3.3.Oordeel van de rechtbank
De rechtbank vindt dat alle vier de ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen, zoals hierna in rubriek 4 is weergegeven. De rechtbank overweegt als volgt.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Op 14 februari 2025 ontving het onderzoeksteam een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen (TCI), waarin informatie was opgenomen die door TCI als betrouwbaar werd aangemerkt. Uit deze informatie bleek dat via WhatsApp bij nummer [telefoonnummer 1] (hierna: # [telefoonnummer 1] ) bij de broers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] drugs konden worden besteld. Uit onderzoek bleek dat [medeverdachte 1] aan dit telefoonnummer kon worden gekoppeld. Tijdens een observatie werd op 17 april 2025 gezien dat er drie grote reiskoffers in de achterbak van een Volkswagen Polo, voorzien van kenteken [kenteken 1] , werden geladen en wegreed. De bestuurder van de Volkswagen Polo betrof [medeverdachte 1] . Later werd de Volkswagen Polo samen met een zwarte Skoda Octavia taxi, voorzien van kenteken [kenteken 2] , gezien en ontstond er een achtervolging waarbij de taxi was ontkomen. [medeverdachte 1] is vervolgens aangehouden. Hierbij werd in zijn auto een telefoon aangetroffen. Uit nader onderzoek aan de telefoon bleek dat het nummer # [telefoonnummer 1] aan de telefoon was gekoppeld en dat daarop berichten waren verstuurd en ontvangen die betrekking hadden op de handel in verdovende middelen. De afzender van de berichten noemt zichzelf ‘ [persoon 1] ’. .Uit onderzoek bleek dat de ontkomen auto een zwarte Skoda Octavia met kenteken [kenteken 2] betrof. Deze taxi stond op naam van [verdachte] (hierna: verdachte). Verder is uit onderzoek gebleken dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] zich in de periode van observatie (vanaf 30 mei 2025) vrijwel dagelijks gedurende korte momenten ter hoogte van een woontoren op de [adres 2] [huisnummer 1] t/m [huisnummer 2] bevonden. Uit de beschrijving van camerabeelden van het desbetreffende pand bleek onder meer dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] of diens tweelingbroer met behulp van een toegangscode met lege tassen het pand binnengingen, met de lift naar de 21e verdieping gingen en het pand korte tijd later met gevulde tassen verlieten. Uit onderzoek bleek dat de gebruikte toegangscode een unieke toegangscode betrof die hoorde bij huisnummer [huisnummer 3] . Verbalisanten kunnen niet bij ieder bezoek aan de [adres 2] zien om wie van de twee broers het precies gaat, nu verdachte en zijn broer [medeverdachte 1] een eeneiige tweeling zijn en het enige waarin [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] van elkaar verschillen het feit is dat [medeverdachte 2] een litteken heeft bij zijn linkeroog. Op 23 juli 2025 wordt gezien dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 2] of diens tweelingbroer samen een ogenschijnlijk zware tas vasthielden, in de lift naar de 21e etage gingen en na ongeveer 30 minuten weer beneden kwamen zonder de tas. Vervolgens wordt op 30 juli 2025 de woning aan de [adres 2] doorzocht en worden onder meer verschillende soorten verdovende middelen (harddrugs) aangetroffen.
Op 30 juli 2025 wordt ook de woning van verdachte aan de [adres 3] doorzocht. Hierbij worden vier mobiele telefoons, drugs, contant geld en luxe goederen aangetroffen.
Verdachte heeft zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde
Onder verdachte is op 30 juli 2025 een iPhone 14 Pro in beslag genomen. Op de telefoon zijn onder meer ‘selfies’ van verdachte aangetroffen. Ook zijn de gebruikersnaam en het adres in de telefoon gekoppeld aan verdachte en staat het Uber-account van verdachte op deze telefoon. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de inbeslaggenomen telefoon bij verdachte in gebruik was.
Aan de telefoon is het telefoonnummer [telefoonnummer 2] gekoppeld (hierna: # [telefoonnummer 2] ). Uit onderzoek van de data op de telefoon blijkt dat de chatgesprekken die via en met # [telefoonnummer 2] zijn gevoerd tussen in ieder geval 23-10-2024 tot het moment van aanhouding op 30-07-2025, de handel in verdovende middelen betreffen. Dit wordt bevestigd doordat in de telefoon meerdere afbeeldingen zijn aangetroffen waarop verdovende middelen worden getoond. In de notities, opgeslagen in de telefoon van verdachte, worden ook vele teksten aangetroffen welke betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Er worden diverse soorten verdovende middelen, hoeveelheden verdovende middelen, geld prijzen en namen van (vermoedelijke) werknemers benoemd. Daarbij wordt ook benoemd welke verdovende middelen en de hoeveelheid geld deze dealers bij zich dragen.
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025 meerdere hoeveelheden drugs heeft verkocht.
Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegdeVoor het bewijs van ‘aanwezig hebben’ in de zin van de Opiumwet, is nodig dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen in de woning aan de [adres 2] respectievelijk [adres 3] en dat hij hier ook beschikkingsmacht over had. De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat verdachte toegang had tot de woning aan de [adres 2] gelet op de observaties van verbalisanten, waarbij verdachte herkend is. Daarnaast is een envelop in de woning aangetroffen waar een vingerafdruk van verdachte op staat. Drie dagen nadat werd gezien dat verdachte samen met een ander een ogenschijnlijk zware tas naar de woning bracht en deze daar achterlieten is bij een doorzoeking van die woning een hoeveelheid harddrugs aangetroffen. De woning leek niet bewoond en dienst te doen als opslaglocatie voor (hard)drugs.
