ECLI:NL:RBAMS:2026:1659

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
13/407010-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36b SrArt. 36d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor stalking, bedreiging en opzetheling van elektrische fietsen

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte schuldig bevonden aan stalking en bedreiging van zijn ex-partner en haar huidige partner gedurende een periode van bijna een half jaar. Verdachte zocht op indringende en dreigende wijze contact met zijn ex, ondanks een contactverbod, en maakte gebruik van diverse communicatiemiddelen zoals e-mails, brieven, voicemailberichten en heimelijk gemaakte foto's.

Daarnaast is verdachte veroordeeld voor opzetheling van twee elektrische fatbikes die hij onder valse namen via Marktplaats aanbood, terwijl hij wist dat deze fietsen van diefstal afkomstig waren. De rechtbank achtte de verklaring van verdachte over onwetendheid ongeloofwaardig gezien zijn berekenende handelwijze.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van acht maanden op, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Tevens werden bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering, een contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod met elektronische monitoring in het stadsdeel waar de slachtoffers wonen.

Verder werden schadevergoedingen toegekend aan de benadeelde partijen: €2.500,- voor immateriële schade aan de ex-partner, €250,- voor immateriële schade aan haar partner, en €1.300,- voor materiële schade aan de koper van een gestolen fiets. Het in beslag genomen mes werd onttrokken aan het verkeer, terwijl de gsm's werden teruggegeven aan de rechthebbenden.

De rechtbank wees het beroep op psychische overmacht af en achtte de straf passend gelet op de ernst van de feiten, de impact op de slachtoffers en het strafblad van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met contact- en locatieverboden en schadevergoedingen aan de slachtoffers.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/407010-24
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1963,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
nu gedetineerd in de [P.I.] ,
hierna te noemen: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 27 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. W. van Veen en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.J. Pardijs, naar voren hebben gebracht.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de vorderingen tot schadevergoeding van
de benadeelde partijen [benadeelde partij] (hierna ook: [benadeelde partij] ), [benadeelde partij 1] (hierna ook: [benadeelde partij 1] ) en [benadeelde partij 2] en van hetgeen door mr. A.J. Korff, advocaat in 's-Gravenhage, namens [benadeelde partij] en [benadeelde partij 1] , naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft op de zitting van 30 oktober 2025 de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder parketnummers 13/407010-24, 13/060896-23, 13/083932-23 en 13/116355-25 zijn aangebracht, gevoegd. De zaken zullen hierna met hun oorspronkelijke parketnummers worden aangeduid.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – samengevat en na een wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 30 oktober 2025 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
ten aanzien van de zaak met parketnummer 13/407010-24:
1. belaging van [benadeelde partij] in de periode van 27 juli 2024 tot en met 23 december 2024 te Amsterdam;
2. bedreiging van [benadeelde partij] in de periode van 27 juli 2024 tot en met
1 december 2024 te Amsterdam;
3. bedreiging van [benadeelde partij 1] in de periode van 27 juli 2024 tot en met 14 november 2024 te Amsterdam;
ten aanzien van de zaak met parketnummer 13/116355-25:
belaging van [benadeelde partij] in de periode van 1 maart 2025 tot en met 21 maart 2025 te Amsterdam.
ten aanzien van de zaak met parketnummer 13/060896-23:
heling van een (elektrische) fiets in de periode van 4 februari 2023 tot en met 28 februari 2023 te Amsterdam;
ten aanzien van de zaak met parketnummer 13/083932-23:
heling van een Phatfour E-bike op 17 november 2022 te Amsterdam;
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de zaak over de heling van de elektrische fiets op 17 november 2022 op het standpunt gesteld dat verdachte geen reden had om aan te nemen dat de fiets van diefstal afkomstig was, zodat hij van opzet- dan wel schuldheling dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft voor het overige geen bewijsverweer gevoerd.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van parketnummer 13/407010-24 feit 1 en 13/116355-25:
Bewezenverklaring belaging 2024 en 2025
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte op de zitting het volgende vast.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de periode van 27 juli 2024 tot en met 23 december 2024 een grote hoeveelheid e-mailberichten en brieven heeft gestuurd aan en een grote hoeveelheid voicemailberichten heeft achtergelaten voor [benadeelde partij] . Hij heeft daarnaast in de periode van 1 maart 2025 tot en met 21 maart 2025 e-mailberichten, brieven en heimelijk gemaakte foto’s gestuurd aan [benadeelde partij] . Verdachte heeft op de zitting bekend dat hij gedurende beide periodes [benadeelde partij] veelvuldig en op verschillende manieren heeft benaderd.
