ECLI:NL:RBAMS:2026:1779

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/13/780380 / HA RK 25-450
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019w RvArt. 1019z RvArt. 1019ij RvArt. 1019aa lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek deelgeschil inzake vaststellingsovereenkomst letselschade

De zaak betreft een geschil tussen [verzoeker] en InShared over de geldigheid en nakoming van twee vaststellingsovereenkomsten (VSO 2017 en VSO 2021) in een letselschadezaak na een verkeersongeval in 2011.

[Verzoeker] stelt dat de VSO 2017 rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat de VSO 2021 vernietigbaar is wegens dwaling en misbruik van omstandigheden. InShared betwist dit en wijst op de geldigheid van de VSO 2021, die door beide partijen is ondertekend na mediation.

De rechtbank beoordeelt het verzoek tot behandeling in een deelgeschilprocedure en concludeert dat een beslissing op het verzoek niet kan bijdragen aan het sluiten van een vaststellingsovereenkomst. Dit omdat er al een geldige VSO 2021 is en een beslissing over de VSO 2017 slechts uitsluitsel zou geven over welke overeenkomst bindend is.

Ook subsidiaire verzoeken, waaronder vernietiging van de VSO 2021 en betaling wegens ongerechtvaardigde verrijking, kunnen niet bijdragen aan een minnelijke regeling. De rechtbank wijst het verzoek daarom af en bepaalt dat de kosten van de procedure niet worden begroot omdat het verzoek onnodig en onterecht was.

Uitkomst: Het verzoek tot behandeling in deelgeschil wordt afgewezen omdat het niet kan bijdragen aan het sluiten van een vaststellingsovereenkomst en onnodig is ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/780380 / HA RK 25-450
Beschikking van 26 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. S. Demirtas,
tegen
ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
mede handelend onder de naam
INSHARED,
te Apeldoorn,
verweerder,
hierna te noemen: InShared,
advocaat: mr. J.L.S.M. van Esser.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
 het verzoekschrift, binnengekomen ter griffie op 15 december 2025, met bijlagen;
 de e-mail van de griffier van 12 januari 2026 aan mr. Demirtas, inhoudende een verzoek om nader toe te lichten waarom deze zaak zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure;
 de e-mail van mr. Van Esser van 15 januari 2026, met als strekking dat InShared verweer wenst te voeren;
 de e-mail van mr. Demirtas van 15 januari 2026 in reactie op het verzoek van de griffier van 12 januari 2026;
 de op verzoek van de griffier daarop verschafte schriftelijke reactie van mr. Van Esser van 16 februari 2026.
1.2.
Mr. Demirtas heeft de rechtbank verzocht een datum voor een mondelinge behandeling te bepalen. De rechtbank is evenwel tot de conclusie gekomen dat geen aanleiding bestaat om in het kader van deze deelgeschilprocedure een verschijning van partijen te gelasten. De overwegingen die tot die conclusie/beslissing hebben geleid, zullen hierna onder 4.2 en 4.3 nader worden toegelicht.
1.3.
De rechtbank heeft vervolgens de beschikking bepaald op heden. Partijen zijn hiervan voorafgaand in kennis gesteld.

