ECLI:NL:RBAMS:2026:1647

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
13/220305-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen drugshandel en witwassen met gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van het verkopen van diverse harddrugs, het aanwezig hebben van aanzienlijke hoeveelheden soft- en harddrugs in twee woningen, en medeplegen van witwassen van geldbedragen en luxe goederen. Het bewijs bestond uit telefonische chatberichten, observaties, camerabeelden, vingerafdrukken en inbeslaggenomen goederen.

Verdachte heeft zich gedurende negen maanden schuldig gemaakt aan drugshandel en het bezit van drugs, waarbij hij samenwerkte met medeverdachten. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de drugs en dat hij betrokken was bij het witwassen van geld en luxe goederen, hoewel hij voor een deel van het witwassen werd vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van nauwe samenwerking.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 21 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, mede vanwege de ernst van de feiten en de duur van de handel. Daarnaast werden diverse goederen verbeurd verklaard en onttrokken aan het verkeer. Verdachte moet zich melden bij de reclassering en deelnemen aan gedragsinterventies.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 21 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen van drugshandel en witwassen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/220305-25
Datum uitspraak: 27 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 2000 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres in de Basis Registratie Personen: [adres 1]
[adres 1] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. B.S. Selier en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.S. Rozenbeek naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich in [plaats] heeft schuldig gemaakt aan het
Feit 1: medeplegen van het verkopen van amfetamine, MDMA, cocaïne, heroïne, LSD, GHB, methylfenidaat, 2C-B en 4-MMC in de periode 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025;
Feit 2: medeplegen van het aanwezig hebben van 646,79 gram cocaïne in een woning aan de [adres 2] en 5 tabletten cocaïne en/of MDMA in een woning aan de [adres 3] op 30 juli 2025;
Feit 3: medeplegen van het aanwezig hebben van 8,24 gram hasjiesj in een woning aan de [adres 2] en 96,19 gram hasjiesj in een woning aan de [adres 3] op 30 juli 2025;
Feit 4: medeplegen van witwassen van geldbedragen en luxe goederen in de periode van 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten kunnen worden bewezen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat uit het onderzoek van de in beslag genomen telefoon en meerdere observaties volgt dat verdachte zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het dealen van drugs (feit 1). Ook het voorhanden hebben van drugs vindt de officier van justitie bewezen, nu verdachte en medeverdachten wetenschap en beschikkingsmacht hadden over de verdovende middelen (feit 2 en 3). Verder stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van luxe goederen en geldbedragen, waarbij gebruik is gemaakt van rekeningen bij [bank 1] en [bank 2] (feit 4).
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Met betrekking tot feit 2 en 3 heeft hij zich, voor zover het de onderdelen betreft die zien op de drugs aangetroffen in de woning aan de [adres 3] , eveneens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Voor het overige heeft de raadsman aangevoerd dat uit de observaties van verbalisanten op 23 juli 2025 geen wetenschap en beschikkingsmacht over de drugs aangetroffen op de [adres 2] kan worden afgeleid, nu de drugs pas op 30 juli 2025 zijn aangetroffen in de woning aan de [adres 2] .
