ECLI:NL:RBAMS:2026:1765

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
13-011769-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLWArt. 7 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en strafovername op grond van artikel 6a Overleveringswet

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten tegen een Poolse staatsburger die sinds 2015 duurzaam in Nederland verblijft. De opgeëiste persoon werd verdacht van oplichting en heeft een onherroepelijke vrijheidsstraf van drie jaar opgelegd gekregen, waarvan nog ruim twee jaar resteren.

De rechtbank stelde vast dat de opgeëiste persoon voldoet aan de voorwaarden van artikel 6a Overleveringswet (OLW) om gelijkgesteld te worden met een Nederlander, omdat hij langdurig en rechtmatig in Nederland verblijft en zijn verblijfsrecht niet zal verliezen door de strafuitvoering. Op grond hiervan kan de overlevering worden geweigerd en de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland worden overgenomen.

De rechtbank concludeerde dat de straf naar Nederlands recht strafbaar is en dat de opgelegde sanctie niet onverenigbaar is met de Nederlandse wetgeving. Tevens zijn er voldoende sociale en familiale banden met Nederland, wat de maatschappelijke re-integratie bevordert. Vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder de zorg voor een terminaal zieke ex-echtgenote en eigen medische problemen, werd de gevangenhouding geschorst tot aan de aanvang van de strafuitvoering.

De rechtbank weigerde de overlevering en beval de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland, met schorsing van de gevangenhouding. Er is geen mogelijkheid tot gewoon rechtsmiddel tegen deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland met schorsing van de gevangenhouding tot aan de strafuitvoering.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-011769-24
Datum uitspraak: 18 februari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 28 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 8 december 2023 door
the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1965,
insgeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 23 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 23 december 2025, in aanwezigheid van mr. W.L.M. van Poll, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal. De behandeling is aangehouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen nadere informatie in het kader van artikel 12 OLW Pro te verkrijgen van de uitvaardigende justitiële autoriteit, een advies van de Immigratie- en Naturalisatie Dienst (IND) en het ingevulde certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ met een kopie van het vonnis met kenmerk V K 1121/22.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
Tot slot heeft de rechtbank de beslistermijn nogmaals met 30 dagen verlengd op grond van uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in artikel 22, vierde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie zoals bedoeld in artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting van 4 februari 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van beide partijen – in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 4 februari 2026, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, A.M.C.J. Baaijens, advocaat in Utrecht, en een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
cumulative judgement of District Court for Warszawa-Śródmieście in Warsawvan 11 april 2023,
enforceable on 19 april 2023,(kenmerk V K 1121/22) met als onderliggende vonnissen:
Een vonnis van
the District Court in Bielsko-Białavan 17 mei 2005, met kenmerk III K 399/04;
Een vonnis van
the District Court for Warszawa- Śródmieście in Warsawvan
11 augustus 2006 met kenmerk II K 451/06,
kept enforced by the judgement of Regional Court in Warsaw 10th Criminal Divisionmet kenmerk X Ka 889/06.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Daarvan resteren volgens het EAB nog twee jaar, elf maanden en negenentwintig dagen. Deze vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde verzamelvonnis van 11 april 2023 met kenmerk V K 1121/22.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]
Bij schrijven van 26 januari 2026 zijn alle door de rechtbank geformuleerde vragen door de uitvaardigende justitiële autoriteit beantwoord. De raadsman heeft ter zitting zijn standpunt, dat een deelaspect van die beantwoording aanleiding geeft tot het stellen van een aanvullende vraag, ingetrokken zodat de rechtbank geen nadere overwegingen zal wijden aan artikel 12 OLW Pro.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