Door stelselmatig e-mailberichten te sturen afkomstig van zowel zijn eigen e-mailadressen als e-mailadressen van anderen, waarbij zijn naam onder de berichten staat, en door het versturen van (handgeschreven) brieven en kaarten en voicemailberichten, heeft verdachte op zeer obsessieve en intensieve wijze geprobeerd met [benadeelde partij] in contact te komen. Verdachte wist dat hij hiermee moest stoppen en liep in de periode van de belaging in 2025 in een schorsing voor de zaak van de belaging in 2024.
De rechtbank is van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van [benadeelde partij] zodanig zijn geweest dat naar objectieve maatstaven bezien van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. De invloed op de persoonlijke vrijheid van [benadeelde partij] is aanzienlijk geweest, blijkens de verklaringen van [benadeelde partij] . Ondanks dat verdachte een contactverbod opgelegd had gekregen vanwege de belaging in 2024, is hij [benadeelde partij] in 2025 blijven benaderen, wat de rechtbank heeft meegewogen om ook de stelselmatigheid van de periode in 2025 aan te nemen. De inbreuk had tot doel [benadeelde partij] vrees aan te jagen en te dwingen iets te doen.
De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan belaging van [benadeelde partij] in de periode van 27 juli 2024 tot en met 23 december 2024 (parketnummer 13/407010-24, feit 1) en in de periode van 1 maart 2025 tot en met 21 maart 2025 (parketnummer 13/407010-24), zoals hierna bij de bewezenverklaring naar voren komt.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit in beide zaken heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359 derde Pro lid van het Wetboek van Strafvordering, voor de bewezenverklaarde feiten in beide zaken met de in de
bijlage IIgenoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.
Ten aanzien van parketnummer 13/407010-24 feit 2 en feit 3:
Bewezenverklaring bedreigingen [benadeelde partij] en [benadeelde partij 1]
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte op de zitting vast dat verdachte in de periode van 27 juli 2024 tot en met 1 december 2024 [benadeelde partij] en in de periode van 27 juli 2024 tot en met 14 november 2024 [benadeelde partij 1] heeft bedreigd. De rechtbank concludeert dat feit 2 en feit 3 kunnen worden bewezen.
Omdat verdachte het bewezenverklaarde feit heeft bekend en de raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, kan, op grond van artikel 359 derde Pro lid van het Wetboek van
Strafvordering, voor deze bewezenverklaarde feiten met de in de
bijlage 2genoemde opgave van bewijsmiddelen worden volstaan.
Ten aanzien van 13/060896-23 en 13/083932-23:
Bewezenverklaring opzetheling elektrische fietsen op 17 november 2022 en in februari 2023
De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan twee keer opzetheling van een elektrische fiets. Zij overweegt hierover als volgt.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte in de zaak van 17 november 2022 via Marktplaats op straat een gestolen elektrische fiets heeft verkocht aan [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 2] heeft zich gemeld bij de politie en heeft verklaard dat hij op 17 november 2022 een fiets had gekocht van verdachte, maar dat hij hier geen goed gevoel bij had, omdat hij er achter kwam dat de normale prijs van de elektrische fiets een stuk hoger was. De rechtbank heeft in het verzoek om schadevergoeding van [benadeelde partij 2] ambtshalve kennis kunnen nemen van de bij dit verzoek gevoegde stukken. Hieruit volgt dat [benadeelde partij 2] via Marktplaats contact had met [naam 1] , maar dat de persoon die hem de fiets verkocht een man was. Deze man vertelde aan de koper dat de fiets werd weggedaan, omdat het gezin de week erna naar Cyprus zou verhuizen.
Uit de bewijsmiddelen in de zaak van februari 2023 komt naar voren dat verbalisanten op 28 februari 2023 twee mannen op straat zagen die een fiets vastmaakten in een bestelbusje. Na onderzoek bleek deze fiets gestolen te zijn. De koper van de fiets verklaarde dat verdachte zich op Marktplaats had voorgesteld als [naam 2] en dat hij de fiets wilde verkopen, omdat hij in juni naar Malta zou gaan.