2.De feiten

2.1.
Uit het verzoekschrift en de daarbij gevoegde bijlagen leidt de rechtbank het volgende af.
2.2.
Op 22 november 2011 is [verzoeker] als bijrijder van een auto gewond geraakt bij een verkeersongeval op de A10 te Amsterdam. De auto was verzekerd bij InShared.
2.3.
Bij brief van 18 januari 2012 heeft InShared de toenmalige advocaat van [verzoeker] , mr. J.R.E. Alberts, bericht dat op deze kwestie de ‘bedrijfsregeling schuldloze derde’ van toepassing is, zodat in het kader daarvan de aansprakelijkheid richting [verzoeker] werd aanvaard.
2.4.
Vervolgens is er tussen mr. Alberts en InShared langdurig onderhandeld in het kader van de afwikkeling van de letselschade en zijn er in de tussentijd voorschotten aan [verzoeker] beschikbaar gesteld.
2.5.
Op 18 oktober 2017 heeft de door InShared ingeschakelde schaderegelaar, Van Kouterik Personenschade, het volgende aan mr. Alberts bericht:
“Na overleg met mijn opdrachtgever is mijn opdrachtgever na ampele overwegingen bereid gevonden om een slotbetaling van €225.000 betaald te stellen, alsook om een belastinggarantie te verstrekken voor de volledige schadevergoeding, onder voorwaarde van een mede door uw cliënt ondertekenende vaststellingsovereenkomst en belastinggarantie. Beide documenten voeg ik bij, met het verzoek ze in tweevoud te printen en met het verzoek uw cliënt tot ondertekening over te laten gaan.
Graag ontvang ik 1 mede door uw cliënt ondertekend exemplaar van beide documenten retour, waarna ik mijn opdrachtgever zal vragen over te gaan tot betaling van het slotbedrag. (..)”
De bij deze e-mail als bijlage gevoegde vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO 2017) bevatte een op 18 oktober 2017 geplaatste handtekening van de directeur van InShared. In de VSO 2017 wordt uitgegaan van een schadebedrag van € 393.000,-, een reeds bevoorschot bedrag van € 168.000,- en daarmee een slotuitkering van € 225.000,-.
2.6.
Na ontvangst van de VSO 2017 en belastinggarantie heeft [verzoeker] een second opinion gevraagd van een andere advocaat, mr. E.W. Bosch, die de schadeafhandeling hierna van mr. Alberts heeft overgenomen.
2.7.
Bij brief van 16 januari 2018 heeft mr. Bosch, voor zover hier van belang, het volgende aan InShared bericht:
“Hierdoor kom ik bij u terug op onze correspondentie en gesprekken in de hierboven kort aangeduide zaak. Inmiddels was ik in de gelegenheid om het dossier (inclusief schade begroting) te bestuderen en met cliënt te bespreken. De uitkomst van dit gesprek is dat cliëntnietinstemt met de eerdere besproken regeling, waarin uw achterban € 393.000,00 betaalt, tegen finale kwijting. (..)”
2.8.
Na uitvoerige correspondentie, zijn InShared en [verzoeker] op 28 april 2021 een mediationtraject gestart, dat blijkens artikel 1 van Pro de mediationovereenkomst van die datum was bedoeld om “
een eind te maken aan een langlopende letselschade zaak tegen finale kwijting”.
2.9.
Op 3 mei 2021 heeft mr. Bosch het volgende aan InShared bericht:
“Bijgaand zend ik u, namens cliënt, de door cliënt ondertekende vaststellingsovereenkomst. Wilt u de verschuldigde betalingen verrichten? (..)”
De bij deze e-mail als bijlage gevoegde vaststellingsovereenkomst (hierna: de VSO 2021) is op 3 mei 2021 door zowel de directeur van InShared als [verzoeker] ondertekend. In de VSO 2021 is uitgegaan van een schadebedrag van € 322.500,-, een reeds bevoorschot bedrag van € 200.000,- en daarmee een slotuitkering van € 122.500,-. Daarnaast is in de VSO 2021 medeling gemaakt van een bedrag van € 86.058,17 aan buitengerechtelijke kosten (hierna: bgk), een daarop reeds bevoorschot bedrag van € 71.058,17 en aldus van een slotuitkering op de bgk van € 15.000,-. In de VSO 2021 is tot slot opgenomen dat [verzoeker] InShared, na van betaling van genoemde slotbedragen, finale kwijting verleent.