Gelet op het voorgaande, in samenhang bezien met de onder feit 1 bewezenverklaarde handel in verdovende middelen, kan het niet anders dan dat verdachte wetenschap had van de verdovende middelen en daar beschikkingsmacht over had.
Uit het NFiDENT-rapport volgt dat een hoeveelheid van 520,70 gram cocaïne is aangetroffen. De rechtbank zal ten aanzien van feit 2 voor wat betreft de bewezenverklaring uitgaan van deze hoeveelheid. Voorts stelt de rechtbank vast dat verdachte wetenschap en beschikkingsmacht had over de aangetroffen drugs in de woning van zijn ouders aan de [adres 3] . De drugs zijn aangetroffen op de slaapkamer waar verdachte gebruik van maakte. De rechtbank acht feit 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.
Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegdeBeoordelingskader witwassenOp basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen afkomstig zijn van een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Echter, ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, kan witwassen worden bewezen. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat in dit geval deze goederen van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de legale herkomst van de goederen. Zo’n verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn, en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Als zo'n verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen over het bewijs. Als de verdachte een dergelijke verklaring heeft afgelegd, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om hier nader onderzoek naar te doen. Als uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan witwassen van de voorwerpen worden bewezen.
Vrijspraak bedragen via rekening van [bank 1] [iban 1] en geldbedragen aangetroffen in de woning aan de [adres 3]
De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte de geldbedragen die gestort zouden zijn op de [bank 1] rekening en de contante geldbedragen die thuis zijn aangetroffen samen met anderen heeft witgewassen. Verdachte wordt daarom voor feit 4 partieel vrijgesproken.
Geldbedragen middels rekeningnummer [iban 2]
De rechtbank stelt vast dat in de periode van 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025 via de [bank 2] rekening bedragen zijn overgemaakt naar een [bank 1] rekening. Vanwege de hoogte van die geldbedragen en de aard van de overschrijvingen die via de rekeningen gedaan zijn, acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat deze bedragen uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dat betekent dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de legale herkomst van geld. Verdachte heeft geen enkele verklaring over de legale herkomst van het geld bedrag gegeven. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat het niet anders kan dan dat de geldbedragen ontvangen via een [bank 1] rekening op de [bank 2] rekening van misdrijf afkomstig waren en dat verdachte dit ook wist.
Luxe goederen aan de [adres 3]
De rechtbank oordeelt dat de goederen, onder meer een Rolex horloge en een Dior-zonnebril, aangetroffen in de woning aan de [adres 3] een relatief aanzienlijke waarde vertegenwoordigen. Uit het dossier blijkt daarnaast dat verdachte in de onderzochte periode slechts een relatief gering geregistreerd inkomen heeft ontvangen. De rechtbank acht daarom een witwasvermoeden gerechtvaardigd. Het mag daarom van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de legale herkomst van de geldbedragen en de goederen, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Verdachte heeft hiervoor geen verklaring gegeven. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan dan dat de goederen aangetroffen op de [adres 3] (onmiddellijk of middellijk) van enig misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte dit ook wist. De rechtbank acht het witwassen van de goederen aangetroffen in de woning aan de [adres 3] dan ook bewezen.
Medeplegen
Ten aanzien van het medeplegen verweten in de feiten 1 tot en met 4 overweegt de rechtbank als volgt. Uit onderzoek naar de data in een onder medeverdachte [medeverdachte 2] in beslag genomen telefoon (met telefoonnummer [telefoonnummer 1] (hierna: # [telefoonnummer 1] ), is gebleken dat dit een handelstelefoon was, die werd gebruikt door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Op een ‘menukaart’ op de telefoon was te zien welke verdovende middelen konden worden afgenomen: onder andere cocaïne, MDMA en speed. Klanten kunnen betalen met contant geld of via een betalingsverzoek. De rechtbank heeft vastgesteld dat [medeverdachte 2] zich in de periode van 23 november 2023 tot en met 30 juli 2025, te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van amfetamine, MDMA en cocaïne
Hiervoor heeft de rechtbank vastgesteld dat verdachte zich in de periode van 7 oktober 2024 tot en met 30 juli 2025 schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van harddrugs.
De politie observeert vanaf 30 mei 2025 dat verdachte met [medeverdachte 1] of [medeverdachte 2] meermalen bij de woning [adres 2] naar binnen gaat. De laatste observatie is van 27 juli 2025, als wordt gezien dat verdachte met een van de broers [medeverdachte 2] een ogenschijnlijk zware tas naar de woning brengt en daar achterlaat. Drie dagen later vindt de doorzoeking van de woning plaats en worden onder meer diverse soorten harddrugs aangetroffen.
Op grond van deze feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat er sprake was van bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten ten aanzien van de handel in harddrugs en het aanwezig hebben van de aangetroffen hard- en softdrugs uit de feiten 2 en 3. Ten aanzien van de het witwassen (feit 4) kan de rechtbank niet vaststellen dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander. Voor dat deel zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.