ECLI:NL:RBAMS:2026:1671

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
779510 - FA RK 25/9185
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 lid 1 WvggzArt. 10:11 WvggzArt. 3:2 WvggzArt. 2:5 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen beslissing klachtencommissie inzake verplichte zorg en schadevergoeding

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van de klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken, die zijn klacht over de toepassing van verplichte zorg in de vorm van opname in een accommodatie ongegrond verklaarde en zijn verzoek om schadevergoeding afwees.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoeker in 2023 een zorgmachtiging kreeg voor verplichte zorg, waaronder medicatie en opname. Ondanks pogingen tot ambulante behandeling verbrak verzoeker het contact met zorgverleners, waarna opname noodzakelijk werd geacht. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat de opname doelmatig was en bijdroeg aan stabilisatie.

Verzoeker stelde dat de verplichte zorg onrechtmatig was vanwege het ontbreken van ernstig nadeel, subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid, en dat zijn behandelwensen werden genegeerd. De rechtbank vond echter voldoende onderbouwing voor de zorgaanbieder en volgde diens oordeel over de ernst van de situatie en de noodzaak van opname.

De rechtbank concludeerde dat de klachten ongegrond zijn en wees het verzoek om schadevergoeding af. De beschikking is gegeven door rechter K.M. van Hassel op 16 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af wegens rechtmatige toepassing van verplichte zorg.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd
zaaknummer / rekestnummer: C/13/779510 – FA RK 25/9185
Beslissing over een klacht en schadevergoeding ex artikel 10:7 lid 1 en Pro 10:11 van de Wet
verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).
Beschikking van 26 januari 2026van de rechtbank Amsterdam op het ingediende verzoekschrift van:
[verzoeker] ,
geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats] ( Afghanistan ),
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
zorgaanbieder: GGZ inGeest,
hierna te noemen: verzoeker,
advocaat: mr. M.J. Kikkert te Amsterdam,
tegen de beslissing van de klachtencommissie GGZ Amsterdam en omstreken (hierna: de klachtencommissie) van 20 oktober 2025.
Als belanghebbende in deze procedure wordt aangemerkt:
de zorgaanbieder GGZ inGeest,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de zorgaanbieder.

1.Procesverloop

1.1.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen door de griffie op 26 november 2025;
- het verweerschrift van GGZ inGeest, ontvangen door de griffie op 9 december 2025;
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 19 januari 2026 in het gebouw van de rechtbank. Tijdens de mondelinge behandeling waren aanwezig, en zijn gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- mw. [persoon 1] , juridisch adviseur bij de zorgaanbieder;
- mw. E. Kilic , psychiater;
- mw. [persoon 2] , casemanager bij de zorgaanbieder.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van 18 december 2023 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoeker een zorgmachtiging verleend voor de duur van zes maanden. De zorgmachtiging voorziet onder meer in de mogelijkheid bij wijze van verplichte zorg te kunnen overgaan tot het toedienen van medicatie en het opnemen in een accommodatie.
2.2.
Op 29 december 2023 en 26 februari 2025 is verzoeker schriftelijk in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van verplichte zorg. In de brief van 26 februari 2025 is onder meer “opnemen in een accommodatie” aangekruist als aan de verzoeker te verlenen vorm van verplichte zorg.
2.3.
Op 22 september 2025 heeft verzoeker bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen de zorgaanbieder. Verzoeker klaagt over kort gezegd, de toepassing van verplichte zorg in de vorm van opnemen in een accommodatie en de omstandigheid dat hij niet de gelegenheid heeft gekregen een eigen plan van aanpak in te dienen. Ook heeft verzoeker een schadevergoeding gevraagd.
2.4.
De zorgaanbieder heeft verweer gevoerd tegen de klacht.
2.5.
De klachtencommissie heeft op 20 oktober 2025 de klacht van verzoeker ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. De beslissing is op 27 oktober 2025 aan verzoeker toegezonden.