Gelet op het feit dat de werkwijze in de verklaringen van beide kopers van de fietsen overeenkomt, houdt de rechtbank het ervoor dat verdachte in beide zaken zelf onder een valse naam op Marktplaats de gestolen fietsen te koop heeft aangeboden met het verhaal dat hij van de fietsen af wilde omdat hij naar een ander land zou vertrekken. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte berekenend te werk is gegaan en wist waar hij mee bezig was. Zijn verklaring ter zitting dat de fiets in de zaak van 17 november 2022 van een Marokkaanse jongen afkomstig was, die deze niet zelf zou kunnen verkopen, en dat verdachte dus niet wist dat deze fiets gestolen was, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Dat baseert de rechtbank op de hiervoor genoemde berekenende handelwijze van verdachte en het feit dat hij geen nadere informatie over [naam 3] heeft verstrekt.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het daarom niet anders zijn dan dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen en overdragen van beide elektrische fietsen wist dat deze van misdrijf afkomstig waren. Aldus heeft verdachte zich in beide zaken schuldig gemaakt aan opzetheling.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de
bijlage IIvervatte bewijsmiddelen bewezen dat
verdachte:
ten aanzien van de zaak met parketnummer 13/407010-24:
feit 1:
in de periode van 27 juli 2024 tot en met 23 december 2024 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] , door veelvuldig e-mailberichten met dreigende teksten te sturen naar die [benadeelde partij] en veelvuldig voicemailberichten met dreigende teksten in te spreken bij die [benadeelde partij] en een handgeschreven brief te sturen naar die [benadeelde partij] met het oogmerk die [benadeelde partij] , te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen.
feit 2:
in de periode van 27 juli 2024 tot en met 1 december 2024 in Nederland, meermalen [benadeelde partij] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door die [benadeelde partij] in voicemailberichten dreigend de woorden toe te voegen "Als je voor me zou staan zou ik al je kankertanden uit je bek rossen" en "Daar laat ik je verschrikkelijk voor boeten" en "Ik laat jou fucking kankerhard terugpakken" en "Eigenlijk wil ik je helemaal afrossen... Ik kom je sneller tegen dan je denkt" en "Ik geef nooit op. Al moeten er lijken voor vallen".
feit 3:
in de periode van 27 juli 2024 tot en met 14 november 2024 in Nederland, meermalen [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door in audioberichten en e-mailberichten aan de partner van die [benadeelde partij 1] dreigend de woorden toe te voegen "Jouw vriendje heeft dadelijk een PROBLEEM!" en "Hij kan maar beter even gaan schuilen!" en "en dan mag je die schijt Antiliaan van je meenemen, maar die jaag ik gelijk een kankerkogel door z'n kop, geloof me".
ten aanzien van de zaak met parketnummer 13/116355-25:
in de periode van 1 maart 2025 tot en met 21 maart 2025 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij] door aan haar meermalen e-mailberichten met dreigende teksten en heimelijk gemaakte foto's van die [benadeelde partij] te sturen en meermalen handgeschreven kaarten met dreigende teksten te sturen met het oogmerk die [benadeelde partij] , te dwingen iets te doen en vrees aan te jagen.
ten aanzien van de zaak met parketnummer 13/060896-23:
in de periode van 4 februari 2023 tot en met 28 februari 2023 te Amsterdam, een elektrische fiets (Phatfour Flb+ Serie 87-C), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
ten aanzien van de zaak met parketnummer 13/083932-23:
op 17 november 2022 te Amsterdam, een Phatfour E-bike (model Flb+ 87 Mz met framenummer [nummer] ), voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

5.De strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

6.1.
Het standpunt van de verdediging
Ten aanzien van 13/060896-23: heling in februari 2023
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt en verdachte daarom van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen. Hiertoe heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte door externe druk, namelijk door de bedreigingen van anderen, is gedwongen om de fiets te verkopen en dat verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en hoefde te bieden tegen deze externe druk.
6.2.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de stelling van verdachte dat hij werd bedreigd door ‘ [naam] ’ om de fiets te verkopen onvoldoende aannemelijk is geworden.
Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij door een persoon genaamd “ [naam] ” en een paar andere jongens is bedreigd en onder druk is gezet om de fiets te verkopen. Tijdens het politieverhoor op 28 februari 2023 heeft verdachte een aantal screenshots van chatberichten overgelegd, waaruit zou blijken dat ‘ [naam] ’ geld wilde hebben van verdachte. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat ‘ [naam] ’ het geld wilde ontvangen voor de verkoop van de fiets.
De rechtbank acht het niet onaannemelijk dat verdachte op enig moment onder druk zou zijn gezet, maar uit het dossier blijkt dat die dreiging pas zou hebben plaatsgevonden nadat verdachte door de politie was onderschept. In de chatberichten is immers te lezen dat hij aan “ [naam] ” een bericht heeft gestuurd dat hij “geveegd” is, waaruit kan worden opgemaakt, mede gelet op de eigen verklaring van verdachte, dat deze gesprekken tussen verdachte en “ [naam] ” hebben plaatsgevonden na de mislukte overdracht van de gestolen fiets. Hiermee is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verdachte voorafgaand aan de verkoop van de fiets onder druk is gezet, waardoor er op het moment van de verkoop en (voorgenomen) overdracht van de fiets geen sprake was van dreiging.
Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het beroep op psychische overmacht. De verdachte is daarom strafbaar, omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7.De strafmotivering

7.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur
van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar, wordt opgelegd. De officier van justitie heeft gevorderd dat aan het voorwaardelijk deel van de straf als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een contactverbod met [benadeelde partij] en [benadeelde partij 1] en een locatieverbod (met aansluiting van elektronische monitoring) worden gekoppeld. Daarnaast heeft de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht een contactverbod gevorderd voor de duur van drie jaren met [benadeelde partij] en [benadeelde partij 1] en een locatieverbod voor de gemeente Amsterdam. Ook heeft zij gevorderd te bepalen dat verdachte zijn dochter [naam 4] alleen mag zien onder toezicht van de jeugdreclassering. De officier van justitie heeft gevorderd deze maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. De verdediging verzet zich niet tegen een contactverbod met [benadeelde partij] en [benadeelde partij 1] en een meldplicht als bijzondere voorwaarde. Wel verzet de verdediging zich tegen het gevorderde locatieverbod (met elektronische monitoring), omdat hij een locatieverbod in heel Amsterdam niet passend vindt.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich gedurende bijna een half jaar schuldig gemaakt aan stalking van zijn ex-partner [benadeelde partij] . Verdachte heeft vanaf het moment dat hij zijn dochter niet langer mocht zien op een zeer indringende en dreigende manier veelvuldig contact gezocht met [benadeelde partij] . [benadeelde partij] heeft via haar advocaat duidelijk gemaakt dat zij geen contact meer wenste. Verdachte is desondanks doorgegaan met het zoeken van contact met haar, door onder meer veel te mailen en voicemailberichten in te spreken, met beledigende of dreigende toon en inhoud. Verdachte heeft zelfs na dat hij geschorst was uit de voorlopige hechtenis met als voorwaarde een contactverbod veel e-mails met stiekem gemaakte foto’s en handgeschreven kaarten naar [benadeelde partij] gestuurd. Hij heeft, naast het belagen en bedreigen van haar, ook dreigende woorden ingesproken over [benadeelde partij 1] , de partner van [benadeelde partij] . Als gevolg van het handelen van verdachte heeft [benadeelde partij] zich erg onveilig gevoeld door continu in angst te leven. Dit geldt ook voor haar partner [benadeelde partij 1] die veel stress en angst heeft ervaren door het handelen van verdachte. De impact van het handelen van verdachte blijkt ook uit de slachtofferverklaringen die op de zitting namens [benadeelde partij] en [benadeelde partij 1] zijn voorgelezen. Daarmee heeft verdachte een ernstig inbreuk gemaakt op hun persoonlijke levenssfeer en dat rekent de rechtbank verdachte aan.