2.10.
Bij brief van 19 oktober 2023 heeft [verzoeker] InShared verzocht de VSO 2017 na te komen en om, omdat reeds een bedrag van € 322.500 was betaald, nog een bedrag van € 70.500,- betaalbaar te stellen. In zijn brief heeft [verzoeker] , kort samengevat, toegelicht dat er op 18 oktober 2017 (door aanbod en vervolgens aanvaarding door mr. Alberts) al een vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen en dat alles wat er na die datum is gebeurd, niet relevant is.
2.11.
Per e-mail van 17 november 2023 heeft InShared [verzoeker] hierop bericht dat InShared niet over gaat tot het doen van enige (na)betaling. Zij heeft dit, voor zover hier van belang, als volgt toegelicht:
“Los van het feit dat de vaststellingsovereenkomst d.d. 3 mei 2021 geldig is - er is immers geen sprake van strijd met de goede zeden of openbare orde - is de vaststellingsovereenkomst uit 2017 waarnaar u verwijst niet ondertekend. Bovendien heeft u er destijds bij monde van uw opvolgend belangenbehartiger mr. Bosch voor gekozen om de schaderegeling samen met InShared voort te zetten. Dit heeft ertoe geleid dat er verschillende onderzoeken zijn verricht, waaronder een bedrijfseconomisch onderzoek, een arbeidsdeskundig onderzoek en een neurologische expertise. Het schaderegelingstraject is vervolgens zorgvuldig afgesloten met een mediation, hetgeen resulteerde in de door beide partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst van 3 mei 2021. Daarmee werd de zaak definitief geregeld waarbij partijen elkaar finale kwijting hebben verleend. (..)
2.12.
Bij brief van 18 april 2024 heeft [verzoeker] in navolging hierop nog het volgende aan InShared bericht:
“Op 3 mei 2021 sloten InShared en ik een vaststellingsovereenkomst met kenmerk (..) . Op de dag van de mediation kwam ik erachter dat er op 18 oktober 2017 een vaststellingsovereenkomst tot stand was gekomen. Voorafgaand aan het tekenen van de vaststellingsovereenkomst met kenmerk (..)[de VSO 2021; de rb]
heb ik dhr. [naam] daarover ingelicht, waardoor die omstandigheid voor Inshared kenbaar was (kenbaarheidsvereiste). (..) Gelet op het bovenstaande kan ik niet anders dan u vragen om de vaststellingsovereenkomst van 17 oktober 2017 alsnog gestand te doen. (..).
Met deze brief laat ik u weten dat ik de vaststellingsovereenkomst met kenmerk (..)[de VSO 2021; de rb]
vernietig op grond van dwaling en misbruik van omstandigheden. (..)
2.13.
Bij brief van 3 juni 2024 heeft InShared hierop afwijzend gereageerd.
2.14.
Per e-mail van 30 augustus 2024 heeft [verzoeker] mr. Alberts gevraagd hem te bevestigen dat hij, namens [verzoeker] , destijds akkoord heeft gegeven op de VSO 2017. Mr. Albert heeft hierop per e-mail van 30 augustus 2024, voor zover hier relevant, geantwoord:
“Het met u besproken bedrag ter hoogte van € 225.000,- is akkoord bevonden door de wederpartij en dit is een vso gegoten. In de bijlage die u mij zendt zit ook een email van mij waarin ik het e.e.a. aan u bevestig. De wederpartij stemt in met het bedrag en stelt de overeenkomst en belastinggarantie op. Via mij is er namens u dan ook een akkoord gegeven op het voornoemd bedrag en heeft de wederpartij daarmee ingestemd. (..)”