3.Het verzoek

3.1.
Verzoeker heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen de beslissing van de klachtencommissie. Hij heeft verzocht
- de beslissing van de klachtencommissie te vernietigen,
- te verklaren dat de in februari 2024 toegepaste verplichte zorg, met name de gedwongen opname en de toediening van medicatie, in strijd was met de Wvggz omdat niet voldaan was aan de artikelen 3:2 tot en met 2:5 daarvan,
- de zorgaanbieder te veroordelen tot het betalen van een billijke schadevergoeding aan verzoeker wegens de immateriële schade die hij geleden heeft,
- de zorgaanbieder te veroordelen in de kosten.
3.2.
De zorgaanbieder heeft verweer gevoerd.

4.De standpunten

Verzoeker
4.1.
Verzoeker stelt dat de beslissing van de klachtencommissie berust op een onjuiste rechtstoepassing en gebrekkige motivering. Het toepassen van verplichte zorg in de vorm van de opname in een accommodatie was onrechtmatig omdat niet voldaan was aan de vereisten van ernstig nadeel, subsidiariteit, proportionaliteit en doelmatigheid. Ten onrechte is de zorgaanbieder en de klachtencommissie uitgegaan van ernstig nadeel, terwijl geen sprake was van bewezen suïcidaliteit, maatschappelijke teloorgang of verwaarlozing of ernstige psychische schade. Minder ingrijpende middelen (zoals een second opinion en gesprekstherapie) zijn niet onderzocht en toegepast en de maatregel was niet proportioneel. De aannames van de zorgaanbieder en de klachtencommissie over de diagnose en het verwachten effect van de medicatie is onhoudbaar en medicatie heeft de kernklachten niet verbeterd, terwijl behandelwensen van verzoeker zijn genegeerd.
4.2.
Verzoeker heeft ter zitting benadrukt dat naar zijn mening onvoldoende is ingegaan op de kern van zijn problematiek, waardoor een gedwongen opname niet noodzakelijk was.
4.3.
Ter zitting heeft de advocaat van verzoeker nog benadrukt dat er tijdens de behandelingen niet voldoende naar verzoeker is geluisterd. Volgens verzoeker was er sprake van cognitieve problematiek, die door de behandelaren vrijwel direct is geduid als een psychose. Verzoeker had behoefte aan nader onderzoek en gesprekken om te kijken naar de aard en achtergrond van zijn klachten. Er bestond derhalve een duidelijk verschil in de ervaren hulpbehoefte. Vanuit deze discrepantie is verzoeker uiteindelijk gedwongen opgenomen. De advocaat stelt dat verzoeker zich onvoldoende herkend voelde in zijn klachten, hetgeen heeft geleid tot discussies, zonder dat daarover een inhoudelijk gesprek is gevoerd. In de medische verklaring en de rapportages die aan de opname ten grondslag hebben gelegen zijn gaandeweg steeds zwaardere kwalificaties opgenomen, zoals katatonie. De problematiek is daarmee ernstiger gepresenteerd dan volgens verzoeker gerechtvaardigd was en had de situatie destijds anders kunnen worden aangepakt, met meer aandacht voor en beter luisteren naar de wijze waarop verzoeker zijn klachten presenteerde.
Zorgaanbieder
4.4.
De zorgaanbieder heeft aangevoerd dat verzoeker niet ontvankelijk moet worden verklaard omdat het verzoekschrift niet door een advocaat is ingediend. De zorgaanbieder heeft bestreden dat aan de uitgangspunten en voorwaarden en doelen van het toepassen van de bestreden vorm van verplichte zorg niet is voldaan. Op de standpunten van de zorgaanbieder wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift tijdig is ontvangen zodat verzoeker – die gedurende de procedure zich heeft gewend tot een advocaat – daarin kan worden ontvangen. De rechtbank stelt, mede op basis van de toelichting ter zitting, vast dat het beroep geen betrekking heeft op de klacht over het niet mogen aanleveren van een eigen plan van aanpak. Ook voor zover de klachten die verzoeker in zijn uitvoerige beroepschrift heeft opgenomen, verder reiken dan de klachten die bij de klachtencommissie zijn ingediend, kan hij daarin niet worden ontvangen
5.2.
De rechtbank verklaart het beroep van verzoeker ongegrond. Zij overweegt het volgende.
5.3