Daarnaast heeft verdachte zich in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan opzetheling van twee fatbikes door deze voorhanden te hebben dan wel te verkopen, terwijl hij wist dat die fatbikes van diefstal afkomstig waren. Dit zijn vervelende feiten, die naast overlast en hinder ook financiële schade veroorzaken voor de gedupeerden. Verdachte houdt ook met zijn handelen de afzetmarkt voor gestolen voorwerpen in stand. Tot slot heeft verdachte met zijn handelen getoond geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 december 2025. Verdachte is in het verleden niet eerder veroordeeld voor belaging of bedreiging. Uit het strafblad volgt dat verdachte wel regelmatig is veroordeeld voor verschillende vermogensdelicten. Verder is verdachte zeer recent - op 9 januari 2026 - door de rechtbank Noord-Holland veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand vanwege een vermogensdelict. Na het begaan van de bij dit vonnis bewezenverklaarde feiten is verdachte dus veroordeeld. De rechtbank moet daarom rekening houden met welke straf zou zijn opgelegd als deze zaken gelijktijdig zouden zijn behandeld (artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht).
De rechtbank heeft daarnaast kennis genomen van de rapportages die over verdachte zijn opgesteld, waaronder het psychologisch onderzoek van 6 mei 2025, het psychologisch onderzoek van 28 juli 2025 en het advies van Reclassering Nederland van 27 augustus 2025. Hieruit blijkt – kort gezegd – dat de verbroken relatie tussen verdachte en [benadeelde partij] en het ontbreken van de omgang met hun dochter een grote rol heeft gespeeld bij de belaging en bedreiging. In hoeverre het psychosociaal functioneren van verdachte een rol heeft gespeeld bij het begaan van de bewezen geachte feiten kan de reclassering niet inschatten, omdat hij, ondanks dat hij had gezegd wel mee te werken na een eerste weigerrapport, uiteindelijk toch niet heeft meegewerkt aan het psychologisch onderzoek.
Daarnaast heeft de reclassering gerapporteerd dat de kans op recidive als hoog wordt ingeschat en dat er geen mogelijkheden zijn voor gedragsverandering door een behandeling nu verdachte niet gemotiveerd is om een behandeling te volgen. De reclassering ziet wel meerwaarde in het voortzetten van een contact- en locatieverbod om de risico's te beheersen. De inzet van elektronische monitoring is een controlemiddel en daarnaast zal het voor verdachte een extra stok achter de deur zijn om zich aan het locatieverbod te houden. De reclassering adviseert daarom om bij een veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: contactverbod en locatieverbod (met elektronische monitoring). De reclassering adviseert tevens dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht daarop, omdat de kans op een misdrijf met schade voor personen groot is.
Op te leggen straf
Bij het bepalen van de op te leggen straf beoogt de rechtbank recht te doen aan de ernst van de feiten en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers, rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt opgelegd. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat zowel aan de maatschappij als aan verdachte een signaal dient te worden gegeven dat dergelijke gedragingen niet kunnen worden getolereerd en een gevangenisstraf de enige passende straf is.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat, conform de strafeis, een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, passend en geboden is. De rechtbank ziet, mede gelet op het reclasseringsadvies, aanleiding als bijzondere voorwaarde op te leggen een meldplicht bij de reclassering. Daarnaast legt de rechtbank een contactverbod – direct of indirect – op met [benadeelde partij] , [benadeelde partij 1] en dochter [naam 4] . Dat contactverbod met [naam 4] geldt, tenzij tussen [benadeelde partij] en verdachte een omgangsregeling wordt overeenkomen of een civiele rechter anders bepaalt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vordering van de officier van justitie om te bepalen dat verdachte zijn dochter [naam 4] alleen mag zien onder toezicht van de jeugdreclassering toe te wijzen, omdat dit een beslissing is die bij de civiele rechter thuis hoort. De rechtbank legt ook een locatieverbod op voor het stadsdeel [stadsdeel] , met uitzondering van de snelweg A10, met elektronische monitoring, zodat verdachte zich niet in de buurt van [benadeelde partij] , [benadeelde partij 1] en [naam 4] kan begeven, maar wel in andere delen van Amsterdam. Hiermee wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, anderzijds wordt deze straf opgelegd voor het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Gaat verdachte opnieuw in de fout, dan dient hij er ernstig rekening mee te houden dat hij opnieuw naar de gevangenis moet.
