doel voor ogen had.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 1 ten laste gelegde, te weten de voorbereiding van een ontploffing en/of brandstichting. De rechtbank spreekt verdachte partieel vrij van het medeplegen. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende bewijs biedt voor een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en eventuele mededaders.
Ten aanzien van feit 3
Naar aanleiding van de aanhouding van verdachte is op 10 juli 2025 de woning van verdachte doorzocht, waarbij verdovende middelen zijn aangetroffen. De hoeveelheid verdovende middelen is in een laboratorium onderzocht en blijkt een hoeveelheid van 25,84 gram MDMA te betreffen. Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij de drugs in zijn bezit had. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 ten laste gelegde, te weten het aanwezig hebben van de ten laste gelegde hoeveelheid MDMA.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Ten aanzien van zaak A:
1
op 3 augustus 2024 te Amsterdam op de openbare weg, de Toutenburgstraat, tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van
- een (personen)auto (merk Volkswagen Polo, kenteken [kentekennummer] ) en
- een (bijbehorende) autosleutel en
- een telefoon,
die aan voornoemde [aangever] , toebehoorden, door opzettelijk dreigend en gewelddadig
- voornoemde [aangever] op straat aan te spreken en
- tegen voornoemde [aangever] te zeggen dat er iets mis was met zijn auto en
- ( vervolgens) tegen voornoemde [aangever] zeggen: “ Geef mij je sleutels” en
- ( daarbij) voornoemde [aangever] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op de buik van voornoemde [aangever] te richten en
- voornoemde [aangever] (met kracht) vast te pakken en
- voornoemde [aangever] meermalen (met kracht) te duwen en
- ( vervolgens) tegen voornoemde [aangever] te zeggen: “Broer geef je sleutels, anders ga ik schieten” en “Broer geef die kaulo telefoon, anders ga ik je schieten”;
Ten aanzien van zaak B:
1
op 10 juli 2025 te Amsterdam op de openbare weg, de Schoonhovendreef, voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten opzettelijk een ontploffing en/of brandstichting teweegbrengen terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (art. 157 Sr), opzettelijk een (geïmproviseerde) (vuurwerk)bom (bestaande uit een plastic fles met een hydrocarbon-based lubricant), voorzien van twee stuks vuurwerk (cobra's), kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;
2
op 10 juli 2025 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een (geïmproviseerde) (vuurwerk)bom (bestaande uit een plastic fles met een hydrocarbon-based lubricant), voorzien van twee stuks vuurwerk (van met merk Cobra 6), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad;
3
op 10 juli 2025 te Amsterdam al dan niet opzettelijk een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten 10,04 gram MDMA (AATD4001NL) en 1,29 gram MDMA (AATD4002NL) en 14,51 gram MDMA (AATD4003NL) aanwezig heeft gehad.

5.Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar. Er zijn geen bijzondere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien maanden met aftrek, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Aan het voorwaardelijk deel dienen volgens de officier van justitie de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, indien de rechtbank tot een strafoplegging komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van
een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de
vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich ten eerste schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing door middel van geweld en bedreiging met geweld. Dit is zeer intimiderend voor het slachtoffer geweest. Het handelen van verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor andermans eigendommen en van onvoldoende besef van de impact van dergelijke feiten op slachtoffers. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwerkbom en het treffen van voorbereidingen voor het teweegbrengen van een ontploffing met bovengenoemde vuurwerkbom. Het teweegbrengen van ontploffingen is tegenwoordig aan de orde van de dag en heeft kennelijk tot doel personen te intimideren. Het is een groot en toenemend maatschappelijk probleem. Dergelijke strafbare feiten raken niet alleen de veiligheid van de direct betrokkenen, maar veroorzaken ook gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Tot slot heeft verdachte MDMA voorhanden gehad. MDMA is een stof waarvan het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid en is ook direct en indirect de oorzaak van vele vormen van criminaliteit.
De persoon van verdachte
In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 21 oktober 2025. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies over verdachte van 2 december 2025. Hieruit volgt dat de reclassering bij een veroordeling adviseert om een deels voorwaardelijke straf op te leggen, met daaraan de volgende bijzondere voorwaarden gekoppeld: een meldplicht, ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, het meewerken aan schuldhulpverlening en ambulante begeleiding.