Met betrekking tot feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat geen verband bestaat tussen verdachte en de [bank 1] rekening. Voor het contante geld en de goederen die in de woning van verdachte zijn aangetroffen, heeft verdachte een verklaring gegeven. De raadsman heeft daarom verzocht verdachte van feit 4 vrij te spreken.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt dat alle vier de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, zoals hierna in rubriek 4 is weergegeven. De rechtbank overweegt als volgt.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 14 februari 2025 ontving het onderzoeksteam een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen (TCI), waarin informatie was opgenomen die door TCI als betrouwbaar werd aangemerkt. Uit deze informatie bleek dat via WhatsApp bij nummer [telefoonnummer 1] (hierna: # [telefoonnummer 1] ) bij de broers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] drugs konden worden besteld. Uit onderzoek bleek dat [medeverdachte 1] aan dit telefoonnummer kon worden gekoppeld. Tijdens een observatie werd op 17 april 2025 gezien dat er drie grote reiskoffers in de achterbak van een Volkswagen Polo, voorzien van kenteken [kenteken 1] , werden geladen en wegreed. De bestuurder van de Volkswagen Polo betrof [medeverdachte 1] . Later werd de Volkswagen Polo samen met een zwarte Skoda Octavia taxi, voorzien van kenteken [kenteken 2] , gezien en ontstond er een achtervolging waarbij de taxi was ontkomen. [medeverdachte 1] is vervolgens aangehouden. Hierbij werd in zijn auto een telefoon aangetroffen. Uit nader onderzoek aan de telefoon bleek dat het nummer # [telefoonnummer 1] aan de telefoon was gekoppeld en dat daarop berichten waren verstuurd en ontvangen die betrekking hadden op de handel in verdovende middelen. De afzender van de berichten noemt zichzelf ‘ [persoon 1] ’. .Uit onderzoek bleek dat de ontkomen auto een zwarte Skoda Octavia met kenteken [kenteken 2] betrof. Deze taxi stond op naam van [verdachte] (hierna: verdachte). Verder is uit onderzoek gebleken dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] zich in de periode van observatie (vanaf 30 mei 2025) vrijwel dagelijks gedurende korte momenten ter hoogte van een woontoren op de [adres 2] [huisnummer 1] t/m [huisnummer 2] bevonden. Uit de beschrijving van camerabeelden van het desbetreffende pand bleek onder meer dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] of diens tweelingbroer met behulp van een toegangscode met lege tassen het pand binnengingen, met de lift naar de 21e verdieping gingen en het pand korte tijd later met gevulde tassen verlieten. Uit onderzoek bleek dat de gebruikte toegangscode een unieke toegangscode betrof die hoorde bij huisnummer [huisnummer 3] . Verbalisanten kunnen niet bij ieder bezoek aan de [adres 2] zien om wie van de twee broers het precies gaat, nu verdachte en zijn broer [medeverdachte 1] een eeneiige tweeling zijn en het enige waarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van elkaar verschillen het feit is dat [medeverdachte 2] een litteken heeft bij zijn linkeroog. Op 23 juli 2025 wordt gezien dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] of diens tweelingbroer samen een ogenschijnlijk zware tas vasthielden, in de lift naar de 21e etage gingen en na ongeveer 30 minuten weer beneden kwamen zonder de tas. Vervolgens wordt op 30 juli 2025 de woning aan de [adres 2] doorzocht en worden onder meer verschillende soorten verdovende middelen (harddrugs) aangetroffen.
Op 30 juli 2025 wordt ook de woning van verdachte aan de [adres 3] doorzocht. Hierbij worden vier mobiele telefoons, drugs, contant geld en luxe goederen aangetroffen.
Verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Onder verdachte is op 30 juli 2025 een iPhone 14 Pro in beslag genomen. Op de telefoon zijn onder meer ‘selfies’ van verdachte aangetroffen. Ook zijn de gebruikersnaam en het adres in de telefoon gekoppeld aan verdachte en staat het Uber-account van verdachte op deze telefoon. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de inbeslaggenomen telefoon bij verdachte in gebruik was.
Aan de telefoon is het telefoonnummer [telefoonnummer 2] gekoppeld (hierna: # [telefoonnummer 2] ). Uit onderzoek van de data op de telefoon blijkt dat de chatgesprekken die via en met # [telefoonnummer 2] zijn gevoerd tussen in ieder geval 23-10-2024 tot het moment van aanhouding op 30-07-2025, de handel in verdovende middelen betreffen. Dit wordt bevestigd doordat in de telefoon meerdere afbeeldingen zijn aangetroffen waarop verdovende middelen worden getoond. In de notities, opgeslagen in de telefoon van verdachte, worden ook vele teksten aangetroffen welke betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Er worden diverse soorten verdovende middelen, hoeveelheden verdovende middelen, geld prijzen en namen van (vermoedelijke) werknemers benoemd. Daarbij wordt ook benoemd welke verdovende middelen en de hoeveelheid geld deze dealers bij zich dragen.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025 meerdere hoeveelheden drugs heeft verkocht.
Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegdeVoor het bewijs van ‘aanwezig hebben’ in de zin van de Opiumwet, is nodig dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning aan de [adres 2] respectievelijk [adres 3] en dat hij hier ook beschikkingsmacht over had. De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat verdachte toegang had tot de woning aan de [adres 2] gelet op de observaties van verbalisanten, waarbij verdachte herkend is. Daarnaast is een envelop in de woning aangetroffen waar een vingerafdruk van verdachte op staat. Drie dagen nadat werd gezien dat verdachte samen met een ander een ogenschijnlijk zware tas naar de woning bracht en deze daar achterlieten is bij een doorzoeking van die woning een hoeveelheid harddrugs aangetroffen. De woning leek niet bewoond en dienst te doen als opslaglocatie voor (hard)drugs.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien met de onder feit 1 bewezenverklaarde handel in verdovende middelen, kan het niet anders dan dat verdachte wetenschap had van de verdovende middelen en daar beschikkingsmacht over had.
Uit het NFiDENT-rapport volgt dat een hoeveelheid van 520,70 gram cocaïne is aangetroffen. De rechtbank zal ten aanzien van feit 2 voor wat betreft de bewezenverklaring uitgaan van deze hoeveelheid. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de aangetroffen drugs in de woning van zijn ouders aan de [adres 3] . De drugs zijn aangetroffen op de slaapkamer waar verdachte gebruik van maakte. De rechtbank acht feit 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegdeBeoordelingskader witwassenOp basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen afkomstig zijn van een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Echter, ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, kan witwassen worden bewezen. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat in dit geval deze goederen van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de goederen. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Als zo'n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. Als de verdachte een dergelijke verklaring heeft afgelegd, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om hier nader onderzoek naar te doen. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan witwassen van de voorwerpen worden bewezen.
Vrijspraak bedragen via rekening van [bank 1] [iban 1] en geldbedragen aangetroffen in de woning aan de [adres 3]
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte de geldbedragen die gestort zouden zijn op de [bank 1] rekening en de contante geldbedragen die thuis zijn aangetroffen samen met anderen heeft witgewassen. Verdachte wordt daarom voor feit 4 partieel vrijgesproken.
Geldbedragen middels rekeningnummer [iban 2]
De rechtbank stelt vast dat in de periode van 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025 via de [bank 2] rekening bedragen zijn overgemaakt naar een [bank 1] rekening. Vanwege de hoogte van die geldbedragen en de aard van de overschrijvingen die via de rekeningen gedaan zijn, acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat deze bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de legale herkomst van geld. Verdachte heeft geen enkele verklaring over de legale herkomst van het geld bedrag gegeven. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen ontvangen via een [bank 1] rekening op de [bank 2] rekening van misdrijf afkomstig waren en dat verdachte dit ook wist.
Luxe goederen aan de [adres 3]
De rechtbank oordeelt dat de goederen, onder meer een Rolex horloge en een Dior-zonnebril, aangetroffen in de woning aan de [adres 3] een relatief aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. Uit het dossier blijkt daarnaast dat verdachte in de onderzochte periode slechts een relatief gering geregistreerd inkomen heeft ontvangen. De rechtbank acht daarom een witwasvermoeden gerechtvaardigd. Het mag daarom van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de legale herkomst van de geldbedragen en de goederen, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de goederen aangetroffen op de [adres 3] (onmiddellijk of middellijk) van enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit ook wist. De rechtbank acht het witwassen van de goederen aangetroffen in de woning aan de [adres 3] dan ook bewezen.
Medeplegen
Ten aanzien van het medeplegen verweten in de feiten 1 tot en met 4 overweegt de rechtbank als volgt. Uit onderzoek naar de data in een onder medeverdachte [medeverdachte 2] in beslag genomen telefoon (met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: # [telefoonnummer 1] ), is gebleken dat dit een handelstelefoon was, die werd gebruikt door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Op een ‘menukaart’ op de telefoon was te zien welke verdovende middelen konden worden afgenomen: onder andere cocaïne, MDMA en speed. Klanten kunnen betalen met contant geld of via een betalingsverzoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte 2] zich in de periode van 23 november 2023 tot en met 30 juli 2025, te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van amfetamine, MDMA en cocaïne
Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte zich in de periode van 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025 schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van harddrugs.
De politie observeert vanaf 30 mei 2025 dat verdachte met [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] meermalen bij de woning [adres 2] naar binnen gaat. De laatste observatie is van 27 juli 2025, als wordt gezien dat verdachte met een van de broers [medeverdachte 2] een ogenschijnlijk zware tas naar de woning brengt en daar achterlaat. Drie dagen later vindt de doorzoeking van de woning plaats en worden onder meer diverse soorten harddrugs aangetroffen.
Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat er sprake was van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten ten aanzien van de handel in harddrugs en het aanwezig hebben van de aangetroffen hard- en softdrugs uit de feiten 2 en 3. Ten aanzien van de het witwassen (feit 4) kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander. Voor dat deel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1
in de periode 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verkocht meerdere hoeveelheden, van een materiaal bevattende een werkzame stof zoals vermeld op lijst I van de Opiumwet, zijnde amfetamine en MDMA en cocaïne
Feit 2
op 30 juli 2025 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer
- 520,70 gram (aangetroffen in de woning gelegen aan de [adres 2] ), cocaïne en,
- ongeveer 5 tabletten en 10,08 gram en 6,94 gram (aangetroffen in de woning gelegen aan de [adres 3] ), zijnde MDMA ;
Feit 3
op 30 juli 2025 te [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 8,24 kilogram (aangetroffen in de woning gelegen aan de [adres 2] ) en
- ongeveer 96,19 gram (aangetroffen in de woning gelegen aan de [adres 3] ) gram, hasjiesj;
Feit 4
hij in de periode van 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025, te [plaats] ,
- geldbedragen middels rekeningnummer [iban 3] , en;
- luxe goederen aangetroffen in de woning gelegen aan de [adres 3] ,
Sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft omgezet, en
- gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte wist, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf;

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van verdacht heeft verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemede straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende negen maanden schuldig gemaakt aan het dealen van verschillende soorten harddrugs. Gedurende die periode en ook tijdens het dealen werkte hij als taxichauffeur in [plaats] . Verdachte heeft daarmee laten zien dat hij weinig geeft om de schadelijke werking van harddrugs voor de gezondheid van de gebruikers en de met drugshandel gepaard gaande criminaliteit en verdere overlast voor de samenleving. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van softdrugs en verschillende soorten harddrugs. Verdovende middelen vormen een gevaar voor de volksgezondheid en de handel erin gaat vaak gepaard met (ernstige) criminaliteit, die ontwrichtend is voor de maatschappij. Door zijn handelen heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van de keten van criminele activiteiten. Tot slot heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan witwassen. Het witwassen van criminele gelden vormt een bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. De rechtbank rekent verdachte dit aan.
Persoon van verdachte
Verdachte heeft niet over de feiten willen verklaren. Over zijn beweegredenen is daarom niets bekend geworden.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 20 oktober 2025. Verdachte is eerder veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar dit gaat om oude feiten waarmee de rechtbank geen rekening houdt bij het bepalen van de straf in deze zaak.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van de rapporten van Reclassering Nederland van 9 oktober 2025 en van 9 januari 2026. Hieruit volgt – kort gezegd – dat de factoren die ten grondslag hebben gelegen aan het delictgedrag, gezien de proceshouding van verdachte niet bekend zijn. Het risico op onttrekken aan voorwaarden kan eveneens niet worden ingeschat. Verdachte is niet eerder begeleid door de reclassering. Hoewel hij aangeeft zelfstandig in staat te zijn problemen op te lossen, is hij ook bereid mee te werken aan bijzondere voorwaarden.
Strafoplegging
Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het LOVS oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezenverklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten. Voor het verkopen van gebruikershoeveelheden harddrugs gedurende 6 tot 12 maanden is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden. Voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid harddrugs tussen de 500 en 1.000 gram is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Voor het aanwezig hebben van een hoeveelheid softdrugs tussen de 5.000 en 10.000 gram is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden. Voor het witwassen van een geldbedrag tot 10.000 euro is het uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week tot 2 maanden.
Verdachte is na 92 dagen tijdelijk en onder voorwaarden geschorst uit de voorlopige hechtenis, om in vrijheid zijn berechting af te kunnen wachten. Deze schorsing loopt blijkens die beslissing tot de uitspraak in deze zaak. Er is geen nieuwe schorsingsverzoek ingediend noch ziet de rechtbank ambtshalve aanleiding de voorlopige hechtenis op het moment van uitspraak opnieuw te schorsen.
Vanwege de ernst van de feiten en de periode van 9 maanden waarin verdachte in drugs gedeald heeft, vindt de rechtbank een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats. Daarbij vindt de rechtbank het van belang dat verdachte een stok achter de deur heeft om niet opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen om verdachte ervan te weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegende acht de rechtbank een hogere gevangenisstraf dan door de officier van justitie is gevorderd passend en geboden, namelijk een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, en een proeftijd van twee jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd.