Artikel 38v Sr - Contact- en locatieverbod
De rechtbank legt aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregelen op grond van artikel 38v Sr een
contactverbodmet de slachtoffers [benadeelde partij] , [benadeelde partij 1] en dochter [naam 4] en een
locatieverbod(met elektronische monitoring) op. Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze, direct of indirect, contact mag opnemen met [benadeelde partij] en [benadeelde partij 1] . Datzelfde geldt voor dochter [naam 4] , tenzij tussen [benadeelde partij] en verdachte een omgangsregeling wordt overeenkomen of een civiele rechter anders bepaalt. De rechtbank beperkt ook dit locatieverbod tot het stadsdeel [stadsdeel] waar [benadeelde partij] woont, met uitzondering van de snelweg A10.
De rechtbank bepaalt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van één week voor iedere keer dat niet aan deze maatregelen wordt voldaan, met een maximum van zes maanden. De rechtbank acht oplegging van deze maatregelen noodzakelijk, zodat het risico dat verdachte zich opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit jegens het slachtoffer wordt ingeperkt.
Dadelijke uitvoerbaarheid bijzondere voorwaarden en vrijheidsbeperkende maatregelen
Gelet op het door de reclassering gestelde gevaar voor herhaling, houdt de rechtbank er ernstig rekening mee dat verdachte een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam en dat hij zich belastend zal gedragen jegens [benadeelde partij] , [benadeelde partij 1] en zijn dochter [naam 4] . De rechtbank zal daarom bepalen dat de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregelen, en de bijzondere voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Een kaart van het stadsdeel [stadsdeel] is opgenomen in
bijlage IIIdie aan dit vonnis is gehecht.

8.Beslag

Onder verdachte zijn in de zaak met parketnummer 13/407010-24 de volgende voorwerpen in beslag genomen:
- Eén mes (goednummer: G6598901);
- Eén gsm (goednummer: G6598620);
- Eén gsm (goednummer: G6598619).
8.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het in beslaggenomen mes (goednummer G6598901) moet worden onttrokken aan het verkeer. De in beslaggenomen gsm’s (goednummers G6598620 en G6598619) dienen te worden teruggegeven aan de rechthebbende.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de inbeslaggenomen
goederen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het in beslaggenomen mes (goednummer G6598901) onttrekken aan het verkeer, aangezien dit voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar het in parketnummer 13/407010-24 onder feit 1 door verdachte begane feit en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De rechtbank zal de teruggave gelasten aan de rechthebbende van:
- Eén gsm (goednummer: G6598620);
- Eén gsm (goednummer: G6598619).

9.Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

9.1.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij, [benadeelde partij] , vordert een totaalbedrag van € 3.500,-. bestaande uit een immateriële schadevergoeding, als gevolg van de belaging en de bedreiging, met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Tevens heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij [benadeelde partij] voorwaardelijk verzocht om een schadevergoeding in natura, waarbij zij namens [benadeelde partij] vordert dat aan verdachte een contact- en gebiedsverbod wordt opgelegd, op straffe van een dwangsom van € 500,- per overtreding, als de rechtbank die verboden niet als straf of maatregel oplegt.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding van de
benadeelde partij te matigen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, aangezien deze voldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat verdachte rechtstreeks immateriële schade aan de benadeelde partij [benadeelde partij] heeft toegebracht. Als gevolg van de belaging en bedreiging is stelselmatig en opzettelijk inbreuk gemaakt op de privacy van de benadeelde. [benadeelde partij] heeft veel last ondervonden van de belaging en bedreiging door verdachte. Zij heeft gedurende een lange periode een grote hoeveelheid aan e-mails, brieven, kaarten en voicemailberichten met bedreigende inhoud van verdachte ontvangen. Ook heeft verdachte heimelijk gemaakte foto's van de benadeelde partij aan haar gestuurd, hetgeen voor haar zeer beangstigend is geweest. [benadeelde partij] heeft hierdoor het gevoel gekregen dat zij niet veilig was. Zij was ten tijde van de belagingen en bedreiging onder behandeling bij [praktijk] , waarbij zij met haar behandelaar heeft gesproken over de belaging en bedreiging. De rechtbank komt tot de conclusie dat er, gelet op de aard en ernst van de normschending en de genoemde gevolgen die de benadeelde partij heeft ondervonden, sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Dit betekent dat de immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt. De benadeelde heeft daarom op grond van artikel 6:106 eerste Pro lid en onder b van het Burgerlijk Wetboek recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van deze schade.