Uit het dossier blijkt dat verzoeker in 2023 was gediagnostiseerd met een psychische stoornis, op basis waarvan de rechtbank destijds de zorgmachtiging - die nu niet ter beoordeling voorligt - heeft verleend. Ter zitting heeft de zorgaanbieder toegelicht dat deze diagnose vervolgens voortdurend is getoetst en dat bij verzoeker ten tijde van de opname nog steeds sprake was van een psychotische stoornis. Onder meer in het verweerschrift heeft de zorgaanbieder voldoende toegelicht op welke grondslag de beslissing om daadwekelijk tot verplichte zorg over te gaan, destijds is genomen (kort gezegd, bestaande uit verschillende huisbezoeken, eigen diagnostiek, observaties tijdens de behandelfase en overleg met de familie). De zorgaanbieder heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er bij verzoeker destijds sprake was van een zorgelijk toestandsbeeld, dat werd gekenmerkt door achterdocht, angst en sociaal terugtrekgedrag. Verzoeker trok zich terug, hetgeen volgens de psychiater passend is bij een psychotisch beeld. Op basis hiervan is overgegaan tot een opname, welke als doelmatig werd beoordeeld.
5.4.
De zorgaanbieder heeft uitgelegd dat ambulante behandeling in een vrijwillig kader, ondanks dat dit wel gepoogd was, niet van de grond was gekomen. Vanaf september 2023 verbrak betrokkene het contact met het behandelteam. De schriftelijke melding aan verzoeker van 29 december 2023 dat tot verplichte zorg zou worden overgegaan, maakte niet dat betrokkene alsnog contact met zijn zorgverleners opnam of startte met medicatie. Tijdens verschillende huisbezoeken in januari 2024 lukte het de casemanager niet om contact te leggen met verzoeker. Zijn opleiding was gestagneerd, contact met familie was verbroken en vanuit het sociale domein kwam het bericht dat hij zich suïcidaal uitliet. Eind februari 2024 is vervolgens de beslissing tot toepassing van verplichte zorg, zo heeft de zorgaanbieder toegelicht, uitgebreid met de zorgvorm ‘opname in een accommodatie’. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat zij daarbij zorgvuldig te werk is gegaan en zoveel mogelijk rekening heeft gehouden met de wensen van verzoeker. Zo is toen uitdrukkelijk, vanwege de wens van verzoeker om niet in dezelfde instelling te worden behandeld, uitgeweken naar de afdeling psychiatrie van het AMC, alwaar ook de indicatie voor de opname is gesteld en verzoeker op de High Intensive Care afdeling is geplaatst.
5.5.
De rechtbank begrijpt dat betrokkene zich nog altijd in de diagnose die heeft geleid tot deze plaatsing, niet kan vinden, net zo min in het oordeel dat de stoornis destijds leidde tot ernstig nadeel. Hij meent dat minder verstrekkende oplossingen mogelijk waren. De rechtbank ziet echter, op basis van de stukken in het dossier en de toelichting van de psychiater op de zitting, geen aanleiding om te twijfelen aan de beoordelingen van de zorgaanbieder.
5.6
De rechtbank volgt ook de toelichting van de zorgaanbieder, waar deze heeft toegelicht dat de opname in dit geval heeft bijgedragen aan stabilisatie van het toestandsbeeld van betrokkene en dat deze, mede gelet op de waargenomen verbetering tijdens de opname, als doelmatig kan worden aangemerkt. Verzoeker knapte, zo heeft de psychiater ter zitting nog eens toegelicht, mede door medicatie bovendien relatief snel op. Hij kon zijn studie weer hervatten en de relatie met familie herstelde. De zorgaanbieder heeft bovendien voldoende toegelicht, en de rechtbank volgt de zorgaanbieder ook daarin, dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit steeds in acht zijn genomen.
5.4.
De rechtbank is, net als de klachtencommissie, dan ook van oordeel dat de klachten van verzoeker ongegrond zijn. Daarom is er evenmin aanleiding voor het toekennen van de verzochte schadevergoeding. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding dan ook af.

6.Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de klachten van verzoeker ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze beschikking is gegeven door mr. K.M. van Hassel, rechter, bijgestaan door L.F. Datema als griffier op 16 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.