8.Beslag

Onder verdachte zijn, blijkens de beslaglijst van 8 januari 2026, de volgende voorwerpen in beslag genomen:
  • 2. 96 GR Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690508, Bruin, merk: Hashish);
  • 3. 27 DS Doos (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6692927, diazepam);
  • 16. 1 STK Zonnebril (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690777, Zwart, merk: Dior);
  • 19. 15.950,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690523 IBG 30-07-2025);
  • 20. 1.650,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690525 IBG 30-07-2025);
  • 21. 10.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690526 IBG 30-07-2025)
  • 22. 40,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690528 IBG 30-07-2025);
  • 23. 3.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690530 IBG 30-07-2025);
  • 24. 1.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690531 IBG 30-07-2025);
  • 25. 28 STK Medicijn (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690746);
  • 26. 12 STK Medicijn (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690736);
  • 27. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690490);
  • 28. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690496);
  • 29. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690497);
  • 30. 1 STK Kaart (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690473, Betaalkaart);
  • 31. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690505);
  • 32. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690482);
  • 33. 1 STK Horloge (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690504);
  • 34.742 STK Verdovende Middelen; (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690495, Diazepam).
Verbeurdverklaring
De onder 16, 19, 20, 22, 32, 33 genoemde voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor strafbaar, aangezien met betrekking tot deze goederen feit 1 en 4 is begaan.
Onttrekking aan het verkeer
Omdat met betrekking tot de onder 2, 3, 25 tot en met 29 en 34 genoemde voorwerpen het bewezen geachte is begaan en zij van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.
Retour rechthebbende
Onder verdachte is eveneens een geldbedrag van € 10.000,- (nummer 21), een geldbedrag van 3.000,- euro (nummer 23) en een geldbedrag van € 1.000,- (nummer 24) in beslag genomen. Deze geldbedragen dienen aan de rechthebbende te worden geretourneerd.
Teruggave
Onder verdachte is een [bank 1] betaalautomaat en een telefoon (nummer 30 en 31 op de beslaglijst) in beslag genomen. Dit goed behoort aan verdachte toe en dient aan hem te worden teruggegeven.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11van de Opiumwet.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
Medeplegen opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Feit 2
Medeplegen opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
Feit 3
Medeplegen opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Feit 4
Medeplegen witwassen, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
21 (eenentwintig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt alsbijzondere voorwaarden:
Meldplicht bij reclassering (na afspraak)
Dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak.
Gedragsinterventie cognitieve vaardigheden
Dat veroordeelde binnen de proeftijd deelneemt aan de gedragsinterventie CoVa/CoVa-plus van de reclassering of aan een andere gedragstraining die gericht is op cognitieve vaardigheden, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de training nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer.
Dagbesteding
Veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding hetzij in de vorm van opleiding of betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Aflossing schulden
Veroordeelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn verder dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Verklaart verbeurd:
  • 16. 1 STK Zonnebril (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690777, Zwart, merk: Dior);
  • 19. 15.950,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690523 IBG 30-07-2025);
  • 20. 1.650,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690525 IBG 30-07-2025);
  • 22. 40,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690528 IBG 30-07-2025);
  • 32. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690482);
  • 33. 1 STK Horloge (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690504);
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
  • 2. 96 GR Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690508, Bruin, merk: Hashish);
  • 3. 27 DS Doos (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6692927, diazepam);
  • 25. 28 STK Medicijn (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690746);
  • 26. 12 STK Medicijn (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690736);
  • 27. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690490);
  • 28. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690496);
  • 29. 1 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690497);
  • 34. 742 STK Verdovende Middelen; (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690495, Diazepam).
Gelast de teruggave aan de redelijkerwijs rechthebbende van:
  • 21. 10.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690526 IBG 30-07-2025)
  • 23. 3.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690530 IBG 30-07-2025);
  • 24. 1.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690531 IBG 30-07-2025);
Gelast de teruggave aan verdachte [verdachte] van:
  • 30. 1 STK Kaart (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690473, Betaalkaart);
  • 31. 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL1300-2025061503-G6690505);
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.F. Bögemann, voorzitter,
mrs. M.A.E. Somsen en D.A. Segbedzi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.S. Eisses, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 januari 2026.
[…]
  • […]
  • […]
[…]