De rechtbank acht, gelet op de aard, de ernst en intensiteit van de bewezen geachte feiten, gezien de onderliggende onderbouwing van de vordering, en rekening houdend met de geldbedragen die in vergelijkbare gevallen worden toegerekend en de bedragen zoals opgenomen in de Rotterdamse Schaal 2025 voor belaging (categorie b ‘ernstige belaging’), de toewijzing van een geldbedrag van € 2.500,- billijk. Ten aanzien van het meer gevorderde zal de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk verklaren.
Concluderend wordt een bedrag van
€ 2.500,-toegewezen als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 november 2024 (datum eerste aangifte van belaging en bedreiging) tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een schadevergoeding in natura op te leggen, zoals door de raadsvrouw is verzocht. Hierbij overweegt de rechtbank dat aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregelen al een contact- en locatieverbod worden opgelegd zodat deze voorwaardelijke vordering niet meer aan de orde is.
Verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Daarnaast zal de rechtbank in het belang van de benadeelde partij als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opleggen.
9.2.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij, [benadeelde partij 1] , vordert een totaalbedrag van € 650,-. bestaande uit immateriële schade, als gevolg van de bedreiging, met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Tevens heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij voorwaardelijk verzocht om een schadevergoeding in natura, waarbij zij namens [benadeelde partij 1] vordert dat aan verdachte een contact- en gebiedsverbod wordt opgelegd, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per overtreding, als de rechtbank die verboden niet als straf of maatregel oplegt..
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de gevorderde immateriële schadevergoeding van de
benadeelde partij te matigen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, aangezien deze voldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
[benadeelde partij 1] heeft veel last ondervonden van de bedreiging, die in de context is gedaan van de langdurige stalking van zijn partner [benadeelde partij] . Hij heeft de dreigende uitlatingen van verdachte gedurende een lange periode moeten ondergaan. De rechtbank komt tot de conclusie dat er, gelet op de aard en ernst van de normschending en de genoemde gevolgen die de benadeelde partij heeft ondervonden, sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze, waardoor vergoeding van immateriële schade kan worden toegewezen.
De rechtbank acht, gelet op de aard, de ernst en intensiteit van het feit, de toewijzing van een schadebedrag van € 250,- billijk. Het meer gevorderde zal de rechtbank niet-ontvankelijk verklaren.
Concluderend wordt een bedrag van
€ 250,-toegewezen als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een schadevergoeding in natura op te leggen, zoals door de raadsvrouw is verzocht. Hierbij overweegt de rechtbank dat aan verdachte als vrijheidsbeperkende maatregelen al een contact- en gebiedsverbod worden opgelegd, zodat deze voorwaardelijke vordering niet meer aan de orde is.
Schadevergoedingsmaatregel
Daarnaast zal de rechtbank in het belang van de benadeelde partij als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opleggen.
9.3.
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij, [benadeelde partij 2] , vordert een totaalbedrag van € 1.300,-. bestaande uit een materiële schadevergoeding, met toekenning van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het bedrag van € 1.300,- is het bedrag dat de benadeelde partij heeft betaald voor de elektrische fiets die hij van verdachte heeft gekocht. Deze fiets is door de politie inbeslaggenomen.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de gevorderde materiële schadevergoeding van de benadeelde partij af te wijzen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel toe te wijzen, inclusief wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, aangezien deze voldoende is onderbouwd.
Het oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank komt de gevorderde materiële schadevergoeding voor
vergoeding in aanmerking, aangezien de benadeelde partij [benadeelde partij 2] het door hem aan verdachte betaalde geldbedrag voor de gestolen fiets kwijt is, terwijl hij daarvoor geen fiets heeft ontvangen, waardoor hem rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank wijst daarom het gevorderde bedrag van € 1.300,- toe.
Concluderend wordt een bedrag van
€ 1.300,-toegewezen als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 november 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.