3.Het verzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank - samengevat - bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
primair:
  • te bepalen dat de VSO 2017 geldig en bindend tot stand is gekomen tussen [verzoeker] en InShared;
  • te bepalen dat InShared gehouden is tot nakoming van de VSO 2017, waaronder tot betaling van € 99.313,81 (bestaande uit € 70.500,- aan hoofdsom, € 16.267,- aan misgelopen rente vanaf 4 mei 2021 en € 12.5546,81 aan nadeelscompensatie bijstand), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2021;
subsidiair, als de rechtbank oordeelt dat de VSO 2017 niet tot stand is gekomen:
- te bepalen dat de VSO 2021 vernietigbaar is op grond van misbruik van omstandigheden dan wel dwaling;
meer subsidiair, als de rechtbank oordeelt dat de VSO 2017 niet geldig is en dat de VSO 2021 niet vernietigbaar is:
  • InShared veroordeelt tot betaling van € 70.500,- op grond van ongerechtvaardigde verrijking, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 mei 2021;
  • voor recht verklaart dat de bijstandsuitkeringen die [verzoeker] aan de gemeente dient terug te betalen, door InShared dienen te worden vergoed zodra [verzoeker] bewijs heeft geleverd van deze terugbetaling en de exacte omvang van deze schade is komen vast te staan;
  • voor recht verklaart dat de overige schade, inclusief toekomstige kosten en immateriële schadeposten die nog niet zijn vastgesteld, door [verzoeker] kan worden gevorderd en dat deze nog dient te worden vastgesteld;
en, waarbij niet geheel duidelijk is of dit (deels) zelfstandig of (ook) meer subsidiair wordt gevorderd:
- bepaalt dat InShared gehouden is € 983,12 aan bgk te voldoen, te vermeerderen met wettelijke rente,
met veroordeling van InShared in de kosten van dit deelgeschil, welke kosten dienen te worden begroot op € 12.865,65.
3.2.
Aan zijn verzoek legt [verzoeker] , voor zover hier van belang en kort samengevat, het volgende ten grondslag. De VSO 2017 is - door aanbod van InShared en mondelinge aanvaarding door de toenmalige raadsman van [verzoeker] - rechtsgeldig tot stand gekomen. De omstandigheid dat [verzoeker] de VSO 2017 zelf niet heeft ondertekend, doet daar niet aan af. Hoewel de vaststelling hiervan in het subsidiaire verzoek is vervat, begrijpt de rechtbank uit het verzoekschrift dat de VSO 2021 volgens [verzoeker] niet aan een beroep op nakoming van de VSO 2017 in de weg staat, omdat de VSO 2021 vernietigbaar is wegens (al dan niet wederzijdse) dwaling dan wel misbruik van omstandigheden: [verzoeker] zou de VSO 2021 nooit zijn aangegaan als InShared hem niet in de onjuiste veronderstelling zou hebben gebracht dat de VSO 2017 niet tot stand was gekomen en hem niet onder druk zou hebben gezet een nieuwe vaststellingsovereenkomst te sluiten. Aan het meer subsidiaire verzoek heeft [verzoeker] ten grondslag gelegd dat InShared zich, door het innemen van een inconsistent en tegenstrijdig standpunt ten aanzien van de VSO 2017, ongerechtvaardigd heeft verrijkt: InShared heeft hiermee een lager bedrag afgedwongen dan waarop [verzoeker] aanspraak had, aldus [verzoeker] .

