ECLI:NL:RBAMS:2026:1743

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
26/516
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen verbod namen ambtenaren te noemen tijdens raadsvergadering niet-ontvankelijk

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het verbod van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam om tijdens een raadsvergadering namen van ambtenaren te noemen. Dit verbod werd mondeling door de voorzitter en schriftelijk in het verslag van de raadscommissie meegedeeld. Verzoeker stelt dat dit verbod zijn inspreekrecht beperkt en acht het onrechtmatig.

De voorzieningenrechter beoordeelt of het verbod kwalificeert als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens artikel 1:3 Awb Pro moet een besluit een schriftelijke publiekrechtelijke rechtshandeling zijn. De rechtbank oordeelt dat het verbod een zuiver interne, feitelijke handeling betreft en geen besluit is. Dit geldt zowel voor de mondelinge mededeling, het verslag als de e-mail van de raadsgriffie.

Omdat er geen besluit in de zin van de Awb is, is het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af zonder inhoudelijke beoordeling en ziet geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het verbod geen besluit in de zin van de Awb is.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/516

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Verzoeker voert aan dat zijn inspreekrecht tijdens de raadsvergadering van
12 februari 2026 zal worden beperkt omdat hij geen namen van ambtenaren mag noemen of tot personen herleidbare functies. Deze beslissing is verzoeker meegedeeld door de voorzitter tijdens het inspreken op de raadsvergadering op 15 januari 2026 en schriftelijk vastgelegd in het verslag van de raadscommissie. Verzoeker vindt deze inperking onrechtmatig. Hij heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat hij tijdens de raadsvergadering op 12 februari 2026 namen en functies van ambtenaren mag noemen die vanuit hun functie naar buiten treden. [2]
3. Uit artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) connexiteit. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen. [3] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb
niet-ontvankelijk verklaren.
4. De vraag die bij de voorzieningenrechter voorligt, is of de beslissing van verweerder om verzoeker te verbieden namen van ambtenaren te noemen tijdens de raadsvergadering te kwalificeren is als een besluit in de zin van de Awb.
5. In artikel 1:3 van Pro de Awb is bepaald dat onder besluit verstaan moet worden een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
6. De beslissing van verweerder om verzoeker te verbieden namen van ambtenaren te noemen, is aan te merken als een beslissing gericht op feitelijk handelen. [4] De beslissing heeft namelijk een zuiver intern karakter. Dit betekent dat zowel de mondelinge beslissing van de voorzitter van de raadsvergadering als het verslag van die vergadering niet kunnen worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Ook de e-mail van
5 februari 2026 van de raadsgriffie waarin verzoeker wordt meegedeeld dat hij niet kan inspreken, kan daarom niet worden aangemerkt een besluit in de zin van de Awb. Het vonnis waar verzoeker in zijn verzoekschrift naar verwijst, maakt dit oordeel niet anders. Dit betrof een vonnis van een civiele rechter over de vraag of de eiser in die zaak werd beperkt in zijn vrijheid van meningsuiting. Wat daarvan ook zij, de voorzieningenrechter kan pas tot een inhoudelijk oordeel komen als er een besluit in de zin van de Awb voorligt.
7. Nu er geen sprake is van een besluit in de zin van de Awb, is het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. Voor een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Verzoeker verwijst daarbij naar een vonnis van de civiele kamer van de rechtbank Amsterdam van 24 december 2025, gepubliceerd onder ECLI:NL:RBAMS:2025:10341.
3.Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, van de Awb in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 februari 2002, ECLI:NL:RBMAA:2002:AD9812