Verdachte zal worden veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Daarnaast zal de rechtbank in het belang van de benadeelde partij als extra waarborg voor betaling aan hem de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opleggen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 38v, 38w, 57, 63, 285, 285b en 416 Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder feit 1, 2 en 3 in de zaak met parketnummer 13/407010-24 en het onder parketnummers 13/060896-23, 13/083932-23 en 13/116355-25 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan
hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van parketnummer 13/407010-24 feit 1 en parketnummer 13/116355-25:
telkens: belaging
ten aanzien van parketnummer 13/407010-24 feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling
ten aanzien van parketnummer 13/407010-24 feit 3:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
ten aanzien van parketnummers 13/060896-23 en 13/083932-23:
telkens: opzetheling
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
8 (acht) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die
straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf, niet ten
uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
3 (drie) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de
proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de
hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.
Stelt als
bijzondere voorwaardendat veroordeelde:
Meldplicht bij reclassering
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering op het adres [adres] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.
Contactverbod
op geen enkele wijze - direct of indirect – contact heeft of zoekt met aangeefster,
[benadeelde partij] (geboren op [geboortedag 2] 1986) en aangever [benadeelde partij 1] (geboren op [geboortedag 3] 1973) zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt en met [naam 4] (geboren op [geboortedag 4] 2021), tenzij tussen [benadeelde partij] en de veroordeelde een omgangsregeling wordt overeenkomen of een civiele rechter anders bepaalt.
Locatieverbod
zich niet in het stadsdeel [stadsdeel] bevindt, met uitzondering van de snelweg A10. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod.
De veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat de veroordeelde in Nederland blijft. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen. De elektronische monitoring wordt bij voorkeur aangesloten voordat veroordeelde de P.I. verlaat.
Een kaart van het stadsdeel [stadsdeel] is opgenomen in
bijlage IIIdie aan dit vonnis is gehecht.
Geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van
de voorwaarde en veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat veroordeelde gedurende de proeftijd:
1. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
2. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde zich
belastend zal gedragen jegens [benadeelde partij] en [benadeelde partij 1] beveelt de rechtbank, gelet op artikel
14e Wetboek van Strafrechtdat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaarzijn.
Legt op
de maatregeldat veroordeelde:
- zich voor de duur van
5 (vijf) jarenzal
onthouden van contact— direct of indirect — met: [benadeelde partij] , geboren op [geboortedag 2] 1986, [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 3] 1973 en [naam 4] , geboren op [geboortedag 4] 2021, tenzij tussen [benadeelde partij] en verdachte een omgangsregeling wordt overeenkomen of een civiele rechter anders bepaalt.
- zich voor de duur van
5 (vijf) jarenzich
niet zal ophoudenbinnen
in het stadsdeel [stadsdeel] , met uitzondering van de snelweg A10. De veroordeelde werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatieverbod.
Een kaart van het stadsdeel [stadsdeel] is opgenomen in
bijlage IIIdie aan dit vonnis is gehecht.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de
maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt
1 (één) weekvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan,
met een maximum van 6 (zes) maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichting ingevolge de
opgelegde maatregel niet op.
Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde zich
belastend zal gedragen jegens [benadeelde partij] en [benadeelde partij 1] beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregelen
dadelijk
uitvoerbaar zijn.
Heft ophet bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop deze gelijk is aan de onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
Beslag
Verklaart
onttrokken aan het verkeer:
- Eén stuk mes (goednummer G6598901)
Gelast de
teruggaveaan [verdachte] van de volgende voorwerpen:
- Eén stuk gsm (goednummer: G6598620);
- Eén stuk gsm (goednummer: G6598619).
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij]
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro)als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 november 2024 tot aan de dag van de voldoening.
De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige
deel niet-ontvankelijk.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van, [benadeelde partij] , aan de Staat
€ 2.500,- (tweeduizend vijfhonderd euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 november 2024 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 25 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van
€ 250,- (tweehonderdvijftig euro)als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2024 tot aan de dag van de voldoening.
De rechtbank verklaart de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van het overige
deel niet-ontvankelijk.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van, [benadeelde partij 1] , aan de Staat
€ 250,-
(tweehonderdvijftig euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 november 2024 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 2 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van
€ 1.300,- (dertienhonderd euro)als vergoeding voor materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 november 2022 tot aan de dag van de voldoening.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve
van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van, [benadeelde partij 2] , aan de Staat
€ 1.300,-
(dertienhonderd euro)te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 17 november 2022 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 13 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B. Vogel, voorzitter,
mrs. C. Bruil en M. Smayel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. van Tellingen, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 februari 2026.
[--]
[--]
[--]