Adolescentenstrafrecht
Omdat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten al wel ouder was dan 18 jaar maar nog niet de leeftijd van 23 jaar had bereikt, kan volgens de wet het adolescentenstrafrecht (ASR) toegepast worden. Hierbij kan een straf uit het jeugdstrafrecht worden opgelegd, indien daar aanleiding toe bestaat. De reclassering heeft geadviseerd om het volwassenenstrafrecht toe te passen, omdat verdachte conform zijn kalenderleeftijd overkomt en trajecten bij de jeugdreclassering onvoldoende hebben geleid tot het verminderen van recidive. Bovendien liep het toezicht bij de volwassenreclassering beter dan het toezicht bij de jeugdreclassering. De rechtbank neemt dit advies over, omdat geen redenen zijn gebleken om af te wijken van de hoofdregel van berechting volgens het volwassenenstrafrecht. Wel onderkent de rechtbank de kwetsbaarheid en jeugdige leeftijd van verdachte en ziet zij dat verdachte gebaat is bij passende hulpverlening. De rechtbank is dan ook van mening dat in dit geval interventies dienen te prevaleren boven vergelding en ziet daarom aanleiding om een gedeelte van de straf in voorwaardelijke zin op te leggen.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft in het kader van de strafoplegging gekeken naar de LOVS-oriëntatiepunten en naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Dat zijn bij de feiten die de rechtbank bewezen acht forse gevangenisstraffen.. De rechtbank heeft, anders dan de officier van justitie, in feit 1 van zaak A het gebruik van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp bewezen geacht. De rechtbank zal daarom een hogere straf zal opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd.
Daarnaast acht de rechtbank het van belang rekening te houden met de jeugdige leeftijd van verdachte en de mogelijkheid om de bijzondere voorwaarden, zoals geadviseerd door de reclassering, op te leggen.
Alles overwegende legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van achttien maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk deel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden gekoppeld.

8.Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • Verdovende middelen (G6681596);
  • Verdovende middelen (G6681599);
  • Verdovende middelen (G6681606);
  • Verdovende middelen (G6681607);
  • Verdovende middelen (G6681609);
  • Verdovende middelen (G6681610);
  • Verdovende middelen (G6681611);
  • Verdovende middelen (G6681612);
  • Half biljet (G6681614).
De rechtbank zal de in beslag genomen verdovende middelen onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
Ook het aangetroffen gescheurde bankbiljet zal door de rechtbank worden onttrokken aan het verkeer, nu uit het procesdossier volgt dat het biljet een zogeheten ‘token’ is dat gebruikt wordt in het criminele milieu bij leveringen van drugs en geld. Omdat de ‘token’ hiermee kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als het in zaak B onder feit 3 bewezen verklaarde, zal de rechtbank ook het bankbiljet onttrekken aan het verkeer.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 46, 47, 57, 63, 157 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het in zaak A onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 en in zaak B onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van zaak A:
Feit 1: afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen
Ten aanzien van zaak B:
Feit 1: voorbereiding van opzettelijk een ontploffing en/of brandstichting teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7º;
Feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
18 (achttien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat
8 (acht) maandenvan deze gevangenisstraf
niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een
proeftijdvan
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuld maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
-
Meldplicht bij reclassering
Veroordeelde blijft zich melden op afspraken bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.
-
Ambulante behandeling
Veroordeelde laat zich behandelen door Family supporters of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Diagnostiek maakt deel uit van deze behandeling. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
-
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Veroordeelde verblijft bij [Stichting] of een andere instelling voor beschermd wonen of
maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
-
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
-
Meewerken aan schuldhulpverlening
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
-
Ambulante begeleiding
Veroordeelde werkt mee aan ambulante begeleiding vanuit [Stichting] of soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in art. 14c, zesde lid, van het Wetboek van strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in art. 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in art. 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Verklaartonttrokken aan het verkeerde goederen met de volgende nummers op de
beslaglijst:
  • Verdovende middelen (G6681596);
  • Verdovende middelen (G6681599);
  • Verdovende middelen (G6681606);
  • Verdovende middelen (G6681607);
  • Verdovende middelen (G6681609);
  • Verdovende middelen (G6681610);
  • Verdovende middelen (G6681611);
  • Verdovende middelen (G6681612);
  • Half biljet (G6681614).
Dit vonnis is gewezen door
mr. I. Timmermans, voorzitter,
mrs. H.E. Hoogendijk en C.C.J. Maas-van Es, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. de Groot, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 januari 2026.