Standpunten van de raadsman en officier van justitie
De raadsman en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in het kader van artikel 6a, eerste lid, OLW, gelijk kan worden gesteld met een Nederlander. Zowel de raadsman als de officier van justitie verzoeken de rechtbank om de overlevering te weigeren en de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf over te nemen.
Oordeel van de rechtbank
Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:
1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.
Eerste voorwaarde
Uit de stukken die door de raadsman zijn overgelegd en uit een brief van de IND van 5 januari 2026 blijkt dat dat de opgeëiste persoon sinds 25 november 2015 staat geregistreerd als duurzaam verblijvend EU-burger. Daarmee komt de rechtbank tot de conclusie dat voldaan is aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander, nu gesteld noch gebleken is dat de opgeëiste persoon die hoedanigheid op enig moment zou zijn kwijtgeraakt omdat hij gedurende een periode van twee jaren of langer buiten Nederland zou hebben verbleven.
Tweede voorwaarde
De tweede voorwaarde voor gelijkstelling met een Nederlander wordt getoetst aan de hand van een verklaring van de IND over de verwachting of de opgeëiste persoon al dan niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel. Uit de brief van de IND van 5 januari 2026 volgt dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht niet zal verliezen.
Ook aan deze voorwaarde is voldaan.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Polen opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf. De Poolse autoriteiten hebben toestemming gegeven voor de strafovername middels het sturen van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en een kopie van het samenvoegingsvonnis van de
District Court for Warszawa-Śródmieście in Warsawvan 11 april 2023 met referentie V K 1121/22.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
oplichting.
Uit de Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De opgelegde sanctie is naar haar aard niet onverenigbaar met Nederlands recht. Voor een aanpassing van de opgelegde vrijheidsstraf overeenkomstig artikel 6a, derde tot en met vijfde lid, OLW is daarom geen plaats.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische-, familiale- en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
De rechtbank is dan ook bevoegd om de overlevering overeenkomstig artikel 6a, eerste lid, OLW te weigeren. In dit geval ziet zij geen aanleiding om af te zien van de uitoefening van die bevoegdheid.
De rechtbank is ten slotte van oordeel dat er op dit moment sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot een onmiddellijke schorsing van het bevel tot gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, tot aan het moment dat met de tenuitvoerlegging van de straf zal worden aangevangen.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat de opgeëiste persoon mantelzorger is voor zijn, zo blijkt uit de brief van het ziekenhuis, terminaal zieke ex-echtgenote. Daarnaast is de opgeëiste persoon zelf afgekeurd en heeft hij in de nabije toekomst een operatie aan zijn rug nodig. Hoewel in detentie ook de benodigde medische zorg voor de opgeëiste persoon voorhanden zal zijn en hij in enig - zij het beperkt - contact kan blijven met zijn ex-echtgenote, acht de rechtbank het in de gegeven omstandigheden, namelijk dat hij de zorg draagt voor zijn terminaal zieke ex-echtgenote en hij zelf ook de nodige zorg behoeft, onwenselijk dat de opgeëiste persoon direct na de uitspraak wordt gedetineerd. De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en de tenuitvoerlegging bevelen van de hiervoor bedoelde vrijheidsstraf, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, de gevangenhouding van de opgeëiste persoon bevelen met gelijktijdige schorsing tot aan het moment dat met de tenuitvoerlegging van de straf wordt aangevangen.

6.Artikel 11 OLW Pro: artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat, vanwege structurele of fundamentele gebreken in de Poolse rechtsorde, in Polen een algemeen reëel gevaar bestaat van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [5]
Nu de opgeëiste persoon geen elementen heeft aangevoerd waaruit blijkt dat die structurele of fundamentele gebreken een concrete invloed hebben gehad op de behandeling van zijn strafzaak, is niet aangetoond dat sprake is van een individueel reëel gevaar van schending van het grondrecht op een eerlijk proces voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. [6]

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

Artikel 326 Wetboek Pro van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6a en 7 OLW.

9.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
the Regional Court in Warsaw, VIII Criminal Division, Polen.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[opgeëiste persoon].
BEVEELT en SCHORSTde gevangenhouding van
[opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf (welk bevel apart is geminuteerd).
Deze uitspraak is gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. L. Baroud en J.T.H. Zimmerman, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.C. Hooibrink, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 18 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Rb. Amsterdam 10 februari 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:420, r.o. 5.3.1-5.3.3 en Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, r.o. 4.4.
6.Vgl. Rb. Amsterdam 6 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1794, onder verwijzing naar HvJ EU 22 februari 2022, C-562/21 PPU en C-563/21 PPU, ECLI:EU:C:2022:100 (