4.De beoordeling

4.1.
[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w van het Wetboek van Burgelijke Rechtsvordering (Rv). In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen.
Geen mondelinge behandeling
4.2.
Artikel 1019ij Rv biedt de deelgeschillenrechter de bevoegdheid om, zowel op verzoek als ambtshalve, tijdens of na afloop van de deelgeschilprocedure een verschijning van partijen voor een mondelinge behandeling te bevelen. De mogelijkheid een verschijning van partijen te bevelen, biedt partijen en de rechter de gelegenheid om te bezien of een schikking kan worden getroffen dan wel de verdere afhandeling van de zaak te bespreken. Het doel van de deelgeschilprocedure is om partijen te ondersteunen in de buitengerechtelijke onderhandelingen, zodat zij zelf een vaststellingsovereenkomst kunnen sluiten.
4.3.
Hoewel [verzoeker] (mr. Demirtas) heeft verzocht een datum te bepalen voor een mondelinge behandeling, heeft de rechtbank daarvoor in dit geval geen aanleiding gezien. Hiervoor is het volgende redengevend. Omdat bij de rechtbank, na het lezen van het verzoekschrift, direct de vraag rees of het daarin vervatte verzoek zich wel leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure (en daarmee of een mondelinge behandeling wel zinvol is), heeft zij partijen verzocht zich hierover schriftelijk uit te laten. Beide partijen hebben dit vervolgens gedaan. Volgens [verzoeker] leent het verzoek zich (wel) voor behandeling in een deelgeschilprocedure; volgens InShared niet. Uit het navolgende zal blijken dat de rechtbank, met inachtneming van de genoemde reacties, tot de conclusie komt dat een beslissing op het verzochte in dit geval
nietzal kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst (in de zin van de deelgeschilprocedure); reden waarom het verzochte ook wordt afgewezen. Nu partijen zich hierover in voldoende mate hebben kunnen uitlaten, heeft de rechtbank in de gegeven omstandigheden het bevelen van een mondelinge behandeling niet zinvol geacht.
Behandeling in een deelgeschilprocedure
4.4.
De rechter dient - ambtshalve - te beoordelen of het verzoek van [verzoeker] zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letsel- of overlijdensschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter ter bevordering van de totstandkoming van een minnelijke regeling. Bij de beoordeling van het deelgeschil moet de rechtbank zich de vraag stellen of de bijdrage van de verzochte beslissing aan de mogelijke totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zodanig is dat deze opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Als de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.5.
Met inachtneming van de inhoud van de hiervoor genoemde reacties van partijen (zie 4.3), is de rechtbank van oordeel dat het verzochte in dit deelgeschil, indien toegewezen, niet kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Tussen partijen staat immers vast dat er al een vaststellingsovereenkomst is gesloten, namelijk de VSO 2021. In het geval toewijzend zou worden beslist op het primaire verzoek, waaraan – de stellingen van [verzoeker] volgend – kennelijk eerst een vernietiging van de VSO 2021 vooraf zou gaan, wordt teruggevallen op een andere vaststellingsovereenkomst, namelijk de VSO 2017. Een beslissing op het primaire verzoek kan dus (evident) niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, maar zou slechts uitsluitel geven over welke vaststellingsovereenkomst partijen bindt.
4.6.
Indien toewijzend zou worden beslist op het subsidiaire verzoek, betekent dit dat daaraan voorafgaand is geoordeeld dat de VSO 2017 niet tot stand is gekomen, en dat er - door vernietiging van de VSO 2021 - ook geen vaststellingsovereenkomst meer is. Het standpunt van [verzoeker] dat die beslissing (wel) zou kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, deelt de rechtbank niet. Bij een toewijzende beslissing op dit punt zou de gehele schadeafwikkeling immers weer openliggen, met nu als bijkomend probleem dat er inmiddels al uitvoering is gegeven aan de VSO 2021 en dat partijen al sinds 2021 niet meer met elkaar in onderhandeling (in de zin van artikel 1019x lid 3 sub c Rv) over (de inhoud van) een vaststellingsovereenkomst zijn. De discussie die partijen in de tussenliggende jaren (na de VSO 2021) tot op heden hebben gevoerd, heeft namelijk geen betrekking op inhoudelijke standpunten die partijen hebben ingenomen over bijvoorbeeld de schade of de causaliteit, maar slechts op (i) de (als primair verzoek ingestoken) vraag of [verzoeker] kan terugkomen op het – al dan niet aanvaarde – aanbod uit 2017 en, als dat niet het geval is, (ii) of hij InShared kan tegenwerpen dat zij hierover tegenstrijdige standpunten zou hebben ingenomen en [verzoeker] hiermee op het verkeerde been of onder druk zou hebben gezet (dwaling, misbruik van omstandigheden) en (iii) of InShared zichzelf hiermee ongerechtvaardigd zou hebben verrijkt.
4.7.
Ook een beslissing op dit laatste punt, de grondslag van het meer subsidiaire verzoek, kan niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Toewijzing van dit meer subsidiaire verzoek voorziet immers in een eindsituatie, aangezien verzocht wordt InShared te veroordelen een bedrag op grond van ongerechtvaardigde verrijking te betalen, en wel het exacte verschil tussen het betaalde op grond van de VSO 2021 en dat wat op grond van de VSO 2017 zou zijn betaald.
4.8.
Tot slot valt evenmin in te zien hoe beslissingen op de overige (al dan niet meer subsidiair ingestoken) verzoeken in de gegeven omstandigheden zouden kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.
4.9.
De conclusie is dan ook dat het verzoek van [verzoeker] zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Voor een beslissing op de door hem opgeworpen punten zal [verzoeker] zich tot de bodemrechter moeten wenden. Dat de deelgeschillenrechter van de rechtbank Arnhem in 2012 [1] in een
enigszinsvergelijkbare zaak wel tot een inhoudelijke behandeling in deelgeschil is overgegaan, geeft de rechtbank, vanwege de hiervoor besproken specifieke omstandigheden van dit geval, geen aanleiding om in deze zaak tot een andere conclusie te komen.
4.10.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek op grond van artikel 1019z Rv afwijzen.
Kosten deelgeschil
4.11.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Dat geldt ook als een verzoek in deelgeschil wordt afgewezen. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval sprake.
4.12.
Dat het verzochte niet zou kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarom zou moeten worden afgewezen, lag naar het oordeel van de rechtbank zo voor de hand dat het indienen van het verzoek volstrekt onterecht en onnodig moet worden beschouwd. De kosten van de behandeling van het verzoek komen daarmee niet voor vergoeding in aanmerking, zodat begroting van deze kosten achterwege kan blijven en voor de verzochte veroordeling van InShared in de kosten van het deelgeschil geen plaats is.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst het verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Scheijde en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Arnhem, 22 november 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:3828